Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV9671

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
348808 / HA ZA 10-570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Uitleg artikel 2.2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (2000).

Verzekeraar vordert verklaring voor recht dat pallethandel aansprakelijk is voor brandschade aan naastgelegen bedrijfspand. Volgens de verzekeraar heeft de brand naar genoemd bedrijfspand kunnen overslaan doordat de pallethandel in strijd met geldende veiligheidsvoorschriften handelde. De pallethandel betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld.

Op grond van artikel 2.2 BBr (2000) kan de verzekeraar slechts verhaal nemen op de pallethandel indien sprake is van een ter zake van de brand aan een persoon te maken verwijt waarvoor de pallethandel aansprakelijk is. De verzekeraar krijgt opdracht te bewijzen dat het risico op brandoverslag in relevante mate is verhoogd doordat de pallets op het terrein van de pallethandel op het moment van het ontstaan van de brand in strijd met de voorschriften waren opgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 348808 / HA ZA 10-570

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

(voorheen Fortis Corporate Insurance N.V.)

gevestigd te Rotterdam,

3. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERING N.V.,

(voorheen Nieuwe Hollandse Lloyd Schadeverzekering N.V.)

gevestigd te Zoetermeer,

5. de naamloze vennootschap

NASSAU VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. B.S. Janssen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Hoek van Holland,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Allianz c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 2 februari 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord d.d. 28 april 2010, met producties;

- de conclusie van repliek d.d. 22 december 2010, met producties;

- de conclusie van dupliek d.d. 4 mei 2011, met producties.

- de akte uitlating producties d.d. 29 juni 2011 van de zijde van Allianz c.s., met productie;

- de akte d.d. 10 augustus 2011 van de zijde van [gedaagde].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het navolgende vast.

Artikel 2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (2000), hierna ook wel aangeduid als 'Bedrijfsregeling Brandregres' of 'BBr', luidt als volgt:

'2. Brandverzekeraars zullen hun verhaalsrecht jegens niet-particulieren niet verder uitoefenen dan tot een bedrag van f 1.000.000,- per schadegebeurtenis (500.000 euro per schadegebeurtenis ontstaan na 31 december 2001) of zoveel hoger als door de overheid aan verzekeringsdekking voor aansprakelijkheid bij of krachtens de wet verplicht terzake wordt voorgeschreven.

(...)

2.2 Het recht van verhaal jegens niet-particulieren zal alleen worden uitgeoefend indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.'

In de toelichting op artikel 2 BBr is, voor zover relevant, vermeld:

'De BBr gaat uit van het principe dat regres gepleegd moet kunnen worden op eenieder die verantwoordelijk is voor onzorgvuldig handelende personen. Bepalend is dus of onzorgvuldig handelen of nalaten een relevante factor is geweest bij het ontstaan van de brand. De aard van de aansprakelijkheid zelf (risico- of schuldaansprakelijkheid) is niet bepalend. Voorbeeld: regres op een hoofdaannemer, die volgens 6:171 BW aansprakelijk (risicoaansprakelijkheid!) is voor het onzorgvuldig handelen van werknemers van een onderaannemer, is mogelijk. De brandverzekeraar kan dus zowel de hoofdaannemer als de onderaannemer aanspreken. (...)

Met onzorgvuldigheid wordt bedoeld de juridische schuld van artikel 6:162 BW (verwijtbaar handelen of nalaten en/of toerekening van een oorzaak).'

Op 12 december 2000 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maassluis aan Europe Pallet B.V. en [partij X], beide gevestigd aan [adres], een beschikking afgegeven op grond van artikel 5 van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer van 22 juli 2000. Deze beschikking bevat onder meer de volgende voorschriften:

'1.5.1 De afstand tussen de erfgrens, gelegen aan de zuidwest zijde van de inrichting, en de dichtstbijzijnde palletopslag mag niet minder bedragen dan 12,5 meter (zoals aangegeven op de bij de melding behorende plattegrondtekening met het kenmerk W4090.99, tekeningnummer 003, wijziging C, van 24 mei 2000).

1.5.2 De afstand tussen de erfgrens, gelegen aan de noordwest zijde van de inrichting, en de dichtstbijzijnde palletopslag mag niet minder bedragen dan 11 meter (zoals aangegeven op de bij de melding behorende plattegrondtekening met het kenmerk W4090.99, tekeningnummer 003, wijziging C, van 24 mei 2000).

1.5.3 De afstand tussen de erfgrens, gelegen aan de zuidoost zijde van de inrichting (op de noordwest gevel van het bedrijfspand aan de Heldringstraat 39), en de dichtstbijzijnde palletopslag mag niet minder bedragen dan 8,5 meter (zoals aangegeven op de bij de melding behorende plattegrondtekening met het kenmerk W4090.99, tekeningnummer 003, wijziging C, van 24 mei 2000).

1.5.4 (...)

1.5.5 (...)

1.5.6 De maximale hoogte van een palletopslag mag 6 meter bedragen. Met die uitzondering dat over een lengte van 4 meter aan de noordwest zijde en 3 meter aan de zuidoost zijde van de palletopslag, de maximale hoogte 3 meter mag bedragen.

1.5.7 Het gehele terrein van de inrichting mag niet ongecontroleerd toegankelijk zijn voor onbevoegden. Hiertoe zal om dit terrein een deugdelijke omheining en/of hekwerk, met een minimale hoogte van 2,5 meter, moeten zijn aangebracht, dat buiten de bedrijfstijden is gesloten.

Toelichting:

Hierbij mag gebruik gemaakt worden van het hekwerk van omliggende inrichtingen, mits aan de gestelde eisen wordt voldaan. De indiener van de melding blijft echter verantwoordelijk voor de status van het hekwerk.

1.5.8 De inrichtinghouder dient de in het vorige voorschrift bedoelde omheining en/of hekwerk regelmatig te controleren op defekten of onregelmatigheden (zoals tegen de omheining geplaatste voorwerpen om het eroverheen klimmen eenvoudiger te maken). Defekten of onregelmatigheden dienen direkt te worden verholpen.'

