Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0264

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
359451 - HA ZA 10-2300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursdersaansprakelijkeid. Art. 2:11 BW. Collectieve verantwoordelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 359451 / HA ZA 10-2300

Vonnis van 29 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.M.J. Arts,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: [gedaagde 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

3. de stichting

[gedaagde 3],

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: [gedaagde 3],

4. de stichting

[gedaagde 4],

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: [gedaagde 4],

5. [gedaagde 5],

hierna te noemen: [gedaagde 5],

wonende te Rotterdam,

6. [gedaagde 6],

hierna te noemen: [gedaagde 6],

wonende te Rotterdam,

7. [gedaagde 7],

hierna te noemen: [gedaagde 7],

wonende te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Eijsberg, (voor gedaagde sub 5 tot 16 februari 2011; geen andere advocaat gesteld voor gedaagde sub 5).

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 augustus 2011 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte aanpassing stellingen tevens houdende akte vermeerdering van eis zijdens [eiser].

Mr. E.J. Eijsberg heeft namens gedaagden 1, 2, 3, 4, 6 en 7 afgezien van een antwoordakte. Op 16 februari 2011 had mr. E.J. Eijsberg zich al onttrokken als advocaat van gedaagde 5, waarna geen nieuwe advocaat zich voor hem heeft gesteld.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld haar vorderingen - naar aanleiding van het niet nakomen van de Service Level Agreement (hierna: SLA) - op de directe en indirecte bestuurders van [gedaagde 1] ([gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 2]) en de bestuurders van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ([gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7]) nader te onderbouwen. [eiser] heeft vervolgens een akte genomen. Ondanks de mogelijkheid daartoe, is geen antwoordakte genomen.

[eiser] heeft haar vordering bij akte vermeerderd. Deze eiswijziging zal op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) worden toegelaten, nu zij niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

De gewijzigde vordering vormt het uitgangspunt van de verdere beoordeling en zal voor de volledigheid hieronder worden weergegeven. De rechtbank gaat uit van de in het petitum genoemde eis en niet van hetgeen uitsluitend is vermeld in het lichaam van de dagvaarding. Daarom wordt de alleen in het lichaam genoemde dwangsom niet besproken.

[eiser] vordert (na eiswijziging) om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] naast [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiser] voor de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de SLA;

b. [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] bij wege van voorschot naast [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 253.544,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

c. [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hoofdelijk naast [gedaagde 1] te veroordelen tot (terug)betaling aan [eiser] van € 106.056,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

d. [gedaagde 5] en [gedaagde 7] (naast [gedaagde 3]) hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter grootte van de gelden die [gedaagde 3] ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en ten onrechte niet (volledig) aan [eiser] heeft betaald en bij wege van voorschot hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van in ieder geval € 110.000,--;

e. [gedaagde 5] en [gedaagde 7] (naast [gedaagde 3]) hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] op deugdelijke en controleerbare wijze schriftelijk die informatie te verschaffen waaruit op eenvoudige wijze kan worden afgeleid welke bedragen zij vanaf haar oprichting ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en aan [eiser] heeft betaald, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde 3] hiermee in strijd handelt met een maximum van € 5.000.000,--;

f. [gedaagde 5] en [gedaagde 6] (naast [gedaagde 4]) hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter grootte van de gelden die [gedaagde 4] ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en ten onrechte niet (volledig) aan [eiser] heeft betaald;

g. [gedaagde 4] te veroordelen om aan [eiser] op deugdelijke en controleerbare wijze schriftelijk die informatie te verschaffen waaruit op eenvoudige wijze kan worden afgeleid welke bedragen zij vanaf haar oprichting ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en aan [eiser] heeft betaald, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde 3] hiermee in strijd handelt met een maximum van € 5.000.000,--;

h. [gedaagde 2], [gedaagde 5], [gedaagde 7] en [gedaagde 6] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] op een deugdelijke en controleerbare wijze schriftelijk de volgende informatie te verschaffen:

