Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1442

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
380390 / HA ZA 11-1418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg testament. Fideï-commissaire making. Vraag of voorwaarde waaronder fideï-commissair verband eindigt in vervulling is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/72

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 380390 / HA ZA 11-1418

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Krimpen aan den IJssel,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te Krimpen aan den IJssel,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. [gedaagde 3],

wonende te Bergschenhoek,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam,

4. [gedaagde 4],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, zal hierna [eiser] genoemd worden en gedaagde in conventie sub 3, tevens eiser in reconventie, [gedaagde 3].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen d.d. 30 mei 2012, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde 3], met producties,

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [gedaagde 3],

- de conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 9 juli 2009 is overleden mevrouw [X], geboren op 26 januari 1919 te Rotterdam (hierna: erflaatster). [eiser] en gedaagde sub 1 zijn de enige kinderen van erflaatster. Gedaagde sub 2 is de echtgenoot van gedaagde sub 1. [gedaagde 3] en gedaagde sub 4 zijn de wettige kinderen van [eiser].

Erflaatster heeft bij testament, verleden voor notaris mr. [Y] te Rotterdam, op 12 mei 2005 beschikt over haar nalatenschap. Dit testament luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

"(...)

Ten vierde:

Erfstelling

1. Onder de last van de door mij gemaakte legaten, benoem ik tot enige erfgenamen van mijn nalatenschap mijn kinderen, tezamen en voor gelijke delen. (...)

(...)

Ten zesde.

Fideï-commis de residuo

Ik bepaal dat hetgeen mijn zoon, (...) [eiser], hierna ook te noemen "bezwaarde" uit mijn nalatenschap heeft verkregen en daarvan bij zijn overlijden onverteerd en onvervreemd heeft overgelaten zal toekomen aan zijn kinderen (...) tezamen en voor gelijk delen, ieder hierna ook te noemen "verwachter".

De bezwaarde is mitsdien rechthebbende onder ontbindende voorwaarde en de verwachter is rechthebbende onder opschortende voorwaarde.

(...)

Met betrekking tot deze voorwaardelijke makingen bepaal ik voorts het volgende:

(...)

6. De bezwaarde erfgenaam is bevoegd tot vervreemding en vertering van het fideï commissair vermogen. (...)

7. Het fideï commissair verband eindigt voorts:

a. bij faillissement van de bezwaarde;

b. bij aanvrage van surséance van betaling van de bezwaarde;

c. bij toepasselijkheid van de regeling inzake schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van de bezwaarde;

e. bij verlies van de vrije beschikking over het vermogen door de bezwaarde;

f. op het tijdstip, dat de begiftigde een overheidsbijdrage aanvraagt en (ver)krijgt krachtens een overheidsregeling, die inhoudt dat alvorens de overheidsbijdrage kan worden genoten het eigen vermogen geheel of gedeeltelijk ingeteerd dient te zijn hetzij dat de overheidsbijdrage geheel of gedeeltelijk op het eigen vermogen verhaalbaar is.

In de hiervoor onder c. tot en met f. genoemde gevallen komt het onder fideï commissair verband gebrachte vermogen toe aan de verwachter(s) en kan (kunnen) de verwachter(s) vrij beschikken over dit vermogen.

(...)".

Hetgeen ten zesde onder 7 sub f in het testament is opgenomen, wordt hierna aangeduid als "de ontbindende voorwaarde".

[eiser] is muzikant. Hij kan niet door middel van zijn werk permanent in zijn eigen levensonderhoud voorzien en is deels afhankelijk van een bijstandsuitkering, in het bijzonder een uitkering krachtens de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (hierna: WWIK), welke wet met ingang van 1 januari 2012 is ingetrokken. [eiser] genoot deze uitkering op het moment van het opmaken van het testament en op het moment van het overlijden van erflaatster.

Het geschil

in conventie

[eiser] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat de ontbindende voorwaarde toepassing mist, althans zich niet heeft gerealiseerd, zodat [eiser] krachtens het testament in geval van zuivere aanvaarding van de nalatenschap rechthebbende wordt voor zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster.

[gedaagde 3] voert gemotiveerd verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde 3] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat de ontbindende voorwaarde toepassing heeft en dat [eiser] gehouden is de nalatenschap te aanvaarden, met de bepaling dat onderhavig vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [eiser], waarbij [eiser] de nalatenschap onvoorwaardelijk en zuiver zou aanvaarden.

