Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
WTS-I-2010-033889
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde is in Italië in 1999 bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren voor de invoer en het voorhanden hebben van zware wapens en munitie in de periode van 1988 tot 1992. Na zijn veroordeling is de veroordeelde uit detentie gevlucht. Hij is meer dan tien jaar voortvluchtig geweest. Bij zijn aanhouding in 2010 was hij woonachtig in Nederland. De rechtbank verklaart op verzoek van de Italiaanse autoriteiten de tenuitvoerlegging van de Italiaanse straf in Nederland toelaatbaar. De feiten worden naar Nederlands recht gekwalificeerd als handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De rechtbank zet de straf om in een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Dit is welhaast de maximaal op te leggen gevangenisstraf, waarbij rekening is gehouden met de ‘bijzondere omstandigheden’ van het geval. WOTS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/992006-11

Lurisnummer: WTS-I-2010-033889

Datum uitspraak: 6 april 2012

UITSPRAAK

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement ertoe strekkende, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van na te noemen in Italië gewezen rechterlijke beslissing tegen:

[naam veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres]verder te noemen: de veroordeelde.

1. Feiten

Uit de door de Italiaanse autoriteiten aangeleverde stukken blijkt het volgende:

De veroordeelde is op 9 november 1995 in Zürich (Zwitserland) aangehouden en op 25 juli 1996 aan Italië uitgeleverd.

Bij rechterlijke beslissing van het Gerechtshof te Milaan (Italië) van 27 april 1999 is de veroordeelde in appèl voor zover hier van belang veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren, ter zake van:

- wederrechtelijk bezitten van wapens, delen van wapens, munitie, explosieven chemische agressieve stoffen of andere moordinstrumenten, in vereniging en

- oorlogswapens of wapens van het type oorlogswapens of delen daarvan die voor gebruik geschikt zijn, munitie voor oorlogswapens, explosieven van elke soort, chemische agressieve stoffen of andere moordinstrumenten binnen het Italiaanse grondgebied brengen, te koop aanbieden of op enige titel verstrekken, of verzamelen, welke feiten werden gepleegd te Milaan en elders, van 1988 tot 1992.

De veroordeelde is door de Italiaanse autoriteiten onder huisarrest geplaatst in de kliniek ‘La Betulle’ te Appiano Gentile, van waaruit hij op 11 maart 1999 is ontsnapt. Op grond van de Italiaanse signalering is de veroordeelde op 10 maart 2010 aangehouden te Rotterdam.

De Italiaanse autoriteiten hebben bij brief van 23 april 2010 verzocht, dat de veroordeelde de tenuitvoerlegging van zijn straf verder zal ondergaan in Nederland, waar hij zich thans bevindt. Bij brief van 2 juli 2010 hebben de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat zij instemmen met toepassing van de omzettingsprocedure.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 24 januari 2011 het verzoek tot overname van de strafexecutie van de Italiaanse autoriteiten, met de daarbij overgelegde stukken, gezonden aan de officier van justitie in dit arrondissement, teneinde dit verzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 22 februari 2011 gevorderd, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van genoemde Italiaanse rechterlijke beslissing.

Op 30 maart 2011 heeft de rechtbank ter openbare terechtzitting gehoord, de officier van justitie, mr. Van Solingen, alsmede de raadsvrouw van de veroordeelde, mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, die door de veroordeelde is gemachtigd. De veroordeelde is niet ter terechtzitting verschenen. De behandeling van de zaak is toen voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen -onder meer bij de Italiaanse autoriteiten- nadere informatie in te winnen, alsmede teneinde omtrent de veroordeelde een briefrapportage te laten opstellen door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP).

Door het NIFP is op 14 juni 2011 omtrent de veroordeelde gerapporteerd.

Voorts is bij brieven van 21 maart 2011, 29 maart 2011, 5 september 2011 en 22 maart 2012 van de Italiaanse autoriteiten nadere informatie ontvangen.

Ook zijn ingekomen processen-verbaal van 8 maart 2011, 20 oktober 2011 en 15 maart 2012, van de politie Rotterdam-Rijnmond met nadere informatie.

Op 23 maart 2012 heeft de rechtbank ter openbare terechtzitting gehoord, de officier van justitie, mr. Van Solingen, alsmede mr. I.N. Weski, die door de veroordeelde is gemachtigd. De veroordeelde is wederom niet ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van voornoemde rechterlijke beslissing van het Gerechtshof te Milaan (Italië) van 27 april 1999. Zij heeft daarbij de omzetting gevorderd van de in Italië opgelegde vrijheidsstraf in een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van de reeds in Zwitserland, Italië en hier te lande in hechtenis of gevangenschap doorgebrachte tijd. De officier van justitie heeft tevens de gevangenneming van de veroordeelde bij einduitspraak gevorderd.

