Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BW0044

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/1408
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA2924, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

exploitatie en vergunde terrassen in strijd met het bestemmingsplan?; invloed op woon- en leefklimaat; parkeerdruk

voorlopige voorziening in bodemuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1408

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2012 in de zaak tussen

[eisers], gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam,

en

de burgemeester van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

Horeca Exploitatie WWZ I B.V., gevestigd te Rotterdam, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. I.A. Kamans.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder een vergunning verleend voor de exploitatie ten behoeve van horeca van de begane grond en kelder van het pand aan de Kortekade 63-69 te Rotterdam en drie terrassen aan de Kortekade.

Bij besluit van 22 februari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van eisers tegen het besluit van 5 oktober 2011, waarbij hun bezwaren tegen de verleende bouwvergunning voor het veranderen van het pand naar restaurant, ongegrond zijn verklaard. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 11/4968.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. De [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door A.E. van der Wel.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft op 9 maart 2010, aangepast bij brieven van 28 april 2010 en 9 juni 2010, een aanvraag ingediend voor de exploitatie van de begane grond en kelder van het pand aan de Kortekade 63-69 te Rotterdam (het pand), een terras aan de Maria Stuartlaan en een aantal terrassen aan de Kortekade ten behoeve van een horecagelegenheid die is geïnitieerd door Dudok en de naam Vicini heeft.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder een exploitatievergunning verleend met betrekking tot de begane grond en kelder van het pand en drie terrassen aan de Kortekade (de inrichting). De vergunning voorziet in een café/restaurant op de begane grond met een oppervlakte van 375 m² en in het geven van workshops, het exploiteren van een kinderkookcafé, het geven van kooklessen dat zich richt op kleine gezelschappen, het houden van kinderverjaardagsfeesten en het houden van teambuildingbijeenkomsten voor bedrijven in de kelder, die een oppervlakte heeft van 375 m². Daarnaast voorziet de vergunning in twee gevelterrassen van elk 14,8 m² aan de Kortekade en een overterras van 8,51 m² aan de Kortekade. De terrassen aan de Maria Stuartlaan en de Kortekade nabij de voetgangersoversteekplaats zijn geweigerd. Aan de vergunning zijn onder meer de voorschriften verbonden dat de kelder niet als zalen- en partycentrum mag worden gebruikt, dat in de kelder geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht, dat de kelder niet voor andere activiteiten dan de genoemde mag worden gebruikt en dat de openingstijden van de inrichting worden gesteld op 07:00 tot 23:00 uur.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder overneming van een advies van zijn Algemene Bezwaarschriftencommissie van 20 januari 2011 – het primaire besluit gehandhaafd.

4. In beroep hebben eisers – samengevat – aangevoerd dat door het weigeren van twee terrassen en het beperkt vaststellen van de openingstijden de grondslag van de aanvraag is verlaten, dat de exploitatie van de inrichting in strijd is met het bestemmingsplan, dat het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed, dat de terrassen gevaar opleveren voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg en afbreuk doen aan het uiterlijk aanzien van de straat, dat de vergunning in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat verweerder ten onrechte de voorschriften voor de van toepassing verklaarde afkoelperiode niet in de vergunning heeft opgenomen.

5. Onder openbare inrichting wordt ingevolge artikel 1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 (APV) verstaan: inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen.

Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV, voor zover hier van belang, weigert de burgemeester de exploitatievergunning indien de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde gronden rekening met het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen en de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.

Ingevolge artikel 2.3.8, eerste lid, van de APV, voor zover thans van belang, beslist de burgemeester, ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse – tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren indien het de verwachting is dat het gebruik gevaar kan veroorzaken voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg of afbreuk doet aan de bescherming van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

Ingevolge artikel 2.3.9, eerste lid, van de APV is het de exploitant of de beheerder verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan van 7 uur tot 1 uur.

Ingevolge het tweede lid wordt in het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) het in het eerste lid genoemde nachtelijke tijdstip met één uur verlengd.

Ingevolge het negende lid kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen of voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden – al dan niet tijdelijk – beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.

Op grond van artikel 9 van de Nadere regels openbare inrichtingen behorende bij hoofdstuk 2, paragraaf 3, van de APV (Nadere regels), voor zover hier van belang, worden de openingstijden van bepaalde openbare inrichtingen verlengd met een half uur, met dien verstande dat deze afkoelperiode niet geldt voor de bij de inrichting behorende terrassen en dat tijdens de afkoelperiode geen dranken of etenswaren worden verstrekt, geen muziek ten gehore wordt gebracht, de verlichting wordt ontstoken en geen nieuwe bezoekers in de inrichting worden toegelaten.

