Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0327

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
10/730383-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer gehonoreerd en ontslag van alle rechtsvervolging cfm eis OM en pleidooi verdediging.

Bij een woningoverval is de verdachte vastgebonden, mishandeld en in zijn been gestoken met een mes. Ook werd de verdachte gezegd dat hij zou worden doodgemaakt en werd er een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, op hem gericht. De neef van verdachte is door de inbrekers op grove wijze mishandeld, bedreigd en eveneens verschillende malen gestoken met een mes. Direct voorafgaand aan het moment dat de verdachte de schoten loste, hield één van de inbrekers op enige afstand een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, op hem gericht. Bovendien hoorde de verdachte zijn neef vlak voor het schieten nog om hulp roepen. Op dat moment kon van de verdachte niet worden verwacht dat hij op een minder ingrijpende manier zou reageren. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte met zijn keuze om te schieten in de richting van de inbrekers, de grenzen van de noodzakelijke verdediging, zowel van zichzelf als van zijn neef, niet overschreden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/730383-10

Datum uitspraak: 22 maart 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats (land)],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres en woonplaats],

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Baars heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 impliciet primair (moord) ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Noch de officier van justitie, noch de raadsman hebben zich op dit punt expliciet uitgelaten.

Overwogen wordt dat uit het gestelde onder het hiernavolgende kopje ‘Beoordeling aannemelijkheid geschetste noodweer-scenario’ blijkt dat bij de verdachte de besluitvorming en de uitvoering van de gedachte om ter verdediging tegen de overvallers een vuurwapen te gebruiken in een korte tijdspanne plaatsvond terwijl de verdachte in hevige angst verkeerde. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

BEWEZENVERKLARING

Op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen, één of meer kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Rotterdam alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), X (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model Limited, kaliber 9 mm,

en/of

X munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van Categorie III te weten twee (2) kogelpatronen, kaliber 9 mm,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN EN VERDACHTE

De bewezen feiten leveren op:

1. impliciet subsidiair

doodslag;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde beroepen op noodweer. De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dient te slagen.

Feitencomplex

Voor de beoordeling hiervan, gaat de rechtbank uit van het volgende feitencomplex.

Op donderdag 30 december 2010 zijn omstreeks 06:40 uur bij de politie Rotterdam Rijmond meldingen binnengekomen dat er in het wooncomplex aan de [straatnaam], een flinke ruzie en knallen waren gehoord. Door ter plaatse gekomen verbalisanten werd in het trappenhuis op de derde etage voor het pand [straatnaam en huisnummer] een liggende man aangetroffen. Na pogingen tot reanimatie werd geconstateerd dat de man (waarvan later werd vastgesteld dat het slachtoffer [naam] betrof) was overleden. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat een kogel door het lichaam van het slachtoffer is gegaan met een schotkanaal van rechts naar links dwars door de borstkas waarbij onder andere de linkerlong is geperforeerd. Als gevolg hiervan is er massaal bloedverlies in de linkerborstholte opgetreden en is de linkerlong samengevallen. Het slachtoffer is hierdoor komen te overlijden.

Door ter plaatse gekomen andere verbalisanten werd geconstateerd dat aan de andere zijde van de galerij van het pand aan de [straatnaam en huisnummer] een raam was geforceerd.

Op dit adres verbleven die avond de verdachte en zijn neef [naam]. Bij aankomst van de politie waren zij daar echter reeds vertrokken richting de eerste hulp post van het Erasmus MC, alwaar zij zich beiden voor behandeling hebben gemeld om 07:05 uur.

De politie constateerde dat het raam van de woning open stond. In het raamkozijn was een rode op bloed gelijkende substantie aanwezig. Er was te zien dat op de muur naast een bed bloedsporen zaten en er lagen stukken duct-tape. Het pand werd betreden, waarna in een kamer twee kluizen, waarvan één open, werden aangetroffen. In deze kamer werd voorts op de grond een vlindermes aangetroffen. In deze kamer lagen een tafel en meubelstukken ondersteboven. Op diverse plaatsen lagen bloedsporen op de grond, voor de kluizen bevond zich een concentratie van bloed.

In de hal van de woning lag in het lager gedeelte van de gang richting de voordeur afgevuurde munitie op de grond. Op de grond en de muur waren bloedsporen aanwezig.

In het hoger gelegen deel van de hal lagen vier afgevuurde patroonhulzen.

In de woonkamer van het pand lag een matras. Rondom de matras lagen diverse bloedsporen en stukken duct-tape op de grond, ook is daar een heft van een schilmesje aangetroffen.

Op de keukenvloer is een afgebroken lemmet van een schilmesje gevonden.

Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat het bloed dat op veel plaatsen in de woning is aangetroffen, bloed van [neef] is. Op het lemmet van het vlindermes dat in de kluiskamer is aangetroffen, is ook bloed aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [neef]. Daarnaast is op het in de woning aangetroffen schilmesje bloed op het lemmet gevonden dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Tevens blijkt dat nagenoeg alle losse stukken grijze duct-tape de kenmerken vertonen van tape dat gebruikt is om personen te binden. Op vier van de zes aangetroffen stukken is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte of van [neef]. In de slaapkamer is voorts een breekijzer aangetroffen waarop bloed is aangetroffen, waarvan het DNA matcht met dat van [neef]. Ook is bloed van [neef] aangetroffen onder de schoenzool van het slachtoffer [naam].

Uit het forensisch onderzoek is tevens gebleken dat de op de galerij in de buurt van het slachtoffer gevonden afgevuurde kogel afkomstig is uit het pistool waarmee de verdachte in de woning heeft geschoten.

Op zaterdag 1 januari 2011 meldden de verdachte en zijn neef [naam] zich bij het politiebureau om aangifte te doen van een gewelddadige woningoverval. De verdachte heeft toen ook verklaard dat hij een aantal malen met een pistool op de overvallers had geschoten en dat die toen de woning waren uitgevlucht. Op het nieuws had hij pas later gehoord dat er iemand om het leven was gekomen.

Uit medische informatie is gebleken dat bij [neef] op 30 december 2010 in het Erasmus MC een hersenschudding is geconstateerd. Tevens was er een kneuzing van de neus en waren er meerdere wonden in het gelaat: links op het voorhoofd een wond van ongeveer 3 cm tot op het schedelbot, bij de rechterslaap een wond van 2 cm, een wond achter/boven het rechteroor van 4 cm, met kraakbeen zichtbaar, achter/boven het linkeroor een wond van 2 cm tot in de onderhuid en een wond van 1 cm voor het oor. Daarnaast een forse zwelling rondom het rechteroog en bij het rechter jukbeen, en een bloeduitstorting onder het linkeroog. Op röntgenonderzoek bleek tevens een breuk van de wand van de rechter oogkas. Verder had [neef] klachten van dubbelzien als gevolg van het klemzitten van 1 van de oogspieren in de breuk. De wonden werden gehecht (totaal 23 hechtingen) en gelijmd.

Beoordeling aannemelijkheid geschetste noodweer-scenario

Uit het onderzoek op de terechtzitting volgt dat een aantal personen, waaronder het slachtoffer, de woning aan de [straatnaam en huisnummer] hebben overvallen op zoek naar drugs en/of geld. Ook is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten.

De verklaringen van de verdachte en zijn neef [naam] enerzijds en de overvallers anderzijds verschillen evenwel aanmerkelijk over dat wat er aan de fatale schietpartij vooraf is gegaan.

Voor de beoordeling van de aannemelijkheid van het door de verdediging geschetste noodweerscenario is daarom van belang om naar beide scenario’s te kijken.

Twee van de overvallers, [namen], hebben verklaard dat zij met in totaal vier mannen naar de [straatnaam en huisnummer] te Rotterdam zijn gegaan om daar in te breken. Volgens een tip zouden in die woning drugs liggen en zou er niemand thuis zijn. De vier mannen, onder wie het slachtoffer hebben een raam van de woning opengebroken met door hen meegebrachte breekijzers en zijn vervolgens de woning via het raam binnen gegaan.

[twee overvallers] stellen dat er, afgezien van een worsteling met [neef], voorafgaand aan de schietpartij geen geweld heeft plaatsgevonden en ontkennen stellig dat zij messen of vuurwapens hebben gebruikt.

De verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste avond naar het huis van zijn neef [naam] was gegaan om een film te kijken. Zij zijn op een matras in de woonkamer in slaap gevallen. Plotseling werd hij wakker van geschreeuw. Hij en zijn neef werden overvallen door vier (gemaskerde) mannen, waarbij hij op zijn hoofd werd geslagen. De verdachte heeft toen gezien dat de inbrekers een breekijzer en vuurwapens bij zich hadden. De verdachte werd met ijzerkleurig tape vastgebonden. Hij werd voortdurend geslagen en is met een mes in zijn been gestoken. Door de inbrekers werd geroepen dat hij zou worden doodgemaakt. Eén van de inbrekers bedreigde de verdachte daarbij met een pistool. Zijn neef [naam] is meegenomen naar de kamer waar twee kluizen stonden. De verdachte hoorde [naam] om hulp schreeuwen. Hij hoorde de mannen zeggen dat zijn neef zou worden onthoofd. Op een gegeven moment zijn de twee inbrekers die bij hem waren gebleven de woonkamer uitgelopen en toen heeft de verdachte zich los weten te trekken. Hij heeft uit de keuken een daar eerder door hem verstopt pistool gepakt en is daarmee de gang in gelopen. Uit de kluiskamer kwam toen één van de inbrekers de gang ingelopen. Deze inbreker had ook een wapen en kwam in de richting van de verdachte gelopen en richtte daarbij het wapen op de verdachte.