Verder staat in de hiervoor bedoelde beschikking op pagina 3, eerste en derde alinea:

'Het uitgangspunt bij het vaststellen van deze benodigde afstanden is dat overeenkomstig voorschrift 2.3.1 van het Besluit bouw- en houtbedrijven de warmtestraling op de erfgrens van de inrichting niet hoger is dan 15 kW per m2. Aangezien voorschrift 2.3.1 onder b van dit besluit slechts bepaalt dat de afstand van de houtstapel tot de erfgrens ten minste 7,5 m moet bedragen terwijl de benodigde afstanden groter zijn om aan deze intensiteit te voldoen, zijn overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder a en voorschrift 4.7.1 van dit besluit aan de benodigde afstanden in de voorschriften 1.5.1 t/m 1.5.3 van deze beschikking nadere eisen gesteld. In de nadere eisen genoemd onder voorschriften 1.5.1 tot en met 1.5.3. van de onderhavige beschikking worden minimale afstandscriteria van palletopslagen tot de erfgrenzen geëist in het kader van de brandveiligheid.

(...)

De warmtestraling wordt naast de afstand van de houtopslag tot de erfgrens tevens bepaald door de hoogte, de breedte en de onderlinge afstand van een opslagvak met hout. Daarom zijn in de voorschriften 1.5.4 t/m 1.5.6 van deze beschikking overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder a en voorschrift 4.7.1 van het Besluit bouw- en houtbedrijven aan de hoogte, de breedte en de onderlinge afstand van een opslagvak met hout nadere eisen gesteld.'

In een verslag d.d. 13 maart 2001 van DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) betreffende een periodieke controle bij Europe Pallet B.V. en [gedaagde] staat onder meer:

'(...)

- het handelen van pallets buiten de opslagvakken valt niet onder de definitie van opslag, zoals bedoeld in de voorschriften onder paragraaf 1.5 van de nadere eis.

Dit betekent dat tijdens werktijd het aanwezig zijn van pallets buiten de opslagvakken is toegestaan. Buiten werktijd en/of de tijd dat er binnen de inrichting geen met toezicht belaste persoon aanwezig is, moeten de pallets worden opgeslagen overeenkomstig de gestelde voorschriften;

(...)

Actie

Aanschrijven Europe Pallet BV en [gedaagde] (...) inzake:

- (...);

- de opslag van de pallets. Buiten werktijd en/of de tijd dat er geen met toezicht belaste persoon op het terrein aanwezig is, moeten de pallets overeenkomstig de afstandseisen en hoogten, zoals bedoeld in de voorschriften van de op 12 december 2001 vastgestelde nadere eis worden opgeslagen.'

Op 22 juni 2003 heeft een brand gewoed op het bedrijfsterrein gelegen aan [adres], dat op dat moment geheel bij [gedaagde] in gebruik was.

Als gevolg van de brand is schade ontstaan aan het belendende bedrijfspand (en de bijbehorende inventaris) van [partij Y]. Deze schade is op grond van een verzekeringsovereenkomst door Allianz c.s. aan [partij Y] vergoed.

In een verslag van DCMR d.d. 22 juni 2003 betreffende de brand op het bedrijfsterrein van [gedaagde] staat, onder meer, het volgende:

'Na aanvankelijk besloten te hebben voor gecontroleerd laten uitbranden, is in een later stadium toch gekozen voor uit elkaar trekken met een shovel en blussing, een tactiek mede gebaseerd op het voorval aan de Driemansteegweg, die ook nu weer goed leek uit te pakken.'

In opdracht van de verzekeraar van [gedaagde] heeft [partij Z] (hierna te noemen: '[Z]') in samenwerking met de Technische recherche van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond onderzoek gedaan naar de brand. [Z] heeft haar bevindingen vastgelegd in een rapport d.d. 4 augustus 2003. In dat rapport staat, voor zover van belang, het volgende.

'2.2 Brandbeeld

(...)

Het pand van de firma [Y] ging ten gevolge van deze brand vrijwel geheel verloren. Aan de zijde van het palletbedrijf waren op hoger niveau in de zijgevel ruiten (draadglas) gesitueerd geweest. Het is waarschijnlijk te achten dat het vuur zich onder andere via deze ruiten uitbreidde in het pand (foto's 13 t/m 16). Deze uitbreiding is zeer waarschijnlijk te verklaren door de aanzienlijke vuurbelasting van de opgeslagen pallets. Restanten van deze pallets werden op zondag 22 juni 2003 tot nabij de zijgevel van het pand van de firma [Y] aangetroffen. Men verrichtte hier op die zondag nog nabluswerkzaamheden (foto's 17 t/m 19). Met name (lucht)foto 19 geeft een beeld van de ligging van die restanten ten opzichte van het onderhavige pand. Indien stapels pallets tijdens deze brand omgevallen zijn, kunnen deze tot zeer dicht bij de zijgevel van het pand van de firma [Y] zijn gevallen.

(...)'

'2.3 Opslag van pallets

(...)

Aan de zijde van het pand van de firma [Y] diende de afstand tussen de pallets en de erfscheiding c.q. het pand 8,5 meter te bedragen. Ter plaatse van de opslag aan de voorzijde van het terrein werd deze gecontroleerd en in orde bevonden. Op luchtfoto 29 is zichtbaar dat de restanten van de pallets aan de achterzijde van het terrein enigszins dichter bij de omheining liggen. Mogelijk hebben de pallets hier iets dichter bij het hekwerk gestaan dan was toegestaan, doch dit kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.

(...)'

'5. Samenvatting en conclusie

Gezien het vorenstaande kan als resultaat van de ingestelde expertise, daarbij gelet op gedane mededelingen en afgelegde verklaringen, worden gesteld dat:

- ten gevolge van deze brand aanzienlijke schade ontstond;

- de uitbreiding naar de belendende percelen een logisch en verklaarbaar gevolg van deze brand was;

- gezien de mededelingen van de brandweerlieden [A] en [B] het vuur in aanvang in de palletopslag aan de achterzijde van het bedrijfsterrein woedde;

- ter hoogte van deze plaats geen componenten van de elektrische installatie dan wel daarop aangesloten stroomverbruikers gesitueerd waren en een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand uitgesloten kan worden;

- de opslag van de pallet op het terrein zeer waarschijnlijk conform de voorschriften geschiedde;

(...)