6.1 Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de vergunning had moeten weigeren, omdat door het weigeren van twee terrassen en het beperken van de openingstijden de grondslag van de aanvraag is verlaten.

6.2 De rechtbank volgt eisers hierin niet. Daarbij is van belang dat uit artikel 2.3.8, tweede lid, van de APV, in samenhang bezien met artikel 2.3.6, tweede lid, van de APV, volgt dat verweerder bevoegd was om de exploitatievergunning gedeeltelijk, ten aanzien van twee terrassen, te weigeren. Tevens was verweerder ingevolge artikel 2.3.9, negende lid, van de APV bevoegd om de openingstijden voor de inrichting beperkt vast te stellen.

7.1 Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan en in overeenstemming bevonden met het bestemmingsplan “Kralingen beschermd Stadsgezicht” (het bestemmingsplan), dat onherroepelijk is geworden op 1 maart 2007.

7.2 Eisers hebben betoogd dat de exploitatie van de inrichting in strijd is met het bestemmingsplan. Het pand bestond oorspronkelijk uit een pand aan de Kortekade en een pand aan de Maria Stuartlaan. Volgens eisers mag het oorspronkelijke pand aan de Kortekade niet voor horecadoeleinden worden gebruikt en staat het bestemmingsplan eveneens in de weg aan de terrassen.

7.3.1 Ingevolge het bestemmingsplan zijn de gronden waarop het pand is gesitueerd bestemd voor ‘Gemengde bebouwing’. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften is op de gronden die zijn aangewezen voor “gemengde bebouwing” ter plaatse van daartoe strekkende aanduidingen op de plankaart tevens toegestaan “horeca” als bedoeld in deze voorschriften.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt daarin verstaan onder horeca: het bedrijfsmatig ten behoeve van gebruik ter plaatse verstrekken van etenswaren en dranken.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, aangewezen voor “horeca”, bestemd voor horecavestigingen, met de daarbij behorende erven, parkeerplaatsen en ontsluitingspaden.

Op de gronden waar de vergunde terrassen zijn gesitueerd rust de bestemming “Verblijfsgebied”. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de voorschriften zijn deze gronden bestemd voor:

a. voorzieningen ten behoeve van het buurtverkeer, te weten:

- voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen;

- voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen;

b. overige voorzieningen, te weten groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en andere in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen en onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor het inzamelen van huishoudelijk afval;

c. metro en waterkering als bedoeld in deze voorschriften, voor zover de gronden mede als zodanig zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de voorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de in dit bestemmingsplan gelegen onbebouwde gronden geheel of gedeeltelijk te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de daaraan in het plan gegeven bestemming(en) en/of het volgens de voorschriften uitsluitend toegestane gebruik.

7.3.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de exploitatie van het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 5.4 van haar uitspraak van 29 maart 2012 in zaak 11/4968.

7.3.3 Ten aanzien van de terrassen stelt de rechtbank voorop dat omdat terrassen onder het begrip ‘openbare inrichting’ vallen, de toets aan het bestemmingsplan ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, onder a, van de APV zich ook uitstrekt over de exploitatie van de terrassen.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat de terrassen geen wijziging brengen in het gebruik van de betrokken gronden omdat daarvoor geen blijvende voorzieningen zullen worden geplaatst en de tafels en stoelen aan het einde van iedere dag zullen worden weggehaald. Dit laat immers onverlet dat op de momenten dat deze voorzieningen wel zijn geplaatst, de gronden op die momenten worden gebruikt als terras ten behoeve van horecadoeleinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit commerciële gebruik strijdig met de bestemming “Verblijfsgebied”. Daarbij is van belang dat de in artikel 13, eerste lid, van het bestemmingsplan opgenomen doeleindenomschrijving ziet op infrastructurele doeleinden. Het gebruik ten behoeve van horeca, als afzonderlijke bestemming in het bestemmingsplan gedefinieerd, valt daar niet onder. De terrassen zullen immers bedrijfsmatig worden gebruikt en het zal daarbij niet mogelijk zijn dat bezoekers daar neerstrijken en verblijven zonder iets in de inrichting te nuttigen. Nu de exploitatievergunning behoudens de gestelde openingstijden geen beperkingen bevat ten aanzien van de exploitatie van de terrassen, is er geen sprake van dat dit strijdige gebruik zodanig kortdurend of incidenteel is, dat de bestemmingsplanvoorschriften zich daartegen niet verzetten. Verweerder heeft daarom ten onrechte aangenomen dat de terrassen in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, zodat de exploitatievergunning in strijd met de dwingende weigeringsgrond van artikel 2.3.6, eerste lid, onder a, van de APV is verleend.

