Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
394314 / HA RK 12-42
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen is door de rechter getoetst aan het verdedigingsbelang en tegen de achtergrond van de feiten die aan verzoeker op dat moment ten laste waren gelegd en waarover de rechter op dat moment had te oordelen. De beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de gevraagde getuigen is onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk, laat staan dermate onbegrijpelijk dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 23 maart 2012

Zaaknummer: 394314

Rekestnummer: HA RK 12-42

Parketnummer: 10/662934-11 + tul 22/002438-09

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam gewraakte rechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 17 januari 2012 is door de rechter als politierechter in deze rechtbank behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met het hierboven vermelde parketnummer. In die strafzaak is verzoeker is tenlastegelegd - kort samengevat - het te Rotterdam op 7 oktober 2011 beledigen alsmede bedreigen van twee politie-ambtenaren, genaamd [X] en [Y].

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak tegen verzoeker als verdachte, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde terechtzitting.

Verzoeker, zijn raadsvrouw, de rechter, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 9 maart 2012, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, zijn raadsvrouw mr. H. Yilmaz en officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht, waarbij de raadsvrouw pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Het verzoek tot wraking is gedaan omdat de rechter, gelet op de wijze waarop hij het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen en hetgeen hij daaromtrent heeft overwogen, geen ruimte toeliet om verzoeker, die nadrukkelijk de feiten op de tenlastelegging betwist, zijn standpunt te onderbouwen middels het horen van de getuigen. Daarbij is de gang van zaken van belang.

2.1.2

Op 5 januari 2012 zijn per fax zeven getuigen opgegeven. Daarbij is als bijlage meegestuurd de aangifte van verzoeker bij Bureau Interne Zaken. In die aangifte heeft verzoeker de tenlastelegging in zijn geheel ontkend, terwijl hij tevens heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 8 WVW. Hij heeft daarbij de namen en de mobiele nummers van vier ooggetuigen verstrekt. Het ging om [A], [B], [C] en [D]. Uit het dossier bleek niet dat met die gegevens überhaupt iets was gedaan.

Daarbij is in het verzoek horen getuigen uitdrukkelijk aangegeven dat verzoeker de gehele tenlastelegging betwist. Hij wenste de getuigen te horen om zijn standpunt aannemelijk te maken dat hij de ten laste gelegde feiten niet had begaan.

2.1.3

Ter zitting bleek dat de getuigen niet waren opgeroepen. Nadat de rechter enkele vragen had gesteld aan verzoeker, heeft de raadsvrouw gevraagd of de rechter het verzoek tot het horen van getuigen had ontvangen. De rechter antwoordde dat hij eerst de feiten wilde behandelen voordat hij een beslissing zou nemen op het horen van de getuigen en of er sprake was van een verdedigingsbelang.

2.1.4

Aan het slot van de zitting heeft de rechter te kennen gegeven voldoende voorgelicht te zijn, waarbij letterlijk het volgende overwogen is:

"Naar mijn oordeel bevat het dossier voldoende elementen om tot een verantwoord en afgewogen oordeel te komen ten aanzien van de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. De uiteenlopende standpunten ten aanzien van de aanhouding raken het oordeel ten aanzien van een bewezenverklaring van de telastegelegde feiten niet.

Het dossier bevat naar mijn oordeel voorts voldoende informatie over het door de politie toegepaste geweld, voor en na de telastegelegde feitelijkheden, om tot een verantwoord en afgewogen oordeel te komen ten aanzien van de vraag of en in welke omvang deze omstandigheden van belang zijn voor strafbaarheid en strafwaardigheid".

2.1.5

De reactie van de rechter is in het licht van de volledige ontkenning van de tenlastelegging onbegrijpelijk en de rechter is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen (volgens hem) konden verklaren, hetgeen vanzelfsprekend niet is toegelaten (zie ondermeer LJN: BD5891 rechtbank Rotterdam 24 juni 2008). Er is eigenlijk aangegeven dat de verklaringen van die (deels) niet gehoorde getuigen op geen enkele wijze van invloed zouden kunnen zijn op het rechterlijke oordeel, hetgeen naar objectieve maatstaven gemeten de schijn van vooringenomenheid oproept.

Dit klemt temeer, wanneer de verdediging in het kader van het schriftelijke verzoek om getuigen op te roepen, alsmede meerdere keren ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de getuigen wel degelijk iets over het probandum kunnen verklaren, omdat zij alles hebben gezien. De rechter heeft ook te kennen gegeven dat de getuigen alleen over het toegepaste geweld konden verklaren, hetgeen niet aan de orde was. Dat was een zaak voor het Bureau Interne Zaken. Bovendien lijkt het erop alsof de rechter de efficiency boven de waarheidsvinding heeft willen plaatsen. Dit levert zwaarwegende aanwijzingen op dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter enige vooringenomenheid koesterde objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking dient derhalve gegrond te worden verklaard.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en voert daarbij - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan:

2.2.1

Het proces-verbaal van de zitting bevat de motivering om het verzoek van de verdediging een aantal getuigen te horen af te wijzen. Het verzoek is beoordeeld tegen de achtergrond van de tenlastegelegde feiten. Dan past in de eerste plaats het antwoord op de vraag of het strafdossier van verklaringen en bevindingen en het verdere onderzoek ter zitting voldoende basis biedt om tot een verantwoord en evenwichtig oordeel te komen ten aanzien van bewezenverklaring, strafbaarheid en strafwaardigheid. Voorts gaat het om de vraag of een redelijk verdedigingsbelang aanwezig is zonder invulling waarvan een dergelijk oordeel niet mogelijk is of lijkt.