* het aantal incassodossiers van [eiser] dat zich in de minnelijke fase bevindt en hun dossiernummers alsmede de in de minnelijke fase reeds verrichte incassoactiviteiten per individueel incassodossier;

* de gelden - in totaal en uitgesplitst per individueel incassodossier - die [gedaagde 1] ten behoeve van [eiser] geincasseerd heeft als resultaat van de minnelijke fase vanaf april 2008 tot heden;

* het aantal incassodossiers van [eiser] dat zich in de gerechtelijke fase bevindt en hun dossiernummers;

* de gelden - in totaal en uitgesplitst per individueel incassodossier - die [gedaagde 1] ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen als resultaat van de gerechtelijke fase vanaf april 2008 tot heden;

i. [gedaagde 1], [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten;

j. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

De (indirecte) bestuurders van [gedaagde 1]

De directe en indirecte bestuurders van [gedaagde 1] kunnen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, naast [gedaagde 1] aansprakelijk zijn voor de vordering van [eiser] op [gedaagde 1], indien deze vordering op [gedaagde 1] onbetaald en onverhaald blijft. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] op 8 maart 2011 failliet is verklaard en de curator inmiddels heeft bevestigd dat de boedel onvoldoende middelen bevat om alle vorderingen te voldoen. Gedaagden hebben dit niet betwist. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen op [gedaagde 1] in ieder geval gedeeltelijk onbetaald en gedeeltelijk onverhaalbaar zullen blijven. De directe en indirecte bestuurders zijn hierdoor aansprakelijk voor de vordering tot schadevergoeding van [eiser] op [gedaagde 1], en wel indien zij [gedaagde 1] (indirect) onbehoorlijk hebben bestuurd.

Hierna wordt onderzocht of [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het onbetaald en onverhaald blijven van de schadevergoeding. Omdat [gedaagde 5] en [gedaagde 6] de bestuurders zijn van [gedaagde 2] zijn en [gedaagde 2] vertegenwoordigen, gelden hun gedragingen als de gedragingen van [gedaagde 2]. Daarnaast kunnen [gedaagde 5] en [gedaagde 6] op grond van artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk zijn. Nu de gedragingen van [gedaagde 5] en [gedaagde 6] aan [gedaagde 2] zijn toe te rekenen, zal eerst het handelen van [gedaagde 5] en [gedaagde 6] aan de orde komen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de aansprakelijkheid van [gedaagde 5] als volgt. Zoals reeds overwogen in 5.9 van het tussenvonnis kan [gedaagde 5] voor de schade van [eiser] aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder van [gedaagde 2] ten opzichte van [eiser] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat [gedaagde 5] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 5] heeft niet bestreden dat hij heeft bewerkstelligd dat [gedaagde 1] zonder valabele reden niet heeft betaald aan [eiser] en geen verhaal biedt, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zoals door [eiser] gesteld en niet bestreden door [gedaagde 5], heeft [gedaagde 5] gelden van [gedaagde 1] weggesluisd danwel verduisterd. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [gedaagde 1] door de gedragingen van [gedaagde 5] niet heeft kunnen voldoen aan haar verplichtingen. [gedaagde 5] is als indirect bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade door het toerekenbaar tekort schieten van [gedaagde 1].