Het bestreden besluit levert naast strijd met deze bepaling in zoverre tevens strijd op met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt gesteld dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting niet nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. Hoewel de Horecanota 2008-2011 (de horecanota) voor het voorzieningencluster waartoe de Kortekade behoort een consoliderend beleid kent, wordt vestiging van de inrichting toegestaan op grond van de verwachting van de deelgemeente dat het woon- en leefklimaat in sterke mate positief wordt beïnvloed door de komst van de inrichting. In dit verband heeft verweerder, onder verwijzing naar een advies van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk van 2 juli 2010, overwogen dat blijkens het businessplan van de exploitant sprake is van productdifferentiatie. Het bedrijfsconcept, dat is ontwikkeld vanuit het gedachtegoed Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en is gebaseerd op de pijlers ‘maatschappelijk’, ‘sociaal’, ‘wijkeconomie’ en ‘duurzaam ondernemen’, bestaat bovendien nog niet in de deelgemeente. De onderneming is een erkend leer-werkbedrijf, zoekt samenwerking met brede scholen met betrekking tot het kinderkookcafé, richt zich op gezinnen in de wijk, biedt werkgelegenheid en streeft naar het gebruik van groene stroom en regionale-, streek- en seizoenproducten. Met de overlast voor omwonenden is rekening gehouden door het terras aan de Maria Stuartlaan te weigeren en door de voorschriften in de vergunning. De exploitant kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de bestaande parkeerdruk. Er geldt sinds 1 september 2010 betaald parkeren tot 18:00 uur. Daarnaast heeft de exploitant toegezegd om alle medewerking te verlenen om de parkeerdruk die eventueel ontstaat door de aanwezigheid van de inrichting, terug te dringen.

8.2 Eisers hebben aangevoerd dat het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wel nadelig wordt beïnvloed. Eisers hebben in dit verband gewezen op het karakter van de straat en de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat en bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting. Eisers vrezen ernstige geluidsoverlast in verband met de korte afstand van de inrichting tot de woonbebouwing. In dit verband is gewezen op de ruime openingstijden en de grootschaligheid van de inrichting en op de overlast die zij in het verleden hebben ondervonden als gevolg van de exploitatie van een zalen- en partycentrum in de kelder van het pand. Daarnaast is blijkens de Adviesnota parkeren Kralingen-Crooswijk uit 2006 reeds in de bestaande situatie sprake van een groot tekort aan parkeerplaatsen in de wijk. Het parkeerprobleem zal door de komst van de inrichting verergeren. In dit verband is onder meer gewezen op de take awayservice die de inrichting zal bieden. Bovendien zullen bij de onlangs gestarte herinrichting van subbuurt 42.01 32 openbare parkeerplaatsen vervallen, hetgeen invloed zal hebben op de parkeerdruk in de omgeving van het pand. Gelet op de geluidsoverlast en de bestaande en toekomstige parkeerdruk had verweerder niet mogen afwijken van het voor de Kortekade geldende consolidatiebeleid in de horecanota. Volgens eisers zijn veel van de aangekondigde activiteiten die het woon- en leefklimaat volgens verweerder positief zouden beïnvloeden tot op heden niet van start gegaan. Het betaald parkeren dat tot 18:00 uur geldt en de medewerking die de exploitant wil verlenen aan het terugdringen van de parkeerdruk, bieden geen oplossing voor het parkeerprobleem.

8.3.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beslissing of een exploitatievergunning op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, onder a, van de APV moet worden geweigerd, beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. De uitoefening van deze bevoegdheid dient daarom door de rechtbank terughoudend te worden getoetst. Bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid dient verweerder rekening te houden met het bepaalde in artikel 2.3.6, derde lid, van de APV.

8.3.2 Met de horecanota heeft verweerder invulling gegeven aan zijn beleids- en beoordelingsvrijheid. Voor het voorzieningencluster waartoe de Kortekade behoort geldt een consolidatiebeleid, omdat de straat naast een verkeersfunctie ook een woonfunctie heeft, en in voorkomende gevallen geldt een verminderingsbeleid. Consolideren houdt in, voor zover thans van belang, dat geen nieuwe inrichtingen worden toegestaan. In de horecanota is bepaald dat onder bijzondere omstandigheden gemotiveerd van het beleid kan worden afgeweken in die zin dat, voor zover thans van belang, ondanks het consolidatiebeleid de vestiging van een nieuwe onderneming kan worden toegestaan. Een bijzondere omstandigheid kan gelegen zijn in de verwachting van de (deel)gemeente dat het woon- en leefklimaat in sterke mate positief wordt beïnvloed door de komst van de nieuwe horecagelegenheid.