- er met zekere regelmaat klachten uit de directe omgeving waren met betrekking tot de brandveiligheid in verband met de positie van de pallets op het terrein en

- door de gemeente milieudienst controles werden gehouden en er de laatste twee jaar geen overtredingen werden geconstateerd.'

Op 15 december 2003 heeft DGMR Raadgevende Ingenieurs B.V. (hierna te noemen: 'DGMR') een rapport opgesteld betreffende een beoordeling van de aan [gedaagde] afgegeven beschikking d.d. 12 december 2000. Daarin staat onder het kopje 'samenvatting':

'Op 22 juni 2003 heeft een brand gewoed in de pallethandel van de firma [gedaagde] te Maassluis. Bij de brand is brandoverslag opgetreden naar buurpercelen, terwijl B&W van de gemeente Maassluis recent nog in een beschikking toestemming hebben verleend voor de inrichting onder specifieke voorwaarden ter voorkoming van brandoverslag.

In opdracht van Crawford & Company B.V. heeft DGMR onderzocht of de gemeente Maassluis de beschikking op goede gronden heeft verleend.

DGMR komt tot de conclusie dat dat niet het geval is. Het onderzoeksrapport dat Adromi B.V. te Hendrik Ido Ambacht ter onderbouwing van de beschikking heeft opgesteld getuigt van een gebrek aan inzicht in de state-of-the-art van de brandoverslaganalyse, en bevat diverse tekortkomingen en regelrechte fouten.

De gemeente Maassluis heeft, door de onderzoeksrapportage van Adromi B.V. te volgen, een belangrijke voorwaarde genoemd in de beschikking feitelijk laten vallen. In plaats van de stralingsflux op de erfgrens tot 15 kW/m2 te begrenzen heeft de gemeente de voorwaarden zo gesteld dat pas op de naastgelegen gebouwen de straling tot die kritieke waarde is gedaald.'

Van een rapport van 25 maart 2009 van Crawford & Company (Nederland) B.V. (hierna te noemen: Crawford), betreffende een onderzoek naar de situatie op het terrein van [gedaagde] voorafgaand aan de brand van 22 juni 2003, luidt de conclusie, voor zover relevant:

'Op grond van het bovenstaande kan de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] Pallethandel BV haar voorraad pallets niet conform de beschikking van de gemeente opgeslagen en gestapeld heeft gehad.

(...)

In geen van de onderzochte situaties voldeed de palletopslag aan de in de beschikking van de Gemeente Maassluis gestelde criteria.

Op basis van de foto's lijkt er een tendens waarneembaar te zijn dat het terrein steeds voller met pallets komt te staan en dat, naarmate de tijd vordert, de palletblokken steeds groter worden en steeds dichter tegen de erfgrens komen te staan.'

Het geschil

Allianz c.s. vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat [gedaagde] ten opzichte van de verzekeraars aansprakelijk is voor de schade die als gevolg van de brand is ontstaan aan het bedrijfspand (en de zich daarin bevindende inventaris) van [partij Y] en [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] voert verweer tegen deze vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Allianz c.s. in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Allianz c.s. heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar verzekerde, [partij Y], heeft gehandeld, doordat zij in strijd met de geldende veiligheidsvoorschriften:

- haar terrein niet deugdelijk omheind had;

- niet voldeed aan de geldende warmtestralingseis;

- pallets te hoog en te dicht bij de erfgrens opsloeg.

Volgens Allianz c.s. heeft door deze handelwijze de brand van 22 juni 2003 kunnen ontstaan en kunnen overslaan naar het pand van [partij Y]. Zij acht [gedaagde] daarom aansprakelijk voor de schade die [partij Y] als gevolg van de brand heeft geleden. Aangezien Allianz c.s. deze schade op basis van een verzekeringsovereenkomst aan [partij Y] heeft vergoed, is zij gerechtigd de onderhavige vordering jegens [gedaagde] in te stellen, aldus Allianz c.s.

[gedaagde] heeft betwist dat zij in strijd met enig voorschrift heeft gehandeld. Volgens haar is er dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW of van onzorgvuldig handelen of nalaten als bedoeld in artikel 2.2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (2000).

Voor zover de rechtbank toch zou oordelen dat ten tijde van het ontstaan van de brand pallets in strijd met de voorschriften waren opgeslagen, betreft dat volgens [gedaagde] in ieder geval niet de pallets aan de achterzijde van het terrein waar de brand is ontstaan en naar het pand van [partij Y] is overgeslagen.

Voor het geval mocht komen vast te staan dat de palletopslag op het terrein in strijd met de geldende warmtestralingseis plaatsvond, heeft [gedaagde] betoogd dat zij mocht vertrouwen op de beschikking d.d. 12 december 2000, zodat van onrechtmatig handelen of enige verwijtbaarheid geen sprake is. Gelet op artikel 2.2. van de Bedrijfsregeling Brandregres (2000) staat het Allianz c.s. daarom niet vrij regres te nemen op [gedaagde].

[gedaagde] heeft verder naar voren gebracht dat het overslaan van de brand naar het pand van [partij Y] mogelijk is te wijten aan een verkeerde beoordeling van de situatie door de brandweer, als gevolg waarvan te laat dan wel onvoldoende geblust is.

Volgens [gedaagde] valt bovendien niet in te zien hoe enige norm die geschonden zou zijn, strekt tot bescherming van de belangen van [Y] dan wel van de verzekeraars.

Ten slotte heeft [gedaagde] er op gewezen dat het regres van Allianz c.s. op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres (2000) hoe dan ook beperkt is tot een bedrag van EUR 500.000,-. Volgens [gedaagde] heeft Allianz c.s. daarom niet (zonder meer) belang bij de gevorderde verklaring voor recht. In ieder geval is het petitum te ruim geformuleerd omdat daarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen de geleden schade en de schade die verhaalbaar is, zo heeft [gedaagde] betoogd.

De rechtbank constateert dat beide partijen ervan uitgaan dat de Bedrijfsregeling Brandregres van toepassing is. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de vraag welke gevolgen de toepasselijkheid van de Bedrijfsregeling Brandregres heeft voor de beoordeling van de vordering van Allianz c.s. Vervolgens zullen de door Allianz c.s. gestelde, en door [gedaagde] betwiste, overtredingen van de geldende veiligheidsvoorschriften door [gedaagde] aan de orde komen.