[gedaagde 6] was naast [gedaagde 5] via [gedaagde 2] bestuurder van [gedaagde 1]. Het bestuur van een rechtspersoon draagt een collectieve verantwoordelijkheid. Dit betekent dat, tenzij er meerdere bestuursorganen zijn, de bestuurstaak als geheel is opgedragen aan alle bestuurders. Indien er sprake is van een ernstige tekortkoming die een ernstig verwijt oplevert en tenminste aan één van de bestuurders te wijten is, zoals hier het geval is, zijn in beginsel alle bestuurders jegens de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. [gedaagde 6] is dan hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van [eiser], tenzij de tekortkoming niet of niet in ernstige mate aan [gedaagde 6] te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. In dat verband wordt als volgt overwogen. [gedaagde 6] was op de hoogte van (betalings)problemen met [eiser]. Tevens was hij betrokken bij de vennootschap via welke gelden werden weggesluisd ([partij X]). Hij was bekend in de incassobranche en had moeten vermoeden dat de financiën niet klopten. Zeker op het moment dat [gedaagde 5] hem ontweek, zoals [gedaagde 6] zelf heeft aangevoerd, had hij argwaan moeten krijgen en nader onderzoek moeten doen. Dat [gedaagde 5] geraffineerd te werk ging is, gelet op de hiervoor genoemde verontrustende tekenen, onvoldoende om [gedaagde 6] te ontslaan van zijn verantwoordelijkheid als bestuurder. [gedaagde 6] voert verder aan dat hij niet aansprakelijk is, omdat hij op het moment dat hij op de hoogte raakte van de handelingen van [gedaagde 5] adequaat heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat dat te laat was. Er zijn reeds veel eerder tekenen geweest op basis waarvan [gedaagde 6] actie had moeten ondernemen, zoals de bekendheid met betalingsproblemen en het ontwijkende gedrag van [gedaagde 5]. Dit heeft hij nagelaten, waardoor hij nalatig is geweest in het treffen van maatregelen tegen het handelen van [gedaagde 5]. Hij kan zich hierdoor niet disculperen. [gedaagde 6] is dan ook aansprakelijk voor de schade door het toerekenbaar tekort schieten van [gedaagde 1].

Zoals reeds overwogen onder 2.5, zijn de gedragingen van [gedaagde 5] en [gedaagde 6] als het bestuur van [gedaagde 2] toe te rekenen aan [gedaagde 2]. Door voornoemde gedragingen van [gedaagde 5] en [gedaagde 6], heeft ook [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] zodanig onzorgvuldig gehandeld dat haar van het toerekenbaar tekortschieten van [gedaagde 1] een ernstig verwijt te maken is. [gedaagde 2] handelt hierdoor onrechtmatig jegens [eiser] en is aansprakelijk voor de schade door het toerekenbaar tekort schieten van [gedaagde 1].

Zoals hiervoor is overwogen zijn [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] wegens onbehoorlijk bestuur aansprakelijk voor (een deel van) de door [eiser] geleden en nog te lijden schade door het tekortkomen in de nakoming van de SLA door [gedaagde 1]. Deze aansprakelijkheid is, zoals gesteld door [eiser] en niet betwist door gedaagden, hoofdelijk op grond van artikel 2:11 BW. Verder is deze aansprakelijkheid subsidiair. Dit houdt in dat de vordering in eerste instantie op [gedaagde 1] dient te worden verhaald. Indien de vordering niet (volledig) op [gedaagde 1] kan worden verhaald, zijn de bestuurders (voor het overige) aansprakelijk. Hiervoor is van belang om te weten welk bedrag [eiser] uit de failliete boedel van [gedaagde 1] zal ontvangen. Daarnaast dient bij de bepaling van de hoogte van de schade de situatie zoals deze in werkelijkheid is te worden vergeleken met de situatie die zou zijn ontstaan indien het bestuur niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. Mede gelet op voornoemde omstandigheden is het thans niet mogelijk de omvang van de schade te begroten. De rechtbank zal ambtshalve de procedure verwijzen naar de schadestaatprocedure voor het bepalen van de hoogte van de schade.

Zowel het voorschot op de schadevergoeding van € 253.544,12 (vermeerderd met rente) als het voorschot op de schadevergoeding van € 106.056,-- (vermeerderd met rente) zullen worden toegewezen. Deze voorschotten zijn door [eiser] concreet onderbouwd, komen niet onrechtmatig of ongegrond voor en de hoogte is niet betwist. Verder zal de wettelijke rente over deze voorschotten als onbetwist worden toegewezen.