2. Vertrekpunt bij de beoordeling

Gelet op artikel 28, derde lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) dient in deze WOTS-procedure op basis van de feiten die de Italiaanse rechter aan de veroordelingen ten grondslag heeft gelegd, te worden beoordeeld of, en zo ja welk(e), strafba(a)r(e) feit(en) deze naar Nederlands recht opleveren. Vervolgens dient ingevolge artikel 31 WOTS de straf of maatregel te worden opgelegd welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

3. Toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging

3.1 Toepasselijk verdrag

De vordering tot tenuitvoerlegging is gegrond op het Verdrag van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74) inzake de overbrenging van gevonniste personen, verder te noemen het Verdrag. Zowel Nederland als Italië zijn partij bij het Verdrag en voor beide Staten is het Verdrag in werking getreden.

3.2 Identiteit van de veroordeelde

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft tijdens voormelde terechtzittingen steeds verklaard dat haar cliënt de persoon is die bij voornoemde rechterlijke beslissing is veroordeeld tot de in die beslissing genoemde straf. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

3.3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering, nu deze is ingediend bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied de veroordeelde zijn woonplaats heeft.

3.4. Genoegzaamheid van de stukken

De rechtbank heeft kennis genomen van de overgelegde stukken, te weten:

- een gewaarmerkt afschrift van eerdergenoemde rechterlijke beslissing en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen;

- een opgave betreffende het reeds ondergane gedeelte van de veroordeling, aangevuld bij brief van 5 september 2011, daaronder begrepen inlichtingen omtrent de voorlopige hechtenis, vervroegde invrijheidstelling en amnestiebepalingen;

- verklaringen van de Italiaanse autoriteiten van 23 april 2010 en van 2 juli 2010, houdende instemming met de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde in Italië opgelegde straf in Nederland en toepassing van de omzettingsprocedure. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag.

3.5 Dubbele strafbaarheid

Naar Nederlands recht zijn de voornoemde feiten bij een overeenkomstige inbreuk op de

Nederlandse rechtsorde strafbaar, te weten als:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, of een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a van de Wet wapens en munitie.

Aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan.

3.7.1 Gevoerde verweren

Volgens de raadsvrouw is de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar, omdat de veroordeelde in Italië ongeveer drie jaar in isolatie heeft gezeten, waarbij hem de dringend benodigde psychiatrische en fysiek-medische zorg is onthouden, hoewel de Italiaanse autoriteiten van die behoefte op de hoogte waren. Dit moet als marteling en strijd met het Folterverdrag en de artikelen 3 en 5 van het EVRM worden beschouwd. Mocht de rechtbank de tenuitvoerlegging om deze reden niet onmiddellijk ontoelaatbaar achten, dan heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht om de zaak niet thans af te doen om de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden af te wachten.

Voorts is de tenuitvoerlegging volgens de raadsvrouw ontoelaatbaar omdat de veroordeelde in Italië geen eerlijk proces heeft gehad. Immers, de behandeling van de zaak van de veroordeelde bij de rechtbank te Bresia verliep chaotisch; hij heeft geen bijstand gehad van een tolk; de veroordeling stoelde in doorslaggevende mate op de verklaring van een getuige, een zogenoemde ‘spijtoptant’.

Ten slotte hebben de Zwitserse autoriteiten eveneens een onderzoek gedaan en geen strafbare feiten ontdekt. De vervolging in Italië was derhalve in strijd met het ne-bis-in-idem beginsel.

3.7.2 Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank als exequaturrechter bij haar beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de Italiaanse rechter, zowel wat betreft de inhoud als de wijze van totstandkoming. Het staat de rechtbank daarbij niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of zich onrechtmatigheden hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek, omdat die beoordeling is voorbehouden aan de buitenlandse rechter. Dit kan slechts anders zijn als komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.

De veroordeelde heeft bij de behandeling van zijn zaak door het Gerechtshof te Milaan verstek laten gaan en daarmee de gelegenheid voorbij laten gaan zijn klachten over het voorarrest en over de procedure aan deze Italiaanse rechter voor te leggen. Daarnaast is uit hetgeen de raadsvrouw aan de verweren ten grondslag heeft gelegd noch uit de overige dossierstukken een begin van aannemelijkheid voortgevloeid dat sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.

De verweren worden dan ook verworpen.

Het verzoek om de zaak niet thans af te doen wordt, in het kader van het hier gevoerde verweer, afgewezen.

3.8 Conclusie

Op grond van de overgelegde stukken, bezien in samenhang met de verklaringen van de raadsvrouw van de veroordeelde ter voormelde terechtzittingen, is het volgende komen vast te staan:

- de veroordeelde is Nederlands onderdaan;

- de rechterlijke beslissing van het Gerechtshof te Milaan (Italië) van 27 april 1999, is in kracht van gewijsde gegaan en is voor tenuitvoerlegging vatbaar;

- de veroordeelde moest op het moment van ontvangst van de instemming van de Italiaanse autoriteiten tot overname van de straf, nog ten minste zes maanden van de bij voormelde Italiaanse rechterlijke beslissing opgelegde vrijheidsstraf ondergaan;

- de beide betrokken Staten hebben ingestemd met de overdracht;

- de rechterlijke beslissing, waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, is gewezen ter zake van feiten die naar Italiaans recht strafbaar zijn;

- naar Nederlands recht zijn de feiten bij een overeenkomstige inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar, als hiervoor aangegeven.