2.2.2

Het dossier en de behandeling ter zitting bevatten genoegzame elementen om verantwoord tot een afrondend oordeel te komen. Dat geldt ook voor het zicht op de begeleidende omstandigheden, te weten het gebruik van geweld door een of meer politieambtenaren voor en/of na de verweten feiten.

2.2.3

De opgegeven getuigen zouden met name over het verloop van de geweldshandelingen verklaringen moeten afleggen. Dit overschrijdt de grenzen van de tenlastelegging en voor zover het gaat om de effecten daarvan op strafbaarheid en strafwaardigheid bieden de processen-verbaal van de politieambtenaren en de verklaringen van verzoeker voldoende aanknopingspunten voor zicht op die gebeurtenissen. Een strafzitting ter zake van belediging en bedreiging is niet de geëigende plaats voor een grondig discours over (dis)proportionaliteit van politiegeweld. Daarvoor zijn andere wegen.

De beweerdelijk onterechte aanhouding aan het begin van alle gebeurtenissen komt aan de orde bij de nog te dienen strafzaak ex artikel 8 van de Wegenverkeerswet.

2.3

De officier van justitie heeft - verkort en zakelijk weergegeven - meegedeeld dat het feitencomplex, waarvan verzoeker wordt verdachte, bestaat uit drie delen. Er is in een auto gereden en de verdenking is dat verzoeker de bestuurder van de auto was, terwijl hij onder invloed verkeerde. Er is geweigerd mee te werken aan een ademanalyse. Er is geweld toegepast bij de aanhouding en er is volgens de politie beledigd en bedreigd. De zaak betreffende belediging en bedreiging van politie-ambtenaren is afzonderlijk in COMPAS opgenomen en is afzonderlijk gedagvaard. De Wegenverkeerswet-zaak staat nog open en daarvoor wordt verzoeker afzonderlijk gedagvaard

Uit de opmerkingen van de rechter blijkt dat het niet horen van de getuigen het verdedigingsbelang niet schaadt. De getuigen kunnen iets zeggen over de Wegenverkeerswet-zaak en over de klacht die over het politie-optreden is gedaan bij de korpscommissaris, doch zij kunnen niets verklaren over het beledigen en bedreigen van de politie door verzoeker. Uit het dossier blijkt immers dat het beledigen en bedreigen is gebeurd tijdens het transport van verzoeker naar het politiebureau en daar waren de door verzoeker genoemde getuigen niet bij aanwezig. De rechter was naar het oordeel van het Openbaar Minsterie niet partijdig bij het nemen van zijn beslissing. De rechten van de verdediging ex artikel 6 EVRM zijn niet geschaad. Er doen zich geen feiten of omstandigheden voor die de rechterlijke onpartijdigheid schaden of de gerechtvaardigde schijn daarvan hebben gewekt. Het verzoek is dus ongegrond.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzing gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.4

Daarbij moet vooropgesteld worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.5

Dat kan slechts anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.6

Uit de inhoud van het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond met registratie-nummer PL17F0 2011298904 (inclusief de daarbij behorende bijlagen), alsmede uit hetgeen van de zijde van verzoeker en door de rechter en officier van justitie hieromtrent naar voren is gebracht, valt op te maken dat er rondom het gebeuren op 7 oktober 2011 sprake is van de verdenking jegens verzoeker van het plegen van nog een strafbaar feit - het als bestuurder van een motorvoertuig weigeren mee te werken aan een zogenaamde ademanalyse - en dat er sprake is van in de ogen van verzoeker klachtwaardig politie-optreden in de vorm van het rondom zijn aanhouding toepassen van excessief geweld. Ter zitting van 17 januari 2012 waren deze laatste feiten c.q. verdenkingen niet als aan verzoeker tenlastegelegde feiten aan de orde. Door de officier van justitie is op die zitting expliciet meegedeeld dat de Wegenverkeerwetzaak nog loopt en dat verzoeker daarvoor afzonderlijk wordt gedagvaard.

3.7

Het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen is door de rechter getoetst aan het verdedigingsbelang en tegen de achtergrond van de feiten die aan verzoeker op dat moment ten laste waren gelegd en waarover de rechter op dat moment had te oordelen. De beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de gevraagde getuigen is onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk, laat staan dermate onbegrijpelijk dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de op 17 januari 2012 aan verzoeker tenlastegelegde belediging en bedreiging niet was gericht tegen verbalisant [Z] en dat de getuigen [A], [B], [C] en [D] niet aanwezig waren in of bij het politiebusje, alwaar verzoeker de belediging en bedreiging zou hebben geuit. Aldus beschouwd konden deze getuigen derhalve niets verklaren over hetgeen zij met betrekking tot de tenlastegelegde feiten zelf hebben kunnen waarnemen.

3.8

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam gewraakte rechter].

Deze beslissing is gegeven op 23 maart 2012 door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. H. van Lokven-van der Meer en mr. E.R. Houweling, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.