Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV9331

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
395595 / JE RK 12-362 en 396360 / JE RK 12-501
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het primaire verzoek strekkende tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg omdat de stichting – hoofdzakelijk door interne problemen zoals een wisseling in gezinsvoogden en de verandering van het behandelend team- tot op heden nagenoeg geen invulling heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling en voorts omdat de noodzaak tot gesloten plaatsing onvoldoende onderbouwd is.

Toewijzing van het subsidiaire verzoek tot plaatsing van de minderjarige in een AWBZ-instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling omdat de kans op verder afglijden van de minderjarige reëel aanwezig is, zeker nu nog geen enkele vorm van hulpverlening en/of behandeling is georganiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht, team jeugd

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 6 maart 2012

Zaak-/rekestnummers: 395595 / JE RK 12-362

396360 / JE RK 12-501

Beschikking in de zaak van:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Diemen,

namens bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

[NAAM MINDERJARIGE], geboren op [geboortedatum] te Curaçao,

kind van mw. [naam moeder], wonende te [woonadres].

Met de voogdij over de minderjarige is belast:

mw. [naam voogd minderjarige], wonende te [woonadres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 31 mei 2011 is de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.

De stichting heeft op 31 januari 2012 een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige in een AWBZ-instelling.

Het plan van aanpak en het indicatiebesluit zijn daarbij gevoegd.

De stichting heeft vervolgens op 20 februari 2012 een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging plaatsing gesloten jeugdzorg in het kader van een ondertoezichtstelling.

Het plan van aanpak en het indicatiebesluit zijn daarbij gevoegd.

Verzoeker heeft verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg. Met deze verklaring heeft de gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort geleden heeft onderzocht, ingestemd.

Aan de minderjarige is als advocaat toegevoegd mr. M.T.H. Oeij.

De zaak is op 21 februari 2012 meervoudig gelijktijdig en gecombineerd behandeld met de strafzaak onder parketnummer 10/691301-11 en parketnummer van vordering TUL VV

10/ 692197-10.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.T.H. Oeij;

- de oma van de minderjarige;

- de moeder van de minderjarige;

- de stichting, vertegenwoordigd door mw. [naam gezinsvoogd] en [naam medewerker stichting].

De beoordeling

Standpunten van partijen:

De stichting heeft ter zitting uiteengezet dat het verzoekschrift van 31 januari 2012 strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige in een AWBZ-instelling, is ingediend door de vervangende gezinsvoogd zonder hiervan de huidige gezinsvoogd op de hoogte te stellen. Recent is een nieuwe gezinsvoogd aangesteld. De minderjarige is recentelijk binnen het team nogmaals besproken en er is toen tot de conclusie gekomen dat behandeling binnen een gesloten structuur meer voor de hand ligt. Het verzoek tot een gesloten plaatsing dient derhalve als het primaire verzoek te worden aangemerkt en het verzoek tot plaatsing in een AWBZ instelling als het subsidiaire verzoek.

De stichting heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot een gesloten plaatsing verwezen naar het verzoekschrift en nog het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de minderjarige bestaan zorgen op meerdere gebieden. Hij gaat al geruime tijd niet naar school, hij hangt rond op straat, wordt thans verdacht van het plegen van meerdere strafbare feiten en hij onttrekt zich steeds meer aan het gezag van oma. Eerdere hulpverlening binnen een vrijwillig kader heeft onvoldoende resultaat gehad. Hij zit nu sedert enkele maanden in voorlopige hechtenis in De Hartelborgt. Gebleken is dat de structuur en regels in de gesloten setting hem goed doen. Omdat er bij de minderjarige zoveel verschillende probleemgebieden zijn die aangepakt moeten worden, wordt betwijfeld of behandeling binnen een open setting zal slagen. Voorts bestaat de vrees dat hij zich aan de gesloten zorg zal onttrekken, omdat de minderjarige heeft aangegeven dat hij zijn oma erg mist en graag bij haar wil zijn. Ook met het oog hierop is een gesloten plaatsing noodzakelijk. Gedacht wordt de minderjarige te plaatsen in Avenier locatie Anker of de Hoenderloo Groep, waar veel aandacht voor LVG-jongeren is.

Desgevraagd heeft de stichting verklaard dat zij aan het persoonlijkheidsonderzoek dat is uitgebracht in de strafzaak (die gelijktijdig en gecombineerd is behandeld met onderhavige verzoeken) waarin met geen woord wordt gerept over de noodzaak van een gesloten plaatsing, slechts beperkt gewicht toekent, omdat naar de mening van de stichting getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van dat persoonlijkheidsonderzoek.