Mitsdien is in zoverre voldaan aan de eisen genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag.

Gelet op het vorenstaande dient de tenuitvoerlegging van voornoemde rechterlijke beslissing toelaatbaar te worden verklaard.

4. De in Nederland op te leggen straf

4.1

Uit de door de Italiaanse autoriteiten overgelegde stukken blijkt, dat:

-de veroordeelde op 9 november 1995 in Zürich (Zwitserland) werd aangehouden en op 25 juli 1996 werd uitgeleverd aan Italië;

- de veroordeelde door de Italiaanse autoriteiten op een gegeven moment onder huisarrest is geplaatst in de kliniek ‘La Betulle’ te Appiano Gentile, van waaruit hij op 11 maart 1999 is ontsnapt;

- de voorlopige hechtenis dus is aangevangen op 9 november 1995 en heeft geduurd tot 11 maart 1999, derhalve 3 jaar, 4 maanden en 3 dagen;

-de veroordeelde naar redelijkerwijs kan worden aangenomen vervroegd in vrijheid zou zijn gesteld in april 2004, indien hij niet zou zijn ontsnapt.

4.2

De straf die aan de veroordeelde zal worden opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de tenuitvoerlegging in Nederland toelaatbaar is, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, voor zover daarvan blijkt uit voornoemde Italiaanse rechterlijke beslissing en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De veroordeelde heeft samen met anderen zware wapens en een grote hoeveelheid munitie aanwezig gehad en binnen het grondgebied van Italië gebracht. Dit zijn bijzonder ernstige feiten.

Het is algemeen bekend dat de ‘handel’ in wapens uiterst lucratief is en de veroordeelde heeft zich kennelijk slechts laten leiden door eigen geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Voorts heeft de veroordeelde, door te handelen als voormeld, een ernstige inbreuk gemaakt op de internationale rechtsorde.

4.3

De Nederlandse exequaturrechter dient de straf op te leggen die hem in het licht van alle omstandigheden rechtvaardig en doelmatig voorkomt. Daarbij brengt een juiste toepassing van het Verdrag en de Nederlandse wet mee, dat bij de omzetting van de door een buitenlandse rechter opgelegde straf rekening wordt gehouden met de opvattingen omtrent de ernst van het delict die leven in het land waar het delict is gepleegd, onder meer tot uitdrukking komend in de hoogte van de strafbedreiging en de opgelegde straf enerzijds en met de Nederlandse opvattingen en maatstaven dienaangaande en andere voor de straftoemeting van belang zijnde omstandigheden anderzijds.

4.4

Uitgaande van de kwalificatie, zoals de rechtbank die heeft vastgesteld, is de maximumstraf die aan de veroordeelde zou kunnen worden opgelegd een gevangenisstraf van 64 maanden. Handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zowel als handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van die Wet wordt immers met maximaal vier jaren gevangenisstraf bedreigd. Die vier jaren kunnen gelet op de samenloopbepaling van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht met een derde worden verhoogd.

Bij het bepalen van de strafmaat is rekening gehouden met de inhoud van het omtrent de veroordeelde opgemaakte rapport van 14 juni 2011 van het NIFP. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat de veroordeelde -hoewel detentie een grote emotionele belasting voor hem zal betekenen- niet detentie-ongeschikt is te achten.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen, dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie ten name van de veroordeelde van 4 maart 2011 blijkt, dat hij niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en deze procedure. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, te weten -met name- zijn hoge leeftijd en zijn medische toestand.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de veroordeelde een zodanige straf opleggen dat hij -ervan uitgaande dat hij voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt- in Nederland niet opnieuw van zijn vrijheid zal worden beroofd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot oplegging van de naar Nederlands recht welhaast maximale gevangenisstraf van vijf jaren.

Het verzoek om de zaak niet thans af te doen, zoals door de raadsvrouw is verzocht, wordt ook in dit kader afgewezen, aangezien nadere informatie omtrent de detentie-omstandigheden van de veroordeelde in Italië, gelet op voorgaande strafmaatoverwegingen, niet zullen kunnen leiden op het opleggen van een (nog) lagere vrijheidsstraf.

De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen.

5. Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74), de artikelen 2, 3, 4, 6, 7, 28, 30 en 31 van de WOTS, artikel 68 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart toelaatbaar de tenuitvoerlegging in Nederland van de tegen de veroordeelde [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] te Rotterdam, in Italië gewezen rechterlijke beslissing van het Gerechtshof te Milaan van 27 april 1999;

- verleent verlof tot tenuitvoerlegging van voormelde Italiaanse rechterlijke beslissing en legt aan de veroordeelde voornoemd op een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vanaf het moment van aanhouding op 9 november 1995 in Zwitserland, Italië en hier te lande in hechtenis of gevangenschap heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- wijst af de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van de veroordeelde.

Deze beslissing is genomen door:

mr. Janssen, voorzitter,

mrs. Klein Wolterink en Boek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2012.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.