Bedrijfsregeling Brandregres (2000)

[gedaagde] heeft - naar het oordeel van de rechtbank terecht - opgemerkt dat de regresvordering van Allianz c.s. op grond van artikel 2 BBr in ieder geval beperkt is tot € 500.000,-. Dit brengt met zich mee dat de door Allianz c.s. gewenste verklaring voor recht in ieder geval niet kan worden toegewezen als gevorderd, nu daaruit niet blijkt dat [gedaagde] slechts aansprakelijk is tot een bedrag van € 500.000,-.

Volgens [gedaagde] wordt de regresvordering van Allianz c.s. verder beperkt door artikel 2.2 BBr, waaruit volgt dat Allianz c.s. slechts verhaal kan nemen op [gedaagde] voor zover de aansprakelijkheid van [gedaagde] verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat bij onzorgvuldig handelen of nalaten als bedoeld in deze bepaling sprake moet zijn van daadwerkelijk verwijtbaar handelen.

Allianz c.s., daarentegen, heeft betoogd dat onzorgvuldig handelen of nalaten in de zin van artikel 2.2 BBr gegeven is wanneer aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW bestaat. Gelet op de mogelijkheid van toerekening van een oorzaak is verwijtbaarheid derhalve geen noodzakelijke voorwaarde voor aansprakelijkheid, aldus Allianz c.s.

De rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van een regeling als de BBr, zijnde een regeling van algemene aard die zich uitstrekt naar niet bij het opstellen daarvan betrokken derden, vooral moet worden gelet op de bewoordingen ervan, bezien in het licht van de gehele tekst en op de bijbehorende, voor derden toegankelijk toelichting, waarbij het gaat om de betekenis en eventuele bedoeling van de opstellers die daaruit naar objectieve maatstaven volgt. Gelet op de hiervoor weergegeven tekst van en toelichting op artikel 2.2 BBr dient, naar het oordeel van de rechtbank, de passage 'indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten' zo te worden begrepen dat er sprake moet zijn van een ter zake van de brand aan een persoon te maken verwijt. Indien dat het geval is, kan het recht van verhaal worden uitgeoefend jegens eenieder die daarvoor aansprakelijk is, ongeacht de aard van de aansprakelijkheid. Daarbij is mede van belang dat met deze bepaling kennelijk is beoogd de kring van regresdebiteuren te beperken (namelijk tot diegenen die verantwoordelijk zijn voor onzorgvuldig handelende personen). Bij de uitleg die Allianz c.s. voorstaat, zou van artikel 2.2. BBr echter geen enkele beperkende werking uitgaan omdat voor het bestaan van een regresvordering de enkele aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad reeds voldoende zou zijn.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat aan [gedaagde] toe te rekenen verwijtbaar handelen een noodzakelijke voorwaarde is voor toewijzing van vordering van Allianz c.s.

Overtreding van veiligheidsvoorschriften

Vervolgens komt aan de orde de door Allianz c.s. gestelde, en door [gedaagde] betwiste, overtreding van veiligheidsvoorschriften door [gedaagde].

Het gaat daarbij om de voorschriften betreffende:

1. de deugdelijke omheining van het bedrijfsterrein;

2. de maximale warmtestraling;

3. de hoogte van de opgestapelde pallets en de afstand van de pallets tot de erfgrens.

Voornoemde punten zullen hieronder achtereenvolgens worden besproken.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast met betrekking tot de gestelde overtredingen alsmede - met inachtneming van hetgeen hiervoor met betrekking tot artikel 2.2. BBr is overwogen - het onzorgvuldige karakter van deze overtredingen, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op Allianz c.s. rust. In dit verband verdient opmerking dat het tijdverloop sedert de brand (van 22 juni 2003) bewijsvoering omtrent de toenmalige feitelijke omstandigheden niet eenvoudig zal maken, hetgeen voor risico (bewijsrisico) van Allianz c.s. komt.

Ad 1: deugdelijke omheining

(artikel 1.5.7 van de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000)

Allianz c.s. heeft gesteld dat het bedrijfsterrein van [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand niet deugdelijk omheind was, zodat niet werd voldaan aan het voorschrift van artikel 1.5.7 van de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft Allianz c.s. er op gewezen dat in het rapport van [Z] d.d. 4 augustus 2003 is vermeld dat op diverse plaatsen vrij eenvoudig over het hekwerk kon worden geklommen. Aangezien in de nadere eis is vermeld dat het gehele terrein niet ongecontroleerd toegankelijk mag zijn voor onbevoegden, brengt het enkele feit dat op diverse plaatsen gemakkelijk over het hekwerk kon worden geklommen volgens Allianz c.s. met zich mee dat de omheining als ondeugdelijk moet worden beschouwd.

[gedaagde] heeft tot haar verweer aangevoerd dat de omheining aan alle daaraan te stellen vereisten voldeed. Zij heeft weersproken dat gemakkelijk over het hekwerk kon worden geklommen.

De rechtbank acht de enkele opmerking in het rapport van [Z] dat op diverse plaatsen vrij eenvoudig over het hekwerk kon worden geklommen, onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] het voorschrift van artikel 1.5.7. van de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000 heeft overtreden.

Weliswaar staat in artikel 1.5.7 van de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000 dat het gehele terrein van de inrichting niet toegankelijk mag zijn voor onbevoegden, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat op [gedaagde] de verplichting rustte verdergaande maatregelen te nemen dan het plaatsen van het hiertoe voorgeschreven deugdelijke hekwerk met een minimale hoogte van 2,5 meter. Aangezien [gedaagde] heeft verklaard dat een dergelijk hekwerk aanwezig was, had het op de weg van Allianz c.s. gelegen meer concreet te stellen waarom het hekwerk niet aan het voorschrift voldeed.

Nu zij dit niet heeft gedaan, wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen.

De gestelde overtreding van het voorschrift betreffende de omheining van het terrein biedt dan ook geen grond voor toewijzing van de vordering.

