Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1059

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/5212
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesrechtelijke perikelen. De brief is wel een aanvraag. Een volgend besluit kan niet op grond van artikel 6:18 en 6:19 Awb in de procudure worden betrokken omdat dit besluit is genomen tussen de bezwaar- en beroepsfase in. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt om verweerder binnen de aanhangige beroepsprocedure in de gelegenheid te stellen alsnog op het bezwaar tegen dit besluit te beslissen omdat zij is gebonden aan artikel 8:69 van de Awb. Een andere brief kan niet worden beschouwd als een beslissing op bezwaar omdat er slechts een procedurele en niet een inhoudelijke heroverweging wordt gegeven en deze brief dus niet het resultaat van een heroverweging is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2012 in de zaak tussen

X, te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. S. Karkache,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: C. van Bochove.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 13 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De gemachtigde van eiser heeft, bij brief van 11 oktober 2011 (per faxbericht verzonden op 25 oktober 2011) namens eiser verzocht om een aanvraag voor bijstand aan eiser in behandeling te nemen. Daarbij heeft de gemachtigde een aantal ingevulde inlichtingenformulieren verstrekt.

2. Verweerder heeft de gemachtigde bij brief van 13 oktober 2011 bericht dat dit verzoek niet in behandeling kan worden genomen en heeft de formulieren retour gestuurd. In deze brief heeft verweerder meegedeeld dat als eiser een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) wil indienen, hij zich hiervoor kan melden bij het werkplein op de Dwarsdijk 4 te Rotterdam.

3. Tegen deze brief heeft de gemachtigde van eiser op 25 oktober 2011 bezwaar gemaakt. Volgens de gemachtigde is de brief van 11 oktober een complete WWB aanvraag en is er geen enkele te rechtvaardigen reden om deze aanvraag niet in behandeling te nemen. Eiser verzoekt daarbij om de vergoeding van de kosten van het bezwaar.

4. Bij het bestreden besluit (van 17 november 2011) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat de fax van 10 oktober 2011 (bedoeld is de brief van 11 oktober 2011, per faxbericht verzonden op 25 oktober 2011) niet kan worden beschouwd als het doen van een aanvraag en dat dit ook duidelijk kon zijn voor de gemachtigde. Er is geen aanvraag en er is dan ook geen bezwaar mogelijk, aldus verweerder.

5. Bij besluit van 10 november 2011 heeft verweerder aan eiser bericht dat alsnog is besloten om zijn aanvraag om een WWB-uitkering in behandeling te nemen. Een afschrift van dit besluit is op 19 januari 2012 naar eisers gemachtigde verzonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat eiser bij brief van 17 november 2011 was verzocht om nadere gegevens in te leveren. Bij besluit van 23 november 2011 heeft verweerder eiser bericht dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen vanwege het ontbreken van bewijsstukken en het niet verschijnen op een afspraak.

6. Eisers gemachtigde heeft op 29 november 2011 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

7. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het besluit van 23 november 2011 niet kan worden beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat dit besluit niet hangende bezwaar of beroep is genomen. Het is genomen tussen de bezwaar- en beroepsfase in. De bezwaarfase eindigde immers op 17 november 2011 en de beroepsfase ving aan op 29 november 2011. Het besluit van 23 november 2011 kan derhalve niet op grond van artikel 6:18 en artikel 6:19 van de Awb in het geding worden betrokken.

Op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder nog niet beslist. Omdat de rechtbank op grond van artikel 8:69 van de Awb gebonden is aan de grenzen van het geding, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt (met het oog op toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb) verweerder binnen de thans aanhangige beroepsprocedure in de gelegenheid te stellen alsnog op het bezwaar te beslissen.

Over het besluit van 10 november 2011 (dat hangende bezwaar is genomen) overweegt de rechtbank dat dit niet kan worden beschouwd als het nemen van een beslissing op bezwaar. Verweerder geeft in dit besluit slechts aan dat de aanvraag in behandeling zal worden genomen, zonder dat hij een inhoudelijke beslissing op de aanvraag neemt. Het besluit van 10 november 2011 kan dus niet als het resultaat van een heroverweging worden gezien, zodat geen aanleiding bestaat dit besluit te beschouwen als een besluit op bezwaar en op die grond in dit geding te betrekken (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juni 2008, LJN: BD5641).

8. Ter zitting is aan de orde geweest wat de verhouding is tussen het bestreden besluit en het besluit van 10 november 2011. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen hoe hij op basis van dezelfde brief tot de conclusie kan komen dat deze brief geen aanvraag is, later in de procedure (bij besluit van 10 november 2011) kan besluiten dat dit wel het geval is en vervolgens een week later bij het bestreden besluit weer kan concluderen dat de brief geen aanvraag behelst. Verweerders besluitvorming is inconsistent en daarom niet zorgvuldig. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

9. In het kader van finale geschilbeslechting onderzoekt de rechtbank of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe dat voor een aanvraag is vereist dat sprake is van een verzoek om een besluit te nemen. Later kan alsnog een schriftelijk stuk worden ingediend om de aanvraag te completeren. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in een uitspraak van de president van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 1997 (LJN: AN8221). Verweerder heeft derhalve ten onrechte in eerste instantie de brief van 11 oktober 2011 (per faxbericht verzonden op 25 oktober 2011) niet als aanvraag gekwalificeerd. De rechtbank is gebleken niet van een reden voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Het bovenstaande laat overigens onverlet dat een niet op de juiste wijze ingediende aanvraag kan worden afgehandeld op de wijze die in artikel 4:5 van de Awb is voorzien.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 41,-- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.