8.3.3 Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige geluidsoverlast dat dit had moeten leiden tot weigering van de vergunning. Verweerder heeft met de gestelde geluidsoverlast voldoende rekening gehouden door ter beperking van de overlast voor omwonenden de openingstijden – ook voor de terrassen – beperkt vast te stellen, het terras aan de Maria Stuartlaan te weigeren vanwege de korte afstand tot de woonbebouwing en aan de vergunning als voorschriften te verbinden dat de kelder niet mag worden gebruikt als zalen- en partycentrum en dat in de kelder geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de exploitatie van de inrichting niet op één lijn gesteld kan worden met de wijze waarop de kelder in het verleden werd geëxploiteerd. Destijds was immers sprake van een zalen- en partycentrum waar versterkte muziek ten gehore werd gebracht, welk gebruik voor de onderhavige inrichting uitdrukkelijk in de voorschriften is uitgesloten.

8.3.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder echter niet in voldoende mate de bestaande en de extra parkeerdruk als gevolg van de inrichting heeft betrokken bij zijn oordeel omtrent de invloed van de inrichting op het woon- en leefklimaat. Verweerder kan in zoverre niet worden gevolgd in zijn overweging dat de exploitant niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bestaande parkeerdruk, dat de bestaande parkeerdruk wel degelijk een relevant aspect is in het kader van de te beoordelen spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat. Niet gebleken is dat verweerder de bestaande en de toekomstige parkeerdruk in voldoende mate heeft onderzocht. De rechtbank acht de verwijzing in het bestreden besluit naar de maatregel van betaald parkeren in dit opzicht onvoldoende, omdat deze maatregel voor de omgeving van het pand geldt tot 18:00 uur, terwijl niet in geschil is dat de meeste bezoekers na die tijd bij de inrichting zullen arriveren. Ook het ontmoedigingsbeleid van de exploitant is onvoldoende, omdat gelet op het commerciële karakter van de inrichting niet zonder meer aannemelijk is dat dit een verlagend effect zal hebben op de parkeerdruk in de omgeving van het pand. Bovendien zal de effectuering ervan niet kunnen worden afgedwongen.

Op de zitting heeft verweerder aangevoerd dat in de toename van de parkeerbehoefte vanwege de inrichting wordt voorzien doordat er binnen 10 jaar 8 parkeerplaatsen langs de Kralingseweg zullen worden gerealiseerd. Ook deze motivering acht de rechtbank onvoldoende. In dit verband wijst de rechtbank op de rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.2.4 van de uitspraak in zaak 11/4968, waaruit volgt dat verweerder is uitgegaan van een te lage parkeereis voor de inrichting. Ook wijst de rechtbank op rechtsoverweging 6.3.4 van die uitspraak. Hieruit volgt dat bij de onlangs gestarte herontwikkeling van de subbuurt 42.01 in totaal 32 openbare parkeerplaatsen mogelijk definitief zullen vervallen, terwijl niet zonder meer aannemelijk is dat dit geen invloed zal hebben op de parkeerdruk in de omgeving van het pand. Verweerder heeft deze herontwikkeling ten onrechte niet betrokken in zijn beoordeling van de invloed van de inrichting op het woon- en leefklimaat.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wat betreft de aantasting van het woon- en leefklimaat door de parkeerdruk strijd oplevert met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

9.1 Eisers hebben betoogd dat de terrassen gevaar opleveren voor het doelmatig en veilig gebruik van de Kortekade, omdat dit een smalle, drukke straat is. Daarnaast doen de terrassen volgens eisers afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de Kortekade, nu deze straat deel uitmaakt van een beschermd stadsgezicht en de terrassen bovendien niet voldoen aan de Kwaliteitseisen voor terrassen.