Ad 2: warmtestraling

(artikel 2.3.1. sub a van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer)

Allianz c.s. heeft gesteld dat bij de opslag van pallets door [gedaagde] de op grond van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer maximaal toegestane warmtestraling van 15 kW per vierkante meter werd overschreden. Volgens Allianz c.s. zou dit reeds het geval zijn geweest bij opslag conform de door de gemeente gestelde nadere eisen en gold dit des te meer nu [gedaagde] zich feitelijk niet aan deze voorschriften hield en de pallets te hoog en te dicht bij de erfgrens opsloeg.

De stelling dat [gedaagde] de pallets te hoog en te dicht bij de erfgrens opsloeg zal hierna onder ad 3 aan de orde komen. De verdere bespreking van dit onderdeel betreft dan ook uitsluitend de stelling van Allianz c.s. dat (ook) bij palletopslag conform de nadere eisen overschrijding van de geldende warmtestralingseis plaatsvond.

Allianz c.s. heeft ter onderbouwing van deze stelling gewezen op het rapport van DGMR van 15 december 2003 en de aanvullende brief van DGMR van 5 juli 2006, waarin wordt geconcludeerd dat wanneer bij de door de gemeente voorgeschreven wijze van palletopslag meer dan één palletvak in brand staat (hetgeen bij de brand in juni 2003 het geval was) de stralingswarmte meer dan de maximaal toegestane 15kW per vierkante meter bedraagt.

[gedaagde] heeft betwist dat bij palletopslag conform de nadere eisen, zoals deze volgens haar feitelijk plaatsvond, sprake zou zijn geweest van een warmtestraling van meer dan 15 kW per vierkante meter.

Voor het geval toch mocht komen vast te staan dat de warmtestralingseis in die situatie werd overschreden, heeft zij betoogd dat de gemeente door het geven van de nadere eisen is afgeweken van de warmtestralingseis van 15 kW per vierkante meter en de maximaal toegestane warmtestraling heeft bepaald op de warmtestraling die zich feitelijk zou voordoen bij palletopslag conform de nadere eisen.

[gedaagde] heeft ten slotte aangevoerd dat haar van een eventuele overtreding van het voorschrift betreffende warmtestraling geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij mocht vertrouwen op de beschikking, zodat het Allianz c.s. gelet op artikel 2.2 BBr niet vrijstaat regres op haar te nemen.

Ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op artikel 2.2 BBr overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, rust op Allianz c.s. de verplichting feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de gestelde overschrijding van de maximaal toegestane warmtestraling verband houdt met aan [gedaagde] toe te rekenen onzorgvuldig (verwijtbaar) handelen. De rechtbank begrijpt de stellingen van Allianz c.s. aldus dat volgens Allianz c.s. de maximaal toegestane warmtestraling is overschreden, dat deze overschrijding krachtens verkeersopvattingen aan [gedaagde] kan worden toegerekend en dat dit voldoende is voor toewijzing van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat Allianz c.s. hiermee niet aan haar stelplicht ten aanzien van het ingevolge artikel 2.2 BBR vereiste 'onzorgvuldig handelen of nalaten' heeft voldaan. Daarbij is het volgende van belang.

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat in het kader van de behandeling van de vergunningaanvraag van [gedaagde] ingevolge de Wet Milieubeheer (welke aanvraag na de inwerkingtreding van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer verder is afgewikkeld als een melding op grond van artikel 6 van dat besluit) onderzoek is gedaan naar de warmtestraling bij opslag van pallets op het terrein van [gedaagde]. Kennelijk heeft de gemeente Maassluis op basis van dit onderzoek, uitgevoerd door Adromi B.V., de in de beschikking d.d. 12 december 2000 opgenomen nadere eisen vastgesteld, er daarbij van uitgaande dat de warmtestraling niet boven het maximum van 15 kW per vierkante meter zou uitkomen wanneer aan deze eisen zou worden voldaan. Dit laatste kan worden afgeleid uit de beschikking van 12 december 2000, pagina 3, eerste en derde alinea (zie punt 2.5.).

Gegeven deze feitelijke achtergrond is het niet op voorhand onaannemelijk dat [gedaagde], zoals zij heeft gesteld, er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat aan de warmtestralingseis werd voldaan als de pallets conform de nadere eisen werden opgeslagen. Mede gelet daarop had van Allianz c.s. mogen worden verwacht dat zij concreet zou stellen waaruit met betrekking tot dit aspect het onzorgvuldig handelen, in de zin van artikel 2.2 BBr, van [gedaagde] jegens [partij Y] heeft bestaan. Allianz c.s. heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat aan een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van de mogelijkheid van regres niet is voldaan. Reeds daarom is de vordering niet op grond van het overtreden van het voorschrift betreffende de warmtestraling (bij palletopslag conform de nadere eisen) toewijsbaar. Hetgeen partijen verder over en weer hebben aangevoerd met betrekking tot de gestelde overtreding van het warmtestralingsvoorschrift bij palletopslag conform de nadere eisen behoeft dan ook geen nadere bespreking.

Ad 3: hoogte en afstand tot de erfgrens

(artikel 1.5.1 tot en met 1.5.3 en 1.5.6 van de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000)

Allianz c.s. heeft gesteld dat de pallets op het terrein van [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand dichter bij de erfgrens en hoger waren opgeslagen dan toegestaan. Zij heeft deze stelling onderbouwd door overlegging van het rapport van Crawford van 25 maart 2009, diverse foto's (productie 18A tot en met 18E bij de conclusie van repliek) en verklaringen van de brandweerlieden [A], [C] en [D] van december 2010 (productie 19 tot en met 21 bij de conclusie van repliek).

Volgens Allianz c.s. wordt haar standpunt verder ondersteund door enkele opmerkingen in het rapport van [Z] van 4 augustus 2003 en door diverse stukken betreffende eerdere klachten en overtredingen, waaruit blijkt dat bij [gedaagde] sprake was van structurele schending van de geldende voorschriften.

[gedaagde] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij de voorschriften betreffende de hoogte van de pallets en de aan te houden afstand tot de erfgrens heeft overtreden. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar verschillende onderzoeken naar de brand - het onderzoek van [Z], dat plaatvond in samenwerking met de technische recherche van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, alsook verschillende onderzoeken uitgevoerd door de gemeente en door DCMR - waaruit volgens haar blijkt dat er op het moment van het ontstaan van de brand geen sprake was van overtreding van enig voorschrift.

