Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0865

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
370572 / HA ZA 11-147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijze waarop de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf in de gelegenheid moet stellen gebruik te maken van de erfdienstbaarheid. Compensatie van (gedeelte van de) proceskosten in verband met gang van zaken na tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 370572 / HA ZA 11-147

Vonnis van 14 maart 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Hoek van Holland,

eiser,

advocaat mr. N.T. Vogelaar,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Hoek van Holland,

2. [gedaagde 2],

wonende te Hoek van Holland,

gedaagden,

advocaat mr. M.J. Goedhart.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2011

- de akte van [eiser]

- de antwoordakte van [gedaagden]

- de antwoordakte van [eiser].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Bij voormeld tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld te reageren op een door [gedaagden] overgelegd voorstel van [eiser], waaruit, aldus [gedaagden], zou blijken dat volstaan kan worden met het verwijderen van een schuine punt van de garage zonder verwijdering of verplaatsing van de garagedeur.

In zijn akte betoogt [eiser] dat de thans door hem gevorderde maatregel niet veel verder voert dan eerder voor hem acceptabel was. Volgens [eiser] is een verplaatsing van de deur van de garage noodzakelijk teneinde een behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheid te kunnen realiseren. Daarbij stelt [eiser] dat hieraan niet kan afdoen dat hij in het kader van overleg met [gedaagden] een minder verstrekkend voorstel heeft gedaan.

Krachtens artikel 5:74 BW moet de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze geschieden. Zoals in het tussenvonnis van 10 augustus 2011 reeds is overwogen gaat het er dus om wat nodig is voor een behoorlijke uitoefening van het recht van [eiser] om met de auto over de oprit te gaan en zijn perceel te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de door hem in het kader van minnelijk overleg voorgestelde regeling onvoldoende is om [eiser] in staat te stellen de erfdienstbaarheid uit te oefenen. [eiser] heeft gesteld dat:

"na verwijdering van alleen een punt van de garage er nog steeds sprake [zal] zijn van een belemmering van het uitoefenen van de erfdienstbaarheid [omdat] de auto in dat scenario niet op afdoende wijze het perceel [kan] bereiken".

[eiser] heeft deze stelling op geen enkele wijze nader onderbouwd. Dat had wel van hem mogen worden verwacht, gelet op het gegeven dat, zoals tussen partijen niet ter discussie staat, het verwijderen van alleen een punt van de garage in een eerder stadium voor [eiser] wel een afdoende maatregel was. Van [eiser] had, gelet op het feit dat het moet gaan om de voor [gedaagden] minst bezwarende maatregelen, mogen worden verwacht dat hij uiteen had gezet waarom het verwijderen van een punt van de garage eerst wel, maar nu niet meer een afdoende maatregel is.

[gedaagden] zullen dan ook worden veroordeeld de schuine punt van de garage te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander conform de tekening die is gevoegd bij het voorstel dat is overgelegd bij de antwoordakte d.d. 26 oktober 2011 zijdens [gedaagden] De gevorderde dwangsom is toewijsbaar. [gedaagden] hebben geen bezwaren geuit tegen de gevorderde periode van één maand na betekening van het vonnis, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te beperken en daaraan een maximum te verbinden als in het dictum vermeld.

[eiser] vordert voorts dat de rechtbank aan deze veroordeling de voorwaarde verbindt dat - samengevat - de garage bestuursrechtelijk gezien gehandhaafd mag blijven. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering afwijzen. Voor zover in een bestuursrechtelijk traject zou komen vast te staan dat de garage niet mag blijven staan, is het aan het bestuursorgaan tot handhaving over te gaan.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ten aanzien van de proceskosten is [eiser] in het tussenvonnis van 30 november 2011 in de gelegenheid gesteld te reageren op het betoog van [gedaagden] dat [eiser] moet worden veroordeeld in de proceskosten na het eerste tussenvonnis, nu doorprocederen niet noodzakelijk was.

Uit hetgeen partijen hebben gesteld over de gang van zaken na het eerste tussenvonnis volgt dat doorprocederen in die zin niet noodzakelijk was, dat [gedaagden] uiteindelijk akkoord zijn gegaan met eerdergenoemd voorstel van [eiser]. Uit de stellingen van partijen kan echter niet, althans niet zonder meer, worden afgeleid dat dit is veroorzaakt door (alleen) [eiser]. De rechtbank ziet hierin aanleiding de proceskosten die zijn gemaakt na het eerste tussenvonnis van 10 augustus 2011 te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kosten aan de zijde van [eiser] worden aldus begroot op:

- dagvaarding € 99,14

- griffierecht 258,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.261,14

De beslissing

De rechtbank

gebiedt [gedaagden] binnen één maand na betekening van dit vonnis de schuine punt van de garage te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander conform de tekening die is gevoegd bij het voorstel dat is overgelegd bij de antwoordakte d.d. 26 oktober 2011 zijdens [gedaagden], op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per (gedeelte van een) dag dat [gedaagden] niet aan voormelde veroordeling voldoen, met een maximum van € 20.000,--,

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op

€ 1.261,14,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.

2148/1729