De raadsvrouw heeft ter zitting afwijzing van het verzoek tot gesloten plaatsing van de stichting bepleit. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat zij het zeer opmerkelijk vindt dat er in eerste instantie een verzoek tot uithuisplaatsing in een open instelling wordt gedaan en dat een paar weken later plotseling een verzoek tot gesloten plaatsing wordt ingediend. Mocht een opname in Avenier plaatsvinden, dan zal dit betekenen dat de sterke band tussen de minderjarige en zijn oma niet gewaarborgd kan worden, aangezien Avenier welhaast aan de andere kant van het land ligt. Oma is het anker van de minderjarige. Duidelijk is dat zij de minderjarige soms niet aankan, maar ze staan beiden open voor hulp en begeleiding. De raadsvrouw is van mening dat onvoldoende is beargumenteerd waarom de minderjarige zich aan de zorg zou ontrekken in een open setting. De conclusie dat het persoonlijkheidsonderzoek onbetrouwbaar zou moeten worden geacht, deelt zij niet. Het rapport is besproken met de vervangende gezinsvoogd en de vragenlijsten zijn met de minderjarige doorgelopen. Het thans door de stichting verzochte traject wordt te vroeg ingezet. De raadsvrouw concludeert primair beide verzoekschriften af te wijzen en verdachte te laten terugkeren naar zijn oma, en subsidiair dat verdachte in een open instelling wordt geplaatst.

De minderjarige heeft ter zitting verklaard dat hij graag terug wil naar zijn oma, omdat hij haar erg mist. Hij verzet zich tegen een gesloten plaatsing, maar is bereid zo nodig naar een open instelling te gaan.

De oma en de moeder van de minderjarige hebben ter zitting naar voren gebracht dat zij noch de minderjarige de huidige gezinsvoogd en de vervangende gezinsvoogd ooit hebben gezien of gesproken. Zij zijn van mening dat de gezinsvoogd eerst persoonlijk contact had moeten maken met de minderjarige teneinde een gedegen inschatting van hem te kunnen maken, om zodoende de juiste beslissingen over hem te kunnen te nemen. De oma en de moeder zijn het niet eens met een gesloten plaatsing. De minderjarige heeft sinds zijn detentie een positieve ontwikkeling doorgemaakt en kan het beste naar huis komen. Er is al hulp van een gezinscoach tot stand gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt:

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken overweegt de rechtbank als volgt.

Op meerdere levensgebieden van de minderjarige zijn er zorgelijke ontwikkelingen te zien. Op school laat hij gedragsproblemen zien, die er uiteindelijk toe hebben geleid dat hij geschorst is van school. Sindsdien volgt hij geen onderwijs. Hij hangt veel rond op straat en is meermalen in contact gekomen met politie en justitie. Daarnaast onttrekt de minderjarige zich steeds meer aan het gezag van zijn grootmoeder en gaat hij zijn eigen gang.

Uit de instemmingverklaring van de gedragsdeskundige gedateerd 20 februari 2012 komt onder meer het volgende naar voren. De minderjarige is een kwetsbare jongen, die meerdere malen met justitie in aanraking is gekomen. Kindgebonden factoren (cognitieve beperkingen en conduct disorderproblematiek) zorgen ervoor dat hij uit eigen beweging geen halt kan toeroepen tegen deviant gedrag. Hij is onvoldoende in staat om de gevolgen van zijn handelen in voldoende mate te overzien en op basis daarvan zijn gedragskeuzes te bepalen. De minderjarige reageert primair en impulsief en beseft pas achteraf wat de gevolgen zijn van zijn gedrag. Eerdere contacten met jeugdreclassering zijn ontoereikend gebleken om de ontwikkeling van de minderjarige om te buigen naar een positieve ontwikkeling. Naast de kindgebonden factoren speelt de thuissituatie een grote rol. Thuis krijgt hij onvoldoende grenzen,structuur en begeleiding die hij nodig heeft. De plaatsing binnen De Hartelborgt lijkt reeds vruchten af te werpen, in die zin dat het behandelklimaat hem duidelijke kaders biedt om gewenst gedrag te leren. De minderjarige is een kwetsbare jongen die om bescherming vraagt om zijn leven in te kaderen en ondersteuning vereist op alle levensgebieden. Qua setting wordt hierbij gedacht aan een gestructureerde en voorspelbare LVG-setting om meer zicht te krijgen op de begeleidingsbehoeften en (on)mogelijkheden van de minderjarige. Volgens de deskundige lijkt een open setting voor nu een stap te vroeg omdat de kans op onttrekking groot is, zodat hij daarom instemt met een gesloten plaatsing.