De bestuurders van [gedaagde 3] en [gedaagde 4]

[gedaagde 3] en [gedaagde 4] hadden onder de SLA als rol om aan [eiser] toebehorende gelden te ontvangen, tijdelijk te beheren en vervolgens over te maken aan [eiser]. In het tussenvonnis is overwogen dat de stichtingen geen grond meer hebben de verkregen gelden niet aan [eiser] te betalen. Zij zijn veroordeeld om de gelden aan [eiser] te betalen en de schade te vergoeden die [eiser] lijdt door het ten onrechte weigeren de gelden (volledig) aan [eiser] te vergoeden. [eiser] heeft tevens de bestuurders van [gedaagde 3] ([gedaagde 5] en [gedaagde 7]) en [gedaagde 4] ([gedaagde 5] en [gedaagde 6]) aangesproken. Deze aansprakelijkheid zal hieronder worden beoordeeld.

[gedaagde 5] heeft, zoals overwogen onder 2.6, onrechtmatig gehandeld als (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] door aan [eiser] toebehorende gelden via [partij X] weg te sluizen. Dit betreft tevens gelden die op de rekeningen van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] stonden. Door het handelen van [gedaagde 5] kunnen de stichtingen het aan [eiser] toebehorende geld zonder valabele reden niet aan [eiser] betalen en bieden zij geen verhaal. Het wegsluizen van geld is dermate onzorgvuldig dat [gedaagde 5] ook als bestuurder van de stichtingen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 5] is daarom aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade, en wel op de wijze zoals in het dictum zal worden vermeld.

[gedaagde 6] en [gedaagde 7] waren bestuurder van [gedaagde 3] danwel [gedaagde 4]. [gedaagde 5] heeft gelden weggesluisd die [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voor [eiser] onder zich hielden. Het bestuur van een rechtspersoon draagt een collectieve verantwoordelijkheid, op grond waarvan - tenzij er meerdere bestuursorganen zijn - de bestuurstaak als geheel is opgedragen aan alle bestuurders. Nu aan [gedaagde 5] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zijn [gedaagde 6] en [gedaagde 7] in beginsel jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, tenzij de tekortkoming niet of niet in ernstige mate aan hen te wijten is en zij niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. De rechtbank overweegt dat de tekortkoming mede aan hen te wijten is en dat zij nalatig zijn geweest in het tijdig treffen van maatregelen. [gedaagde 1] heeft tot en met december 2009 gelden aan [eiser] overgemaakt. Vanaf januari 2010 bleven de betalingen echter uit. [gedaagde 6] en [gedaagde 7] wisten dat er (betalings)problemen met [eiser] waren. [gedaagde 7] heeft op 7 april 2010 over deze problemen overleg gevoerd met [eiser]. Daarnaast hebben [gedaagde 6] en [gedaagde 7] beiden een per aangetekende post verzonden en aan hen gerichte aanmaning ontvangen op 28 danwel 29 juni 2010. Ze hebben beide gemerkt dat [gedaagde 5] hen ontweek en hadden moeten begrijpen dat er iets niet klopte. Zij hadden navraag kunnen en moeten doen bij de bank of bij [eiser]. [gedaagde 6] en [gedaagde 7] zijn gelet op het voorgaande nalatig geweest in het treffen van maatregelen tegen het handelen van [gedaagde 5] en dienen de schade die hierdoor is ontstaan te vergoeden.

Zoals hiervoor is overwogen zijn [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] wegens onbehoorlijk bestuur aansprakelijk voor (een deel van) de gelden die [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ten behoeve van [eiser] hebben ontvangen en ten onrechte niet (volledig) aan [eiser] hebben betaald. Deze aansprakelijkheid is, zoals gesteld door [eiser] en niet betwist door gedaagden, hoofdelijk op grond van artikel 2:11 BW. Daarnaast is deze bestuurdersaansprakelijkheid subsidiair, inhoudende dat de vordering in eerste instantie op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dient te worden verhaald. Indien de vordering niet (volledig) op hen kan worden verhaald, zijn de bestuurders (voor het overige) aansprakelijk. [eiser] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. [eiser] heeft echter onvoldoende gesteld om de daadwerkelijke schade te kunnen begroten. De procedure zal daarom worden verwezen naar de schadestaatprocedure, zoals in het dictum vermeld.