De rechtbank overweegt als volgt. Indien komt vast te staan dat de pallets ten tijde van het ontstaan van de brand in strijd met de bij beschikking van 12 december 2000 vastgestelde nadere eisen waren opgesteld en aannemelijk is dat daardoor het risico van overslag van de brand richting [partij Y] is verhoogd, is de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door [partij Y] als gevolg van de brand geleden schade daarmee gegeven. In dat geval is er immers sprake van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen jegens [partij Y], bestaande in het opslaan van pallets in strijd met veiligheidsnormen die ertoe strekken brandoverslag te voorkomen. Gelet op de verantwoordelijkheid van [gedaagde] voor de naleving van de nadere eisen kan deze onrechtmatige daad aan [gedaagde] worden toegerekend.

Een en ander zou betekenen dat de vordering van Allianz c.s. toewijsbaar zou zijn, met dien verstande dat uit de door de rechtbank uit te spreken verklaring voor recht zou moeten blijken dat de vordering van Allianz c.s. op [gedaagde] beperkt is tot het in het BBR 2000 vermelde maximum.

Gelet op het verweer van [gedaagde] moet worden nagegaan in hoeverre op basis van de stukken waarop Allianz c.s. zich heeft beroepen (al dan niet voorshands) bewezen kan worden geacht dat de pallets op het moment van het ontstaan van de brand in strijd met de geldende voorschriften waren opgesteld. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

Het rapport van Crawford d.d. 25 maart 2009

De conclusie van Crawford in haar rapport van 25 maart 2009, dat [gedaagde] niet voldeed aan de nadere eisen, is gebaseerd op een analyse van een luchtfoto van het kadaster, foto's uit het rapport van [Z] en afgegeven door DCMR alsmede een luchtfoto op de website van de gemeente. Met betrekking tot deze foto's overweegt de rechtbank als volgt.

De luchtfoto van het kadaster dateert uit 2002 en van de luchtfoto op de website van de gemeente is niet bekend is op welke datum deze genomen is. Voor zover uit deze foto's enige overtreding van de eisen betreffende de hoogte van de pallets en te hanteren afstanden kan worden afgeleid, is daarmee derhalve nog niet gegeven dat een dergelijke (relevante) overtreding ook direct voorafgaand aan de brand plaatsvond.

De foto's afkomstig uit het rapport van [Z] (bijlage 3 bij het rapport van Crawford) zijn gemaakt tijdens en na afloop van de brand. Ditzelfde geldt kennelijk voor de foto's die door Crawford worden aangeduid als 'Foto's DCMR' (bijlage 4 bij het rapport). Op basis van deze foto's concludeert Crawford, voor zover hier relevant, de volgende normoverschrijdingen:

1. palletblok A: 6 (in plaats van 3) meter hoog;

2. palletblok A: afstand tot erfgrens noodwestzijde 5,5 (in plaats van 11) meter;

3. palletblok B: afstand tot erfgrens noordwestzijde 6 (in plaats van 11) meter;

4. palletblok B: afstand tot erfgrens zuidoostzijde 5 (in plaats van 8,5) meter;

5. palletblok F: afstand tot zuidoostzijde 4 (in plaats van 8,5) meter.

De door Crawford gehanteerde situatieschets (bijlage 2 van productie 15 bij dagvaarding) is hieronder weergegeven. De eerder genoemde palletblokken zijn daarin met de bijbehorende letters aangeduid. Bezien vanuit het perspectief van deze schets was het pand van [partij Y] gelegen aan de rechterzijde van het terrein van [gedaagde].

De rechtbank is van oordeel dat van de door Crawford geconstateerde overtredingen uitsluitend die betreffende het aanhouden van een te geringe afstand tussen palletblok F (het palletblok dat het dichtst bij de achterzijde van het terrein gesitueerd was) en de erfgrens aan de zijde van [partij Y] (zuidoostzijde) van belang is voor de verdere beoordeling. Ten aanzien van de palletblokken A en B is immers geen sprake van het voor aansprakelijkheid vereiste causale verband tussen de door Crawford geconstateerde normovertredingen enerzijds en de door [partij Y] geleden schade anderzijds. De genoemde palletblokken hebben niet in brand gestaan. Vanuit de palletblokken A en B heeft dan ook geen brandoverslag naar het pand van [partij Y] kunnen plaatsvinden.

Met betrekking tot de hiervoor bedoelde overtreding betreffende palletblok F is van belang dat [gedaagde] heeft betwist dat de foto's waarop Crawford haar conclusie heeft gebaseerd, een betrouwbaar beeld geven van de situatie voorafgaand aan de brand. Volgens [gedaagde] zijn tijdens de brand immers op grote schaal pallets verplaatst. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van deze verplaatsing van pallets verscheidene verklaringen van betrokkenen ([partijen]) overgelegd. Zij heeft er verder op gewezen dat op diverse foto's te zien is dat aangebrande pallets op en naast niet door de brand aangetaste pallets staan.

Allianz c.s. heeft staande gehouden dat de foto's een goed beeld vormen van de situatie kort voor de brand. Zij heeft betwist dat de door [gedaagde] gestelde verplaatsing van pallets daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Allianz c.s. heeft zich in dit verband beroepen op de verklaringen van [A], [C] en [D], waarin te lezen valt dat deze brandweerlieden geen shovels op het terrein hebben gezien, dat van de brandweer niemand het terrein op mocht en dat de situatie op het terrein ook te gevaarlijk was om pallets te verplaatsen op de wijze als door [gedaagde] gesteld.

[gedaagde] heeft de juistheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [A], [C] en [D] betwist. Daarnaast heeft zij gewezen op de opmerking in het verslag van DCMR d.d. 22 juni 2003 dat bij de bestrijding van de brand op enig moment is gekozen voor de tactiek van 'uit elkaar trekken met een shovel en blussing'.

