Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW1006

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/1373
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1803

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1373

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Samenwerkingsverband Occupy Rotterdam en [naam], verzoekers,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.H.B. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder Occupy Rotterdam (hierna: Occupy) in de persoon van [naam], medegedeeld dat het Occupy met ingang van

31 maart 2012 niet is toegestaan om op het Beursplein, nabij Beurs/WTC, de demonstratie voort te zetten ten tijde van het terrassen- en evenementenseizoen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Voorts hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit dan wel een voorziening waarbij wordt bepaald dat de demonstratie op de huidige locatie mag worden voortgezet, zij het onder beperkingen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, vergezeld van [namen]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam], werkzaam bij de directie Veiligheid van verweerders gemeente.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op zaterdag 15 oktober 2011 is Occupy begonnen met een demonstratie op het bordes van het WTC/Beursplein te Rotterdam. Op 27 oktober 2011 heeft de politie een positief advies afgegeven naar aanleiding van een kennisgeving Manifestatie van Occupy welke zag op een voorgenomen demonstratieve optocht op 29 oktober 2011 van 12.00 tot 14.30 uur, met als startpunt het WTC/Beursplein. Op 28 oktober 2011 heeft verweerder aan [naam] voor de optocht een bewijs van kennisgeving op grond van artikel 2.1.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 (hierna: APV) afgegeven.

Begin november 2011 heeft [naam] wederom kennis gegeven van een voorgenomen manifestatie/forumdiscussie op 5 november 2011 van 13.00 uur tot 19.30 uur. Op

3 november 2011 heeft de politie voor deze manifestatie een positief advies afgegeven, mits aan een aantal nader omschreven voorschriften wordt voldaan. Op 3 november 2011 is voor de manifestatie op 5 november 2011 aan [naam] een bewijs van kennisgeving afgegeven.

Op 21 november 2011 is vanuit het directiesecretariaat Beurs-WTC Rotterdam een e-mail aan verweerder verzonden waarin melding werd gemaakt van het bijplaatsen van een tent op het bordes van het WTC en waarbij verzocht is te bewerkstelligen dat in ieder geval de tweede tent verdwijnt.

Op 5 december 2011 heeft een medewerker van de GGD Rotterdam-Rijnmond per e-mail aan verweerder rapport uitgebracht over zijn waarnemingen tijdens zijn bezoek op

2 december 2011 aan het Occupy-kamp op het Beursplein. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de situatie vooralsnog onder controle lijkt en dat geen directe risicopunten zijn waargenomen. Op 13 december 2011 en 23 december 2011 is het kamp bezocht door medewerkers van de directie Veiligheid van verweerders gemeente. In de rapportage van deze bezoeken wordt vermeld dat ten aanzien van de brandveiligheidsvoorschriften geen ernstige gebreken worden geconstateerd.

Op 11 januari 2012 heeft een 1ste veiligheidsoverleg in verband met de Marathon Rotterdam plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is gewezen op de stand van Occupy bij het WTC. Door [naam], voorzitter van de vergadering, is medegedeeld dat door de organisatie van Occupy is toegezegd dat er niet wordt uitgebreid en dat er nog een gesprek volgt met Occupy om dit te bespreken.

Op 8 maart 2012 heeft verweerder Occupy aangeschreven op het adres [straatnaam], zijnde het adres van [naam], en medegedeeld dat het protest van Occupy uiterlijk op 31 maart 2012 van de huidige locatie op het bordes van het WTC moet verdwijnen. Hierbij heeft verweerder medegedeeld dat eventueel aan te dragen alternatieven weer zorgvuldig zullen moeten worden afgewogen en beoordeeld, maar dat het oprichten van een tentenkamp in de nachtelijke uren niet bespreekbaar is. Op 20 maart 2012 heeft verweerder gesproken met [naam] en [naam] over verplaatsing van de demonstratie en de tenten naar het Eendrachtsplein. Op 22 maart 2012 is door verweerder per e-mail (o.a.) bericht dat bij een verplaatsing de tent(en) in de nacht mag blijven staan, met dien verstande dat er niet in geslapen wordt.

Op 23 maart 2012 heeft Occupy verweerder ervan in kennis gesteld de demonstratie ook na 31 maart 2012 voort te willen zetten op het Beursplein. Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Het bestreden besluit

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd:

“Gelet op de demonstratie van Occupy neem ik in overweging dat in vergelijking met de afgelopen periode sprake is van een gewijzigde omstandigheid. Zo staat het terrassen- en evenementenseizoen voor de deur en ben ik genoodzaakt een andere belangenafweging te maken. Naar verwachting staat de zomerperiode, net als voorgaande jaren, geheel in het teken van een levendige stad, waarbij groot- en kleinschalige evenementen een prominente rol krijgen. Een demonstratie met een permanent karakter, zoals Occupy, vormt daarbij een obstakel tijdens het terrassen- en evenementenseizoen. De politie heeft geadviseerd de demonstratie op grond van crowd management en crowd control en vanwege de vrees voor wanordelijkheden op een andere, minder hinderlijke, locatie voort te zetten.