Ten aanzien van het voorschot op deze schadevergoeding van € 110.000,-- op de bestuurders van [gedaagde 3], wordt als volgt overwogen. In haar laatste akte heeft [eiser] gesteld dat het derdenbeslag op een bankrekening van [gedaagde 3] € 12.000,-- heeft getroffen. Nu de aansprakelijkheid van het bestuur van [gedaagde 3] slechts geldt voor zover de vordering niet op [gedaagde 3] kan worden verhaald, zal het voorschot worden verminderd met dit bedrag. Verder is het voorschot door [eiser] concreet onderbouwd, komt deze niet onrechtmatig of ongegrond voor en is de hoogte niet betwist, zodat het voorschot zal worden toegewezen tot een bedrag van € 98.000,--.

Slotsom

[eiser] vordert van [gedaagde 2], [gedaagde 5], [gedaagde 7] en [gedaagde 6] om schriftelijke informatie over te leggen. Met deze informatie wil [eiser] inzicht kunnen krijgen in de bedragen die [gedaagde 1] en de stichtingen hebben ontvangen en de stand van de bij [gedaagde 1] uitgezette incassodossiers. Hiertoe heeft [eiser] slechts gesteld dat zij nog niet de benodigde informatie van [gedaagde 1] en de stichtingen heeft ontvangen en daardoor gedwongen is deze informatie ook van [gedaagde 2], [gedaagde 5], [gedaagde 7] en [gedaagde 6] te vorderen. Een vordering tot het afgeven van bescheiden kan echter alleen worden toegewezen ten aanzien van degene die deze bescheiden daadwerkelijk te zijner beschikking heeft. [eiser] heeft hierover niets gesteld en evenmin is gebleken dat de gevorderde bescheiden ter beschikking van [gedaagde 2], [gedaagde 5], [gedaagde 7] of [gedaagde 6] staan. De vordering zal om deze reden worden afgewezen.

[gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, inclusief beslagkosten, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 73,89

- overige explootkosten € 4.810,07

- griffierecht € 4.951,--

- salaris advocaat € 5.000,-- (2,5 punt × tarief € 2.000,--)

Totaal € 14.834,96

De procedure tussen [eiser] en [gedaagde 1] zal wegens het faillissement van [gedaagde 1] op grond van artikel 29 Fw worden geschorst. Overigens heeft de rechtbank in het tussenvonnis reeds op alle vorderingen beslist, behalve ten aanzien van de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aansprakelijk zijn jegens [eiser] voor de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de SLA, voor zover [gedaagde 1] de schadevergoeding niet heeft voldaan en deze onverhaalbaar is;

veroordeelt [gedaagde 2], [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de SLA, voor zover [gedaagde 1] de schadevergoeding niet heeft voldaan en deze onverhaalbaar is, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [gedaagde 2], [gedaagde 6] en [gedaagde 5] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 253.544,12 (zegge: tweehonderd-drieënvijftigduizend vijfhonderdvierenveertig euro en twaalf eurocent) als voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:120 lid 2 BW over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde 2], [gedaagde 6] en [gedaagde 5] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 106.056,-- (zegge: honderdzesduizend zesenvijftig euro) als voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:120 lid 2 BW over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde 5] en [gedaagde 7] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding ter grootte van de gelden die [gedaagde 3] ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en ten onrechte niet (volledig) aan [eiser] heeft betaald, voor zover [gedaagde 3] de schadevergoeding niet heeft voldaan en deze onverhaalbaar is, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [gedaagde 5] en [gedaagde 7] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 98.000,-- (zegge: achtennegentigduizend euro) als voorschot op de schadevergoeding;

veroordeelt [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding ter grootte van de gelden die [gedaagde 4] ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen en ten onrechte niet (volledig) aan [eiser] heeft betaald, voor zover [gedaagde 4] de schadevergoeding niet heeft voldaan en deze onverhaalbaar is, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] en [gedaagde 7] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 14.834,96;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de procedure tegen [gedaagde 1] is geschorst;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

2057/1624