9.2 De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de vergunde terrassen naar verwachting gevaar opleveren voor een doelmatig en veilig gebruik van de Kortekade. Daarbij is van belang dat de dienst Gemeentewerken een positief advies over de terrassen heeft uitgebracht en voorts dat, zoals verweerder op de zitting onweersproken heeft aangevoerd, het trottoir langs de Kortekade dusdanig breed is dat de terrassen de doorgang van voetgangers en overige verkeersdeelnemers niet belemmeren.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers evenmin aannemelijk gemaakt dat het de verwachting is dat de terrassen afbreuk doen aan de bescherming van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. Daarbij is van belang dat de criteria uit de Kwaliteitseisen voor terrassen als voorwaarden aan vergunningen voor de ingebruikname van de openbare weg worden gesteld, zodat het eventueel niet voldoen aan deze criteria hoogstens kan leiden tot handhavend optreden. De enkele omstandigheid dat de Kortekade is gelegen binnen een beschermd stadsgezicht is onvoldoende om te kunnen aannemen dat de inrichting afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van het beschermd stadsgezicht.

10.1 Eisers hebben aangevoerd dat de vergunning onvoldoende rechtszekerheid biedt vanwege de ruime mogelijkheden ten aanzien van het gebruik van de kelder.

10.2 De rechtbank volgt eisers hierin niet. Daarbij is van belang dat de vergunning limitatief opsomt welke activiteiten zijn toegestaan. Voorts is bepaald dat maaltijden mogen worden verstrekt en dat (alcoholhoudende) dranken mogen worden geschonken. Daarnaast geldt een verbod op het draaien van mechanisch versterkte muziek en het gebruik van de kelder als zalen- en partycentrum. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank voldoende duidelijk welke activiteiten wel en niet zijn toegestaan in de kelder.

11.1 Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat verweerder bij het van toepassing verklaren van de zogenoemde afkoelperiode op de inrichting ten onrechte heeft nagelaten tevens de voorwaarden voor de afkoelperiode in de vergunning op te nemen.

11.2 Met artikel 9 van de Nadere regels is invulling gegeven aan de bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 2.3.9, negende lid, van de APV om voor een inrichting andere openings- en sluitingstijden vast te stellen, zo blijkt uit artikel 1 onder g van de Nadere regels. De rechtbank stelt vast dat de toepasselijkheid van de afkoelperiode op de inrichting reeds volgt uit artikel 9. Dit brengt met zich dat de voorwaarden die dit artikel stelt aan de afkoelperiode ook rechtstreeks voor de inrichting gelden. Verweerder heeft het opnemen van de afkoelperiode als afzonderlijke voorwaarde in de vergunning daarom achterwege kunnen laten en kunnen volstaan met het opnemen van een algemene passage daarover.

12. Uit het onder 7.3.3 en 8.3.4 overwogene volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus.

14. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar verweerder met de opdracht een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank doet dit, omdat niet uitgesloten kan worden dat verweerder in het nieuwe besluit op bezwaar de bij het primaire besluit verleende exploitatievergunning zal kunnen handhaven of in andere vorm een exploitatievergunning zal kunnen verlenen. Verwacht wordt dat de nieuwe afweging hieromtrent de nodige tijd in beslag zal nemen. In dit verband wijst de rechtbank op de strijdigheid van de terrassen met het bestemmingsplan, waarvan mogelijk ontheffing zal kunnen worden verleend. Daarnaast dient verweerder de bestaande en toekomstige, door de inrichting te veroorzaken, parkeerdruk (nader) te onderzoeken en te betrekken in zijn oordeel omtrent de invloed van de inrichting op het woon- en leefklimaat. Voorts dienen de definitieve gevolgen van de herontwikkeling van subbuurt 42.01 voor de parkeerdruk in de omgeving van het pand in de beoordeling te worden betrokken. Daarnaast wil de rechtbank partijen de gelegenheid geven om te bezien of er wellicht (op onderdelen) overeenstemming bereikt kan worden. Daarbij merkt de rechtbank op dat Van der Wel zich ter zitting namens vergunninghoudster bereid heeft verklaard de teambuildingbijeenkomsten voor bedrijven uit de exploitatievergunning te laten schrappen.

15. De vergunninghoudster heeft op de zitting desgevraagd meegedeeld dat de inrichting sinds september 2011 wordt geëxploiteerd. Nu de terrassen in strijd zijn met het bestemmingsplan, ziet de rechtbank aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat de drie vergunde terrassen niet geëxploiteerd mogen worden tot de datum van het nieuwe besluit op bezwaar.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1). Voor het verschijnen ter zitting worden geen proceskosten toegekend in verband met het feit dat de uitspraak in de (gevoegde) zaak 11/4968 reeds een veroordeling ter zake bevat.

Verweerder zal bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens dienen te beslissen op het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de drie vergunde terrassen aan de Kortekade niet geëxploiteerd mogen worden tot de datum van het nieuwe besluit op bezwaar,

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 437,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. C.E. Bos en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.