Uit het persoonlijkheidsonderzoek in de strafzaak die gelijktijdig en gecombineerd met deze zaak is behandeld, volgt onder meer dat minderjarige op zwakbegaafd niveau functioneert en dat hij gezien zijn verstandelijke beperkingen niet voldoende in staat is de consequenties van zijn gedrag en handelen te overzien. Aangepast onderwijs en een goede dagbesteding is van belang. Geadviseerd wordt om de minderjarige te laten begeleiden door de jeugdreclassering die hem op voornoemde aspecten hulp en begeleiding biedt.

Voor de beoordeling of een gesloten plaatsing voor de minderjarige thans in de rede ligt, acht de rechtbank allereerst van belang dat ter zitting duidelijk is geworden dat de stichting – hoofdzakelijk door interne problemen zoals een wisseling in gezinsvoogden en de verandering van het behandelend team- tot op heden nagenoeg geen invulling heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling. Alleen al met het oog hierop is de rechtbank van oordeel dat een verregaande machtiging als om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen in dit stadium prematuur is.

Daar komt bij dat noch door de stichting noch door de gedragsdeskundige het voor een gesloten plaatsing vereiste risico op onttrekking van de minderjarige aan de zorg voldoende is gemotiveerd. Daarmee is de noodzaak tot gesloten plaatsing onvoldoende onderbouwd. Blijkens het verzoek van de stichting heeft de minderjarige gezegd dat hij best naar een open setting wil, maar dat hij een gesloten plaatsing onzin vindt. Ter zitting heeft de minderjarige dat nog eens bevestigd. Daarnaast is niet gebleken van wegloopgedrag van de minderjarige dan wel uitlatingen van de minderjarige en/ of van zijn oma of moeder die op onttrekking duiden. In tegendeel, zij zijn bereid hulpverlening te aanvaarden. Het enkele feit dat de minderjarige heeft aangegeven het liefst naar zijn oma terug te keren en dat hij vindt dat hij al voldoende in de Hartelborgt heeft geleerd is in ieder geval onvoldoende om de vrees voor onttrekking te onderbouwen. Immers, veel minderjarigen zullen aangeven dat zij liever bij familie verblijven dan naar een instelling gaan.

De rechtbank heeft tevens in haar oordeel meegenomen dat in het persoonlijkheidsonderzoek dat recent door een psycholoog in de strafzaak is uitgevoerd, geen uithuisplaatsing wordt geadviseerd, laat staan een gesloten plaatsing. Anders dan door de stichting is bepleit, ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen om dit onderzoek als onbetrouwbaar aan te merken en derhalve als niet bruikbaar. Voorts is in het oordeel meegenomen dat de gedragsdeskundige in zijn instemmingsverklaring aangeeft dat in beginsel wordt gedacht aan een LVG setting als meest geschikte plaats voor de minderjarige.

De rechtbank zal derhalve het primaire verzoek strekkende tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg afwijzen.

Nu de minderjarige in de afgelopen periode in de thuissituatie is afgegleden, acht de rechtbank – ondanks de recente positieve ontwikkeling van de minderjarige in de Hartelborgt – de kans op verder afglijden reëel aanwezig, zeker nu nog geen enkele vorm van hulpverlening en/of behandeling is georganiseerd. Een uithuisplaatsing in een AWBZ- instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt thans in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige geacht. De komende periode dient te worden onderzocht wat de begeleidingsbehoefte van de minderjarige is en waar de minderjarige het beste zou kunnen worden behandeld / begeleid.

Omdat de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 31 mei 2012 loopt, zal de machtiging tot plaatsing in een AWBZ-instelling tot deze datum worden verleend.

De beslissing

Wijst het verzoek tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af.

Verleent met ingang van 6 maart 2012 machtiging tot plaatsing van de minderjarige in

een AWBZ-instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 31 mei 2012.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Pit, voorzitter, tevens kinderrechter, in bijzijn van

mr. Van der Laan-Kuijt, rechter en mr. Schwartz, rechter-plaatsvervanger en mr. Versloot, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

De rechter-plaatsvervanger is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.