Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0945

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/1826 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DNB heeft de aanvraag van eiser om uitkering uit hoofde van het depositogarantiestelsel afgewezen. Zij heeft het maximumbedrag van € 100.000 toegewezen aan (de beheervennootschap van eiser en) zijn vrouw. Eiser meent dat hij en zijn vrouw personen zijn als bedoeld in artikel 19, onder c, Bbpm. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de deposito-overeenkomsten met DSB niet dat de beheervennootschap krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s bij DSB aanhield. Dat eiser en zijn vrouw in de deposito-overeenkomst worden vermeld als uiteindelijk belanghebbende maakt dit niet anders. DNB heeft voorts onbestreden gesteld dat de Akte tot inbreng ten titel van storting op aandelen en de jaarrekening van de beheervennootschap zich niet in de administratie van DSB bevonden, terwijl gesteld noch gebleken is dat die stukken destijds wel zijn overgelegd aan DSB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1826 BC-T2

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2012 in de zaak tussen

[A], te [B], eiser,

gemachtigde: mr. R.H.J.M. Silvertand,

en

De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. S.M.C. Nuyten.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2010 strekkende tot afwijzing van zijn aanvraag om toekenning van een uitkering uit hoofde van het depositogarantiestelsel voor depositohouders van DSB Bank N.V. (DSB) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen eiser in persoon en

mr. K.L. Helmink-Onderwater en mr. A. Veuskens, beiden werkzaam bij DNB.

Overwegingen

1. Artikel 19 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (hierna: Bbpm) luidt:

“Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het depositogarantiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen categorieën van personen voor voldoening overeenkomstig deze paragraaf in aanmerking:

a. personen die deposito’s op eigen naam en voor eigen rekening bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in onderdeel a of b krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhoudt.”

Artikel 20 van het Bbpm luidt:

“1. Voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel komen in aanmerking vorderingen uit deposito’s, (…), die de betalingsonmachtige bank aan de personen, bedoeld in artikel 19, verschuldigd is of die hen toebehoren en die de betalingsonmachtige bank voor hen overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden houdt. (…)

2. Vorderingen van een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel c, komen slechts voor voldoening in aanmerking indien de identiteit van de derde is of kan worden vastgesteld voordat de Nederlandsche Bank heeft geconstateerd dat de bank betalingsonmachtig is als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.”

Artikel 25, eerste lid, van het Bbpm luidt:

“De Nederlandsche Bank stelt het bestaan en de waarde van de ingediende vorderingen vast aan de hand van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de boekhouding van de betalingsonmachtige financiële onderneming en eventuele andere relevante documenten.”

De toelichting bij artikel 25 van het Bbpm bevat onder meer het volgende:

“Artikel 25 regelt hoe en aan de hand van welke documenten DNB het bestaan en de waarde van een ingediende vordering toetst. Dit gebeurt niet uitsluitend aan de hand van de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden en de boekhouding, maar tevens aan de hand van eventuele andere relevante documenten. In praktijk bleek hieraan behoefte te bestaan omdat er soms «andere stukken» zijn waaruit het bestaan van de vordering kan blijken die strikt genomen niet onder de genoemde stukken vallen en naar de letter van de wet dus niet in aanmerking zouden kunnen komen.”

Artikel 26 van het Bbpm luidt:

“(…)

4. Voor voldoening komen in aanmerking (…) vorderingen tot maximaal € 100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige financiële onderneming.

5. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, of 19, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen met inachtneming van hetgeen in het tweede lid is bepaald.

(…)”

2. Nadat op 12 oktober 2009 op DSB de noodregeling van toepassing werd verklaard en DSB op 19 oktober 2009 failliet werd verklaard, heeft DNB op 19 oktober 2009 het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 3:260 van de Wet financieel toezicht voor DSB in werking gesteld.

3. Eiser en zijn echtgenote [C] hebben een aanvraag bij DNB ingediend voor een vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel. Daarbij is aangegeven dat zij op 3 maart 2009 twee spaardeposito hebben geopend ten name van [D Beheer] B.V. ([D Beheer]), dat beide echtelieden begunstigden zijn van deposito’s, dat op ieder van deze rekeningen € 100.000,00 is gestort, dat zij beide deposito’s op 12 juli 2009 telefonisch en per faxbericht hebben laten beëindigen, dat DSB het bedrag vervolgens op één tussenrekening heeft gezet, zonder tot uitvoering over te gaan. DNB heeft vervolgens bij besluit van 27 januari 2010 een bedrag van € 100.000,00 toegekend aan [C]. Eerst nadat eiser diverse keren bezwaar maakte tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag heeft DNB op 4 oktober 2010 afwijzend beslist. DNB heeft daartoe overwogen dat de deposito’s met de nummers 100.40.00.00.828 en 100.40.00.00.830 – bij DSB tevens geadministreerd onder rekeningnummer 33.87.16.556 – op naam stonden van [D Beheer]. Die rekeninghouder is door DNB aangemerkt als de rechtspersoon op wiens naam en voor wiens rekening het deposito bij DSB werd aangehouden. DNB stelt verder dat met het besluit van 27 januari 2010 is beoogd om uitkering toe te kennen aan [D Beheer], welk besluit is geadresseerd aan [C] als haar vertegenwoordiger (doch niet als rechthebbende). Daarbij is het totale saldo van € 202.919,08 van de ten name van [D Beheer] aangehouden deposito’s betrokken.