Ten aanzien van het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. Hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht over de verplaatsing van pallets tijdens de brand, komt de rechtbank niet op voorhand onaannemelijk voor. Het betoog van Allianz c.s. in punt 3.5 en 3.6 van haar akte uitlating producties, dat er op neerkomt dat de verklaringen van Slaghuis, Don en Ammerlaan onderling tegenstrijdig zijn en dat de onjuistheid van deze verklaringen verder blijkt uit de verklaringen van de brandweerlieden, de evaluatie van de brand door de gemeente d.d. oktober 2003 en het verslag van de openbare vergadering van de commissie Algemene Zaken van de gemeente Maassluis d.d. 27 oktober 2003 - roept weliswaar vragen op omtrent de feitelijke gang van zaken tijdens de brand, maar is - mede gelet op de betwisting van de verklaringen van de brandweerlieden door [gedaagde] - voorshands onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.

Nu vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat (in relevante mate) sprake is geweest van verplaatsing van pallets tijdens de brand, is onduidelijk in hoeverre foto's die tijdens en na de brand zijn gemaakt relevant zijn voor de onderhavige beoordeling. Gelet daarop biedt het rapport van Crawford onvoldoende grond om (voorshands) bewezen te achten dat de pallets direct vóór de brand niet conform de nadere eisen waren opgeslagen.

Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de foto's waarop Allianz c.s. zich beroept wel een betrouwbaar beeld geven van de situatie op het terrein van [gedaagde] op het moment dat de brand ontstond, is van belang dat [gedaagde] verder heeft betwist dat van de door Crawford gebruikte foto's zuiver kan worden gemeten. Voorts komt dan aan de orde het verweer van [gedaagde], inhoudend dat de foto's die behoren tot bijlage 3 en 4 van het rapport van Crawford zijn gemaakt door [Z], die het juist voldoende waarschijnlijk heeft geoordeeld dat [gedaagde] aan de in de beschikking gestelde eisen voldeed, hetgeen moeilijk met elkaar te rijmen valt.

Foto's overgelegd als productie 18A tot en met 18E bij de conclusie van repliek

Uitgaande van het aantal gestapelde pallets op de als productie 18A overgelegde foto en een hoogte van 15 cm per pallet berekent Allianz c.s. de hoogte van de afgebeelde palletstapel op 7,5 meter, in plaats van de toegestane 6 meter. Op grond van de als productie 18B t/m 18E overgelegde foto's concludeert Allianz c.s. vervolgens dat alle palletstapels op het terrein ongeveer even hoog zijn, zodat deze allemaal boven de voorgeschreven hoogte uitstijgen.

Omdat de foto's die Allianz c.s. als productie 18A tot en met 18E heeft overgelegd kennelijk allemaal tijdens of na afloop van de brand zijn gemaakt, geldt voor deze foto's (net als voor de foto's behorend tot de bijlagen 3 en 4 van het rapport van Crawford) dat op dit moment onvoldoende zeker is dat zij een correct beeld geven van de wijze waarop de pallets direct voor de brand stonden opgesteld. Reeds daarom kan niet op basis van deze foto's worden geoordeeld dat de door Allianz c.s. gestelde overschrijding van de normen betreffende de hoogte van de pallets en de te hanteren afstanden (voorshands) bewezen is.

Ook hier geldt dat indien zou moeten worden aangenomen dat tijdens de brand niet (in relevante mate) sprake is geweest van verplaatsing van pallets, de overige bezwaren van [gedaagde] tegen het gebruik van de betreffende foto's als bewijs van de gestelde overtredingen aan de orde komen. Deze bezwaren houden kort gezegd in dat de foto's niet goed leesbaar zijn en dat niet bekend is vanaf welke locatie, met welke apparatuur en instellingen de foto's zijn genomen.

Verklaringen van [A], [C] en [D] van december 2010

[C], [A] en [D] hebben allen verklaard ervan overtuigd te zijn dat de pallets op het moment van de brand in strijd met de voorschriften betreffende de hoogte van de pallets en de afstand tot de erfgrenzen waren opgesteld. Ook wordt er in hun verklaringen melding van gemaakt dat de brandweermannen zich tijdens oefeningen op het terrein van [partij Y] verbaasden over de hoogte van de stapels pallets.

[A], werkzaam bij de technische dienst, heeft verder verklaard dat hij regelmatig langs het bedrijfsterrein reed en dan zag dat de stapels erg hoog waren en dat het hele terrein bomvol stond. Naar zijn schatting stonden de stapels met pallets aan de achterzijde van het terrein van [gedaagde] tijdens de brand op ongeveer anderhalf tot twee meter van de erfgrens. Ook stonden de pallets volgens [A] erg hoog.

[C], hoofd brandwacht, heeft verklaard dat de afstand van de pallets tot de erfgrens aan de zijde van het bedrijventerrein 4 tot 5 meter bedroeg en zeker geen 11 meter. Aan die zijde was de stapels pallets die het dichtst bij de erfgrens stond volgens [C] ruim meer dan drie meter; [C] meent dat zij boven de dakrand van het bedrijven gebouw uitkwamen. Voor zover hij zich herinnert, waren de pallets op het hele terrein ongeveer even hoog.

[D], brandmeester technische dienst, heeft verklaard dat de stapels pallets vaak boven het bedrijvengebouw uitstaken. Volgens hem stonden de pallets op het hele terrein ongeveer even hoog, en stonden deze vaak erg dicht bij de erfgrens. [D] heeft verder verklaard dat de eigenaresse van een winkel in het bedrijvengebouw regelmatig, zeker eens in de twee weken, langs kwam en klaagde over [gedaagde]. Hij kon dan slechts bevestigen dat de pallets veel te hoog en veel te dicht bij de erfgrens stonden, aldus [D].

[gedaagde] heeft de juistheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de brandweermannen gemotiveerd betwist.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van de brandweerlieden [C], [A] en [D] niet onder ede zijn afgelegd. Reeds daarom kunnen deze verklaringen niet een voldoende basis vormen om de gestelde overtredingen (voorshands) bewezen te achten.

Voor de waardering van de verklaringen van de brandweerlieden als bewijs van de gestelde overtreding van de voorschriften betreffende de hoogte van de pallets en de afstand van de pallets tot de erfgrens, is daarnaast het volgende van belang.

Veel van de door de brandweerlieden gegeven kwalificaties, zoals 'erg hoog' en 'bomvol', zijn zodanig algemeen van aard dat daaruit geen concrete overtreding van voorschriften valt af te leiden.