Gelet op het advies van de politie, ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van de veiligheid van winkelend publiek en bezoekers van evenementen, ben ik van oordeel dat een demonstratie met een permanent karakter niet kan worden voortgezet op het Beursplein. Daarbij neem ik mede in overweging dat het recht op demonstratie niet zo ver strekt dat een gedeelte van de openbare ruimte in de stad permanent door de Occupy demonstratie kan worden bezet. Ik word daarin gesteund door de uitspraak van de voorzieningenrechter van Amsterdam op 22 maart 2012 (AWB12/1351). Hoewel verplaatsing van de Occupy-demonstratie van het Beursplein een beperking in algemene zin inhoudt, ben ik van oordeel dat evenwel geen sprake is van een algemene beperking van het grondrecht. Om demonstreren in een ander deel van de stad wel mogelijk te maken heb ik u per brief van 8 maart jl. laten weten dat u per 31 maart 2012 niet meer kunt demonstreren op het Beursplein. Naar mijn oordeel bent u voldoende in de gelegenheid gesteld om een alternatieve locatie te vinden. Voor het vinden van deze locatie bent u tevens bijgestaan door medewerkers van de directie Veiligheid. Het stellen van deze beperking, mede gelet op de geboden tijd, de inspanningen mijnerzijds en het aanbieden van alternatieve locaties, is naar mijn oordeel derhalve proportioneel, evenredig en redelijk.

Tot op heden hebben de vooraankondiging en de diverse gesprekken niet geleid tot een verplaatsing van de demonstratie en ben ik genoodzaakt om gebruik te maken van mijn bevoegdheid, om op grond van artikel 2 juncto artikel 5 van de WOM, een beperking te stellen aan de permanente demonstratie van Occupy Rotterdam op het Beursplein.”

Standpunt van partijen

3. Verzoekers stellen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd. Verzoekers voeren verder aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In dat verband wijzen zij er op dat het bestreden besluit, anders dan verweerder meent, een absoluut verbod inhoudt om gebruik te maken van hun grondrecht om te demonstreren. Het aanbieden van een mogelijke alternatieve locatie met verder gaande beperkingen kan naar hun mening niet worden gezien als een beperking van het huidige recht. Verzoekers wijzen er voorts op dat verweerder eerst na het bestreden besluit een schriftelijk advies van de politie heeft overgelegd. De in dat advies vermelde incidenten kunnen naar de mening van verzoekers een absoluut verbod om op het Beursplein te demonstreren niet rechtvaardigen. In dat verband wijzen verzoekers er op dat sinds

15 oktober 2011 steeds met alle relevante betrokken organisaties en personen overleg is gevoerd en afspraken zijn gemaakt ten einde hinder en overlast te voorkomen dan wel te beperken. De gestelde vrees van verstoring van de openbare orde en/of ontoelaatbare overlast heeft verweerder dan ook onvoldoende geconcretiseerd.

4. Verweerder heeft bij faxbericht van 2 april 2012 nader toegelicht dat de brief van 8 maart 2012 moet worden aangemerkt als een vooraankondiging van handhavend optreden. Verweerder heeft er verder op gewezen dat het besluit niet is verzonden naar de persoon die bij aanvang van de demonstratie de kennisgeving heeft gedaan, maar aan [naam] die namens Occupy met zijn medewerkers overleg heeft gehad over de demonstratie. Verweerder heeft een memo van de politie van 29 maart 2012 ingebracht, waarin met het oog op de veiligheid van de demonstranten en de veiligheid van het publiek wordt geadviseerd om bij een viertal evenementen (marathon Rotterdam, Roparun, zomercarnaval en Bavaria City Racing) in het kader van crowd control de demonstratie op de huidige locatie van Occupy te beëindigen. Ter zitting heef verweerder verder toegelicht dat het terrassen- en evenementenseizoen loopt tot 1 oktober 2012. Voorts is het standpunt ingenomen dat er sprake is van een beperking naar aanleiding van de kennisgeving van 3 november 2011 nu de manifestatie wat hem betreft op een andere locatie kan worden voorgezet. Volgens verweerder is de beperking ingegeven door de wens wanordelijkheden te voorkomen en ter bescherming van de veiligheid van winkelend publiek en bezoekers van in de binnenstad van Rotterdam te houden evenementen.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Grondwet kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Op grond van artikel 2 van de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom) kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wom kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wom kan een verbod slechts worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Op grond van artikel 7 van de Wom kan de burgemeester aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betogen houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:

a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;

b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Op grond van artikel 2.1.4, eerste lid, van de APV is degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, verplicht 48 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Op grond van artikel 2.1.5 van de APV kan in afwijking van artikel 2.1.4 van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, voordat deze voor de eerste keer wordt gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven.