4. Eiser betoogt dat uit de Akte tot inbreng ten titel van storting op aandelen (de Akte) volgt dat [C] en eiser directeur-groot aandelhouders zijn van [D Beheer], dat [D Beheer] een rechtens afdwingbare verplichting heeft tot het voorzien in het levensonderhoud van [C] en eiser, welke verband houdt met de in [D Beheer] gestorte stakingswinst. Met het oog op het beter laten renderen van de oudedagreserve (lijfrente) zijn vervolgens twee deposito’s van elke € 100.000,00 bij DSB geopend. Omdat eiser een belang in [D Beheer] heeft van 35 % meent eiser aanspraak te maken op een uitkering van € 70.000,00.

4.1 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de deposito-overeenkomsten met DSB niet dat [D Beheer] krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s bij DSB aanhield. Dat [C] en eiser in de deposito-overeenkomst worden vermeld als uiteindelijk belanghebbende maakt dit niet anders. DNB heeft terecht betoogd dat deze vermelding voortvloeit uit de verplichte wettelijke registratieplicht die uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme op DSB rustte (vergelijk rechtbank Rotterdam 22 december 2011, LJN BV1145).

4.2 In navolging van haar uitspraken van 8 september 2011 (LJN BT2021), 29 september 2011 (LJN BT8519) en 22 december 2011 overweegt de rechtbank verder dat artikel 20, tweede lid, van het Bbpm in samenhang met artikel 25, eerste lid, van het Bbpm dient te worden bezien ter beantwoording van de vraag of (tijdig) de identiteit van de derde is of kon worden vastgesteld. Gelet op deze bepalingen is van belang of de betalingsonmachtige bank, vóórdat zij betalingsonmachtig werd, beschikte over stukken waaruit het bestaan van de vorderingen van een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel c, van het Bbpm kon worden vastgesteld. Onder dit beschikken wordt tevens begrepen de omstandigheid dat de nodige documentatie weliswaar tijdig aan de betalingsonmachtige bank is verstrekt, maar de stukken bij die bank in het ongerede zijn geraakt. Daarbij zal wel de bewijslast rusten op degene die aanspraak meent te kunnen maken op een uitkering op grond van het Bbpm. DNB heeft onbestreden gesteld dat de Akte en de jaarrekening van [D Beheer] zich niet in de administratie van DSB bevonden, terwijl gesteld noch gebleken is dat [D Beheer], [C] of eiser de desbetreffende stukken destijds wel heeft overgelegd aan DSB. Aan de hiervoor geformuleerde maatstaf is daarom niet voldaan.

5. Voor zover eiser zich beroept op onjuiste of onvolledige voorlichting van de zijde van DSB bij het openen van de en/of-rekening heeft te gelden dat het depositogarantiestelsel hiervoor geen dekking biedt. Vorderingen uit onrechtmatige daad vallen namelijk volgens vaste rechtspraak – waaronder de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2011 (LJN BP7940) en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 maart 2006 (LJN AV5875) – niet onder het toepassingbereik van de vangnetregelingen.

6. Gelet op het voorgaande heeft DNB [D Beheer] terecht als persoon als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder c, van het Bbpm aangemerkt en haar een bedrag van

€ 100.000,00 uitgekeerd. Dat het besluit van 27 januari 2010 is geadresseerd aan [C], zonder daarbij uitdrukkelijk te vermelden dat zij is aangeschreven als vertegenwoordiger van [D Beheer], kan hier niet aan afdoen. Zelfs indien DNB met het onherroepelijke besluit van 27 januari 2010 abusievelijk zou hebben beoogd deze vergoeding toe te kennen aan [C], dan volgt daar nog niet uit dat daarmee in rechte is komen vast te staan dat ook eiser als rechthebbende moet worden aangemerkt in de zin van artikel 19, onderdeel c, van het Bbpm of dat eiser daaraan rechtens te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat dit het geval was.

7. Het bestreden besluit kan derhalve stand houden en het beroep van eiser is ongegrond.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.