De verdachte heeft toen achtereenvolgens vier keer geschoten. Tijdens het schieten zag de verdachte nog twee inbrekers uit de kluiskamer komen, één van deze inbrekers had ook een wapen. De inbrekers zijn daarna via het raam de woning uit gevlucht.

[Neef] heeft verklaard dat zijn neef, de verdachte, werd vastgebonden en dat hijzelf werd meegetrokken naar de kamer met de twee kluizen. Hij zou daarbij constant geslagen zijn. Hij heeft één kluis geopend, maar slaagde er niet in de tweede kluis te openen. Hij werd door de mannen geslagen en geschopt. Hij heeft gezien dat de inbrekers een pistool, een breekijzer en een mes bij zich hadden. Hij werd met een mes onder andere aan de rechterzijde van zijn nek gesneden. Vervolgens heeft hij een aantal schoten gehoord.

De verklaringen van de overvallers dat er, afgezien van de worsteling met [neef], geen geweldshandelingen hebben plaatsgevonden, zijn in het licht van bovenstaande (forensische) bevindingen niet geloofwaardig. Die bevindingen ondersteunen juist op essentiële punten de verklaringen van de verdachte en [neef], met name voor wat betreft het uitgeoefende geweld en het gebruik van messen. In het verlengde hiervan acht de rechtbank de verklaring van de verdachte en [neef], dat de overvallers vuurwapens, dan wel op vuurwapens gelijkende voorwerpen bij zich hadden, aannemelijk. Dat dergelijke wapens bij de aanhoudingen van de overvallers, geruime tijd na het voorval, niet zijn aangetroffen, is immers geen bewijs van het tegendeel.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient allereerst aannemelijk te zijn dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat dit zowel ten aanzien van de verdachte als [neef] het geval was. De verdachte is immers vastgebonden, mishandeld en in zijn been gestoken met een mes. Ook werd de verdachte gezegd dat hij zou worden doodgemaakt en werd er een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, op hem gericht. [Neef] is door de inbrekers op grove wijze mishandeld en eveneens verschillende malen gestoken met een mes.

Vervolgens is van belang of de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd in een redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. De verdachte heeft achtereenvolgens viermaal geschoten in de richting van de inbrekers.

Direct voorafgaand aan het moment dat de verdachte de schoten loste, hield één van de inbrekers op enige afstand een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, op hem gericht. Op dat moment kon van de verdachte niet worden verwacht dat hij op een minder ingrijpende manier reageerde. Daarbij is nog van belang dat de inbrekers zich tussen de verdachte en de voordeur, de enige uitgang van de woning, bevonden, zodat er geen mogelijkheid was om de woning te ontvluchten. Bovendien bevond [neef] zich nog in de woning en hoorde de verdachte hem voorafgaand aan het schieten om hulp roepen.

Dit alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte, onder deze omstandigheden met zijn keuze om te schieten in de richting van de inbrekers, de grenzen van de noodzakelijke verdediging, zowel van zichzelf als van zijn neef, niet heeft overschreden.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep op noodweer zal worden gehonoreerd ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank acht het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar. De verdachte zal ten aanzien hiervan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling strafbaarheid feit en verdachte ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde acht de rechtbank de feiten en de verdachte strafbaar.

STRAFMOTIVERING VAN HET ONDER 2 BEWEZEN VERKLAARDE FEIT

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit,

de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) met daarbij behorende munitie (twee kogelpatronen). Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is naar zijn aard gevaarlijk voor een ieder die met het gebruik daarvan zou kunnen worden geconfronteerd. Hiertegen dient, in het bijzonder uit een oogpunt van generale preventie, streng te worden opgetreden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 februari 2012 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 18 maart 2011 dat over de verdachte is opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat de verdachte vindt dat zijn leven voorafgaand aan onderhavig delict voortvarend verliep. Er is geen sprake van drugsgebruik of van een andere verslaving. Op basis van de informatie die de verdachte heeft verstrekt en het delictverleden van de verdachte wordt het recidiverisico als laag ingeschat. Omdat de verdachte geen hulpvragen heeft en de reclassering ook geen problematiek herkent, onthoudt de reclassering zich van advies omtrent de op te leggen straf. Wanneer de verdachte schuldig wordt bevonden, ziet de reclassering geen redenen om de verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Namens de verdachte is door de raadsman bepleit aan de verdachte voor het onder feit 2 ten laste gelegde geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

verklaart het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het onder 2 bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. Stalenberg en Den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Snel-van den Hout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2012.

Bijlage bij vonnis van 22 maart 2012:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 30 december 2010 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen, één of meer kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Rotterdam

alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

X (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model Limited, kaliber 9 mm,

en/of

X munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van Categorie III te weten

twee (2) kogelpatronen, kaliber 9 mm,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 WWM)