Op grond van artikel 2.1.6, eerste lid, van de APV bevat de kennisgeving:

a. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt;

b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst,

c. de datum waarop de betoging of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip een aanvang en van beëindiging;

d. de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, en, voor zover van toepassing de route en de plaats van beëindiging;

e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling,

f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

Op grond van artikel 2.1.6, tweede lid, van de APV ontvangt degene die kennisgeving doet een bewijs waarin het tijdstip van kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden in het bewijs vermeld.

Beoordeling

6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

7. Ten aanzien van de vraag of Occupy kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb overweegt de voorzieningenrechter dat zij zich vooralsnog

- zij het dat hier uiteraard sprake is van Occupy Rotterdam - aansluit bij de overwegingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage in de uitspraak van 29 januari 2012, LJN: BV2957, in de zaak van Occupy Den Haag.

Ten aanzien van verzoeker [naam] is gesteld dat deze deel uitmaakt van “de beweging Occupy Rotterdam” en vanuit dien hoofde belanghebbende is bij het thans bestreden besluit. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat [naam] namens Occupy in ieder geval één van de overleggen met de gemeente heeft bijgewoond, waaruit zijn betrokkenheid bij de beweging moet worden afgeleid. De voorzieningenrechter zal verzoeker [naam] in het kader van deze voorzieningenprocedure aanmerken als belanghebbende doch verweerder zal in bezwaar de vraag naar het belanghebbendenbegrip nogmaals dienen te bezien, nu uit de stukken die zich thans in het dossier bevinden niet duidelijk op te maken valt welke structuur Occupy precies bezit en wie op welk moment geacht kan worden daarvan deel uit te maken.

8. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat noch door verweerder noch door verzoekers enig bewijs is overgelegd waaruit blijkt van een kennisgeving van de permanente demonstratie vanaf 15 oktober 2011 met de activiteiten zoals indertijd gewenst en die tussentijds klaarblijkelijk wijzigingen heeft ondergaan. Ook ontbreekt een besluit waarin verweerder hiermee heeft ingestemd al dan niet onder het opleggen van voorschriften, beperkingen of verboden. Het dossier zoals thans voorhanden lijkt er eerder op te wijzen dat het permanente protest van Occupy op het Beursplein door verweerder is gedoogd en dat er mondeling en deels schriftelijk (e-mail) afspraken zijn gemaakt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de artikelen 2 en 5 van de Wom aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

Gelet op het voorgaande sluit de voorzieningenrechter niet uit dat deze grond in bezwaar geen stand kan houden, nu mogelijk strikt genomen nooit een kennisgeving van de onderhavige demonstratie is gedaan. De voorzieningenrechter, zal hieraan evenwel bij de beoordeling van het thans voorliggende besluit geen gevolgen verbinden, nu - indien het in bezwaar ervoor zou moeten worden gehouden dat geen voorafgaande kennisgeving van betoging voorhanden is en evenmin een van de wel verstrekte kennisgevingen in de periode na 15 oktober 2011 daartoe zou kunnen dienen - artikel 7 van de Wom eenzelfde bevoegdheid aan verweerder geeft als thans is toegepast, welke bevoegdheid eveneens moet worden getoetst aan de belangen als bedoeld in artikel 2 van de Wom.

De voorzieningenrechter begrijpt het bestreden besluit aldus dat verweerder zich bij zijn besluit heeft gebaseerd op de in artikel 2 van de Wom genoemde gronden van de bescherming van de gezondheid en de voorkoming van wanordelijkheden.

Daartoe is in het bestreden besluit gesteld dat de politie heeft geadviseerd de demonstratie op grond van crowd management en crowd control en vanwege de vrees voor wanordelijkheden op een andere, minder hinderlijke, locatie voort te zetten. Gelet op het advies van de politie, ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van de veiligheid van winkelend publiek en bezoekers van evenementen, is verweerder van oordeel dat een demonstratie met een permanent karakter niet kan worden voortgezet op het Beursplein. Daarbij heeft de burgemeester mede in overweging genomen dat het recht op demonstratie niet zo ver strekt dat een gedeelte van de openbare ruimte in de stad permanent door de Occupy demonstratie kan worden bezet.

Ten aanzien van dit laatste punt overweegt de voorzieningenrechter dat het tijdsverloop van een manifestatie niet bepalend is voor de vraag of een verbod kan worden opgelegd om de manifestatie voort te zetten. Een dergelijk verbod is immers alleen mogelijk in de door de wet gegeven gevallen, zoals hiervoor omschreven.