Verder dateren de verklaringen van de brandweerlieden van december 2010. Dat is meer dan 7 jaren na de brand. Bovendien blijkt uit de verklaringen van [A] en [C] dat zij pas na de brand bekend zijn geworden met de voorschriften die golden voor de palletopslag op het terrein van [gedaagde]. Niet uitgesloten is dat zij daarover pas in 2010 in het kader van het opstellen van de verklaringen zijn geïnformeerd. [D] heeft volgens Allianz c.s. het commandocentrum in de brandweerkazerne bemand. Dit betekent dat hij tijdens de brand van enige afstand en vanuit het noord-westen (terwijl het pand van [partij Y] is gelegen aan de zuid-oostzijde van het terrein van [gedaagde] en dus met name de locatie van de pallets in die hoek van het terrein relevant is) zicht had op het terrein van [gedaagde]. Ook [A] en [C] hebben tijdens de brand kennelijk een min of meer vaste positie ingenomen, zodat (ook) hun zicht op het terrein in zekere mate beperkt is geweest.

Nu bij nagenoeg alle opmerkingen van de brandweerlieden over de locatie van de pallets tijdens de brand wordt verwezen naar foto's, komt daarnaast de vraag op in hoeverre de afgelegde verklaringen door het zien van deze foto's zijn beïnvloed. Immers, hoe groter de invloed van de foto's is geweest, hoe minder waarde aan de betreffende (onderdelen van de) verklaringen kan worden toegekend als zijnde afzonderlijk bewijs van de stellingen van Allianz c.s.

Gelet op het voorgaande lijkt er voorshands grond te zijn voor enige terughoudendheid in de waardering van de verklaringen van de brandweerlieden.

Voor zover de waarnemingen van de brandweerlieden betrekking hebben op de situatie op het terrein van [gedaagde] tijdens werktijd, is bovendien van belang dat volgens DCMR (verslag van 13 maart 2001) het handelen van pallets buiten de opslagvakken niet valt onder de definitie van opslag, zoals bedoeld in de voorschriften onder paragraaf 1.5 van de nadere eis, zodat tijdens werktijd het aanwezig zijn van pallets buiten de opslagvakken is toegestaan. Slechts buiten werktijd en/of de tijd dat er binnen de inrichting geen met toezicht belaste persoon aanwezig is, moeten de pallets worden opgeslagen overeenkomstig bij de beschikking van 12 december 2001 gestelde afstandseisen en hoogten, aldus DCMR.

Allianz c.s. heeft zich voorts beroepen op het rapport van [Z] d.d. 4 augustus 2003, waarin onder 2.2 is vermeld dat restanten van pallets op zondag 22 juni 2003 tot nabij de zijgevel van het pand van de firma Pot werden aangetroffen. Onder 2.3 schrijft [Z] dat op een luchtfoto zichtbaar is dat de restanten van de pallets aan de achterzijde van het terrein iets dichter bij de omheining liggen. Hij voegt daaraan toe dat de pallets hier mogelijk iets dichter bij het hekwerk hebben gestaan dan toegestaan, maar dat dit niet met zekerheid kon worden vastgesteld.

Bovengenoemde onderdelen van het rapport van [Z] kunnen worden beschouwd als aanwijzigen dat er mogelijk sprake is geweest van de door Allianz c.s. gestelde overtreding van één of meer veiligheidsvoorschriften, maar vormen thans niet voldoende basis om (voorshands) aan te nemen dat dit het geval was.

eerdere klachten en overtredingen

Allianz c.s. heeft als productie 5 tot en met 8 stukken overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat [gedaagde] met grote regelmaat verschillende veiligheidsvoorschriften overtrad. Voor zover dit laatste het geval zou zijn, hetgeen [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist, geldt echter dat het hier overtredingen in de periode 2000 en 2001 betreft. Bij de onderhavige beoordeling gaat het echter om de vraag of direct voorafgaand aan de brand van 22 juni 2003 relevante voorschriften zijn overtreden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat Allianz c.s. onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welk opzicht de uit de genoemde stukken blijkende klachten en overtredingen van belang zijn voor de onderhavige beoordeling. Verdere bespreking van deze overtredingen kan dan ook achterwege blijven.

Allianz c.s. heeft gesteld dat mevrouw [E] van Subsea Diving, een bedrijf dat op het moment van de brand naast [gedaagde] gevestigd was, op 19 juni 2001 - dus enkele dagen voor de brand - een klacht heeft ingediend bij de brandweer over de situatie op het terrein van [gedaagde] waar volgens haar palletopslag in strijd met de voorschriften plaatsvond.

Verder volgt volgens Allianz c.s. uit het door [gedaagde] overgelegde verslag van de openbare vergadering van de commissie Algemene Zaken van de gemeente Maassluis van 27 oktober 2003 (productie 4 bij de conclusie van dupliek) dat door omwonenden bij herhaling is geklaagd over de wijze waarop de pallets op het terrein van [gedaagde] werden opgeslagen.

Uit de enkele aanwezigheid van klachten, waarvan de gegrondheid niet is komen vast te staan of aannemelijk is geworden, kan echter niet worden afgeleid dat [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand de geldende eisen overtrad.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op basis van de thans beschikbare stukken, afzonderlijk dan wel in samenhang bezien, niet, ook niet voorshands, bewezen kan worden geacht dat de pallets op het terrein van [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand in strijd met de geldende voorschriften waren opgesteld.

Gelet op het voorgaande zal Allianz c.s. in de gelegenheid worden gesteld (aanvullend) bewijs te leveren van haar stelling dat het risico op overslag van de brand naar het pand van [partij Y] in relevante mate is verhoogd doordat de pallets op het terrein van [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand in strijd met de voorschriften vermeld in de bijlage bij de beschikking d.d. 12 december 2000 waren opgesteld.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

De beslissing

De rechtbank

draagt Allianz c.s. op te bewijzen dat het risico op overslag van de brand naar het pand van [partij Y] in relevante mate is verhoogd doordat de pallets op het terrein van [gedaagde] op het moment van het ontstaan van de brand in strijd met de voorschriften vermeld in de bijlage bij de aan [gedaagde] afgegeven beschikking d.d. 12 december 2000 waren opgesteld,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 februari 2012 voor uitlating door Allianz c.s. of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat Allianz c.s., indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat Allianz c.s., indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juni 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C. Bouwman in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

2171/1729