[eiser] voert gemotiveerd verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde 3] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling in conventie en in reconventie

Tussen partijen is in geschil of het feit dat [eiser] op het moment van het openvallen van de nalatenschap een WWIK-uiterking genoot tot gevolg heeft dat de ontbindende voorwaarde in werking treedt, waardoor [eiser] zijn aanspraak op zijn aandeel in de nalatenschap verliest.

[eiser] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontbindende voorwaarde in het geheel niet van toepassing is. Subsidiair heeft hij gesteld dat de ontbindende voorwaarde zich in het onderhavige geval niet voordoet. [eiser] heeft immers na het openvallen van de nalatenschap geen uitkering gevraagd. Hij genoot deze uitkering op dat moment al. Het is nooit de bedoeling van erflaatster geweest [eiser] te onterven in het geval hij een bijstandsuitkering zou ontvangen.

[gedaagde 3] heeft zich op het standpunt gesteld dat de tekst van het testament helder is. Op grond van de ontbindende voorwaarde eindigt het fideï commissair verband wanneer [eiser] de nalatenschap aanvaardt. De betreffende bepaling geeft aan dat voor zover [eiser] een uitkering ontvangt waarbij alleen een recht op die uitkering bestaat indien is ingeteerd op het eigen vermogen, [eiser] geen rechthebbende is op zijn deel van de nalatenschap, doch dat zijn verwachters in zijn plaats treden.

De rechtbank overweegt als volgt. In onderhavige zaak gaat het om de uitleg van het testament van erflaatster. Ex artikel 4:46 BW dient bij de uitleg van een testament te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Vast staat dat [eiser] op het moment dat het testament werd gemaakt en op het moment dat de nalatenschap openviel reeds een overheidsbijdrage als bedoeld in de ontbindende voorwaarde genoot. Indien strikt de tekst van het testament wordt gevolgd, is de ontbindende voorwaarde niet van toepassing nu er na het opstellen en openvallen van de nalatenschap geen sprake is van een aanvraag van een overheidsbijdrage.

De rechtbank ziet in casu geen aanleiding om van voormelde strikte interpretatie van de tekst af te wijken. Indien de tekst namelijk wordt geïnterpreteerd zoals [gedaagde 3] voorstaat, zou dit betekenen dat reeds op het moment van het opstellen van het testament er een te voorziene kans was dat [eiser] feitelijk onterfd zou worden, aangezien hij op dat moment reeds een overheidsbijdrage als in de ontbindende voorwaarde bedoeld genoot. Uit de stukken die door [eiser] zijn overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van erflaatster is geweest.

De notaris mr. [Y], die het testament heeft opgesteld, heeft in haar brief d.d. 8 oktober 2009 geschreven dat de bedoeling van de voorwaardelijke making was dat het door [eiser] geërfde vermogen bij zijn overlijden niet aan een vriendin of anderen, niet zijnde zijn eigen kinderen, mocht toekomen. Voorts heeft de zus van [eiser], gedaagde sub 1, die aanwezig was bij de bespreking tussen erflaatster en de notaris over het testament, in haar brief van 1 december 2009 geschreven dat erflaatster haar heeft gezegd dat het de bedoeling was dat [eiser] de helft van de erfenis zou ontvangen, doch dat erflaatster er moeite mee had dat na het overlijden van [eiser] de erfenis mogelijk zou toevallen aan de vrouwen met wie hij samenleefde en voorts dat zij bang was dat de bijstand de erfenis zou opeisen omdat [eiser] al langdurig een uitkering ontving. Deze laatste situatie doet zich niet voor. Indien [eiser] de nalatenschap aanvaardt, zal de aan hem toegekende uitkering worden beëindigd. Gezien de terugvorderingsgronden welke stonden vermeld in artikel 29 van de WWIK kunnen in het verleden verstrekte uitkeringen niet worden teruggevorderd indien iemand op een bepaald moment een vermogen verkrijgt.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie voor toewijzing gereed ligt en de vorderingen in reconventie dienen te worden afgewezen.

In het feit dat partijen familieleden van elkaar zijn en het geschil betrekking heeft op de uitleg van een testament ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De rechtbank,

In conventie

verklaart voor recht dat de ontbindende voorwaarde toepassing mist, zodat [eiser] krachtens het testament in geval van zuivere aanvaarding van de nalatenschap rechthebbende wordt voor zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster,

In reconventie

wijst af de vorderingen van [gedaagde 3],

In conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.

204/1489