Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV9335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
393050 / HA ZA 11-2227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Te late betaling griffierecht. Opposant krijgt tweede kans voor onderbouwing beroep op hardheidsclausule vanwege ernst van gevolgen van het niet toepassen daarvan. Verschillen met gevolgen in contradictoire situatie en in hoger beroep/cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 393050 / HA ZA 11-2227

Vonnis in verzet van 14 maart 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

[eiser],

gevestigd te Oosterhout,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. V. Kortenbach,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. R. Küçükünal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 februari 2012;

- de akte van [gedaagde];

- de antwoordakte van [eiser].

De verdere beoordeling

Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de redenen voor het door haar te laat betalen van het griffierecht en om desgewenst een beroep te doen op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv. Tot uitgangspunt moet immers worden genomen dat het verschuldigde griffierecht uiterlijk op 25 januari 2012 betaald had moeten zijn, terwijl het griffierecht pas op 9 februari 2012 door de rechtbank is ontvangen.

Bij akte heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij het griffierecht heeft betaald ingevolge een door haar advocaat ontvangen aanmaning van de griffie van 3 februari 2012. Omdat haar advocaat de eerste nota van de griffie niet had ontvangen, heeft [gedaagde] er volgens haar stellingen niet bij stil gestaan dat de betalingstermijn al liep en dat al sprake was van een aanmaning. Verder heeft [gedaagde] gewezen op de volgens haar desastreuze gevolgen van een niet-ontvankelijkverklaring. In haar antwoordakte heeft [eiser] betoogd dat de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden een toepassing van de hardheidsclausule niet rechtvaardigen.

Bij de beoordeling van de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden moet tot uitgangspunt worden genomen dat zij werd bijgestaan door een advocaat, van wie gelet op zijn deskundigheid verwacht mag worden op de hoogte te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet tarieven burgerlijke zaken (Wtbz). Uit die wet volgt dat het griffierecht betaald moet zijn binnen vier weken na (in dit geval) de eerste datum van het verzet. Dat [gedaagde] (of haar advocaat) er voorafgaande aan de ontvangst van de aanmaning nog niet op bedacht was dat er een betalingstermijn liep, is dus een omstandigheid die in beginsel voor haar rekening komt. Een reden voor toepassing van de hardheidsclausule vormt die omstandigheid in elk geval niet.

De rechtbank leest de stellingen van [gedaagde] verder aldus dat zij op grond van de aanmaning van de griffie van 3 februari 2012 erop heeft mogen rekenen dat een betaling ingevolge die aanmaning nog als tijdig zou worden beschouwd. Kennelijk bedoelt [gedaagde] daarmee een beroep te doen op de jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld zijn arrest van 10 februari 2012, RvdW 2012, 285), waaruit volgt dat verwarring wekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie aanleiding kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.

Zo begrepen is het betoog van [gedaagde] echter nog onvoldoende onderbouwd. Het had immers voor de hand gelegen in elk geval de desbetreffende aanmaning bij de akte over te leggen, zodat ([eiser] en) de rechtbank konden nagaan wat redelijkerwijs uit die aanmaning kon worden afgeleid. Toch ziet de rechtbank aanleiding [gedaagde] in de gelegenheid te stellen de aanmaning alsnog bij akte in het geding te brengen en daarbij toe te lichten om welke reden zij daaruit heeft afgeleid dat zij op grond van die aanmaning nog tijdig kon betalen. Voor deze tweede kans bestaan twee redenen.

2.6. Enerzijds de omstandigheid dat, zoals gezegd, in de rechtspraak op zichzelf is aanvaard dat door de gerechtelijke administratie verstrekte informatie reden kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Anderzijds vanwege de grote (materieelrechtelijke) gevolgen van een oordeel om geen toepassing aan die hardheidsclausule te geven. Het gaat immers om een verzetprocedure. Dat betekent dat het verstekvonnis kracht van gewijsde krijgt als tot verval van instantie wordt geoordeeld, en dat heeft tot gevolg dat de rechtsverhouding tussen partijen definitief komt vast te staan zonder dat die rechtsverhouding inhoudelijk is beoordeeld. Op dat punt bestaat een wezenlijk verschil met het achterwege laten van toepassing van de hardheidsclausule in een van aanvang af contradictoire procedure, omdat dan de niet-betalende partij hetzij een nieuwe dagvaarding kan uitbrengen, hetzij van het eindvonnis in verzet kan gaan. Ook in hoger beroep of cassatie is de situatie wezenlijk verschillend, omdat in die gevallen de zaak in elk geval al in één instantie inhoudelijk zal zijn beoordeeld. In het onderhavige geval is dus direct de toegang tot de rechter in het geding, en juist met het oog daarop is de hardheidsclausule in de wet opgenomen.

2.7. Op de door [gedaagde] te nemen akte overlegging productie kan [eiser] uiteraard reageren. In afwachting van die aktewisseling zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 maart 2012 voor een akte als bedoeld in 2.5 door [gedaagde], waarna [eiser] een antwoordakte kan nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.

1980/1729