De voorzieningenrechter is, anders dan verzoekers, van oordeel dat het schriftelijk advies van de politie van 29 maart 2012, welk advies volgens verweerder eerder mondeling was besproken in de driehoek en mede ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, betrokken dient te worden bij de beoordeling van de vraag of het thans voorliggende besluit naar verwachting in bezwaar stand zal houden. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de conclusies uit het schriftelijk advies zijn verwerkt in de overwegingen van het bestreden besluit en dat het schriftelijk advies thans door verweerder is ingebracht teneinde te dienen als nadere onderbouwing van het bestreden besluit, hetgeen - gelet op het karakter van een bezwaarprocedure waarin voorzien is in een volledige heroverweging van het bestreden besluit - verweerder niet kan worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter betrekt dit advies dan ook bij haar beoordeling.

In het schriftelijk advies van de politie van 29 maart 2012 worden de bevindingen weergegeven rondom de demonstratie van Occupy sinds 15 oktober 2011 alsmede wordt een overzicht gegeven van incidenten die rondom de demonstratie door de politie zijn vastgelegd. Het advies luidt om de demonstratie in het kader van crowd control op de huidige locatie van Occupy te beëindigen met het oog op de veiligheid van de demonstranten en de veiligheid van het publiek bij een viertal genoemde evenementen.

De evenementen, die in het rapport worden genoemd, betreffen de marathon van Rotterdam op 15 april 2012, de finish van de Roparun op 28 mei 2012, het zomercarnaval op 27 en 28 juli 2012 alsmede de Bavaria City Racing op 26 augustus 2012.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het rapport van de politie voldoende grondslag biedt voor het standpunt van verweerder dat omvang en locatie van de (huidige) manifestatie van Occupy ongewenst is met het oog op de bewaking van de openbare orde en veiligheid van personen, waaronder de demonstraten zelf, gedurende alsmede korte tijd voor en na de genoemde evenementen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van de openbare orde en veiligheid, in artikel 2 van de Wom vertaald in de bescherming van de gezondheid en het voorkomen van wanordelijkheden, op dit punt heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers om hun manifestatie ook ten tijde van de evenementen ter plaatse te kunnen voortzetten.

Ter zitting is desgevraagd namens verweerder aangegeven dat de specifieke evenementen zwaarwegend zijn geweest bij de beoordeling van de onderhavige kwestie.

De overwegingen die in het politierapport ten aanzien van andere omstandigheden dan de genoemde evenementen zijn gesteld, zijnde de komst van het terrassenseizoen en de verwachting dat zich door toename van het uitgaanspubliek vaker incidenten zullen gaan voordoen rondom Occoupy, acht de voorzieningenrechter niet draagkrachtig genoeg om het door verweerder gegeven volledig verbod op demonstratie op het Beursplein gedurende de periode van 31 maart 2012 tot 1 oktober 2012 te kunnen rechtvaardigen.

De onderbouwing van dit onderdeel van het bestreden besluit is onvoldoende overtuigend en wordt onvoldoende ondersteund door objectieve gegevens. Niet is gebleken van (ernstige) incidenten die een dergelijk vergaand besluit thans kunnen rechtvaardigen.

Onduidelijk is of verweerder in staat zal zijn om bij de te nemen beslissing op bezwaar dit onderdeel van haar besluit genoegzaam te onderbouwen.

9. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet volledig in stand zal kunnen blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het bestreden besluit gedeeltelijk te schorsen en te bepalen dat de demonstratie mag worden voortgezet op dezelfde wijze en locatie als ten tijde van het bestreden besluit tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar,

zij het dat de demonstratie niet is toegestaan in de periode van 10 april tot en met 17 april 2012 in verband met de marathon van Rotterdam, in de periode van 23 mei tot en met

30 mei 2012 in verband met de Roparun, in de periode van 22 juli tot en met 30 juli in verband met het zomercarnaval en in de periode van 21 augustus tot en met 28 augustus 2012 in verband met Bavaria City Racing.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,--.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, voor zover gericht tegen het verbod op de demonstratie op het Beursplein in de periode van 10 april tot en met 17 april 2012, in de periode van 23 mei tot en met 30 mei 2012, in de periode van 22 juli tot en met 30 juli 2012 en in de periode van 21 augustus tot en met 28 augustus 2012, af,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit, voorzover dit in zich heeft dat verzoekers de demonstratie met het Occupy-kamp na de genoemde evenementen niet mogen voortzetten op het Beursplein danwel dat de demonstratie geheel beëindigd dient te worden, wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar,

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 310,--vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.