Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV9266

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
10/691257-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 317 Sr; Uitlokking van poging tot afpersing. Opheffing voorlopige hechtenis per VI-datum.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/691257-10

Datum uitspraak: 6 maart 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1987 te Curaçao,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel,

raadsman G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van den Berg heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit oordeel zal niet nader worden gemotiveerd, omdat de officier van justitie tot vrijspraak heeft gerekwireerd en de raadsman vrijspraak heeft bepleit.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[medeverdachte 1] op 26 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld dat aan die [slachtoffer] toebehoort,

als volgt heeft gehandeld:

- lopen naar de auto van die [slachtoffer] en

- het plaatsen van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] en

- het dreigend uitspreken van de woorden (vertaald uit het Papiamento) "Je moet alles wat je hebt in leveren" en "Als je wegrijdt, dan schiet ik je" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk strafbaar feit hij, verdachte, op 26 november 2010 te Rotterdam opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen en middelen, door aan [medeverdachte 1] een geladen vuurwapen te verschaffen en door die [medeverdachte 1] inlichtingen te verschaffen omtrent het feit dat [slachtoffer] in zijn auto geld telde, althans aanwezig had en door die [medeverdachte 1] aan te sporen om het geld van die [slachtoffer] af te pakken door middel van bedreiging met een vuurwapen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen, inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde hebben bijgedragen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Namens de verdachte is bepleit dat hij moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde uitlokking van poging tot afpersing. Hiertoe is aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs van de uitlokking kunnen worden gebezigd. Verder is er geen sprake van uitlokking, nu [medeverdachte 1] zelf van plan was om aangever af te persen. Wat [medeverdachte 1] heeft gedaan, was voor de verdachte een onaangename verrassing.

Dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank acht, in tegenstelling tot de verdediging, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meteen bij zijn eerste verhoor en ook nadien bij de rechter-commissaris telkens gelijkluidend en gedetailleerd verklaard over hetgeen zich heeft afgespeeld en de rol van de verdachte daarin. Deze verklaring komt ook grotendeels overeen met de verklaring die [medeverdachte 1] tijdens zijn tweede verhoor op 4 december 2010 bij de politie en later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Er zijn geen redenen aannemelijk geworden dat en waarom de medeverdachten onderling zouden hebben afgesproken om valselijk met betrekking tot de rol van de verdachte te verklaren. Dit geldt te minder, nu [medeverdachte 1] zich in deze verklaringen ook zelf heeft belast en daarbij heeft bekend dat hij degene is geweest die feitelijk met bedreiging met een vuurwapen heeft getracht aangever zijn geld afhandig te maken.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaren beiden dat de verdachte hen er als eerste opmerkzaam op maakte dat aangever in zijn auto - die een klein stukje verder stond geparkeerd - een grote hoeveelheid geld aan het tellen was. Het is ook aannemelijk dat de verdachte dit eerder dan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zag, nu de verdachte aan de bestuurderszijde zat en het beste zicht had op de auto van [slachtoffer], die links van hen geparkeerd stond. Tevens houden de verklaringen van [medeverdachte 1] in dat de verdachte meerdere malen tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd: “doe dat ding”, waarmee hij [medeverdachte 1] heeft aangespoord om het geld van [slachtoffer] af te dwingen. Daarbij heeft hij [medeverdachte 1] gewezen op zijn wapen dat onder de bijrijdersstoel van de auto lag en waarmee hij het slachtoffer kon bedreigen. [medeverdachte 2] heeft op alle punten in nagenoeg gelijke zin verklaard. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat het idee afkomstig was van de verdachte en dat de verdachte als eerste sprak over het tellen van het geld door [slachtoffer] en het afnemen van dat geld. Doordat de verdachte bij [medeverdachte 1] bleef aandringen om het geld van aangever af te pakken en tegen [medeverdachte 1] zei: “dat ding ligt onder de”stoel’’, kreeg hij – in de woorden van [medeverdachte 2] – [medeverdachte 1] zover een poging tot afpersing van [slachtoffer] te plegen. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij helemaal niet bezig was met het beramen van een beroving en daartoe aanvankelijk geen plan had.

Gelet op deze verklaringen wordt, ondanks de betwisting door de verdediging, vastgesteld dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft aangezet tot het begaan van de ten laste gelegde poging tot afpersing.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Opzettelijke uitlokking van poging tot afpersing door het verschaffen van inlichtingen en middelen.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een ander uitgelokt om een gewapende beroving te plegen.

Het slachtoffer zat in een auto, die geparkeerd stond naast de auto waarin de verdachte zat samen met twee andere mannen. Een van die mannen is op aandringen van de verdachte met een vuurwapen op het slachtoffer afgegaan en heeft deze met dat vuurwapen bedreigd met de bedoeling om hem het geld afhandig te maken dat die man even tevoren in zijn auto had zitten tellen.

Berovingen waarbij vuurwapens worden gehanteerd zijn erg gevaarlijk, omdat vuurwapens in dit soort situaties niet zelden uitsluitend worden gebruikt om te dreigen maar, ook als dat aanvankelijk niet de bedoeling was, om daarmee te schieten, zoals ook in dit geval is gebeurd.

Het spreekt voor zich dat de beroving voor het slachtoffer een erg angstige ervaring is geweest. De ervaring leert dat - zoals ook in dit geval - slachtoffers van een beroving waarbij een wapen is gebruikt ook nadien nog langdurige een ernstige psychische nasleep van de gebeurtenissen ondervinden. Bovendien ontstaan door dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij en is de rechtsorde ernstig geschokt.

Daarom kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2012 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor misdrijven en heeft hij niet eerder langdurig in detentie gezeten.

Het over de verdachte opgemaakte rapport van Stichting Reclassering Nederland d.d. 28 januari 2011 houdt in dat de verdachte op het moment van het plegen van het feit huisvesting en een uitkering had. Daarnaast had de verdachte zich ingeschreven voor een opleiding en een relatie die goed verliep. Op een aantal gebieden ondervond de verdachte echter problemen, zoals onder meer het niet hebben van een dagbesteding, het niet spreken van de Nederlandse taal en het dagelijks gebruik van cannabis. Desondanks schat de reclassering het recidiverisico laag in.

Tevens is gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS.

Op grond van een en ander wordt aanleiding gezien de duur van de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen en een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto, merk Opel, type Astra, met kenteken [kenteken] (voorwerpnummer 10600-2010383101-3699381) terug te geven aan de eigenaar, [naam eigenaar].

Ten aanzien van deze in beslag genomen auto zal een last worden gegeven tot teruggave aan [naam eigenaar], zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer], wonende te Rotterdam, terzake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert als vergoeding voor materiële schade een bedrag van € 868,00 en als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken en thans onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Beantwoording van de vraag welk deel van de schade betrekking heeft op het onder 1 bewezen verklaarde feit en welk deel op het feit waarvoor de verdachte is vrijgesproken, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

VOORLOPIGE HECHTENIS

De verdachte bevindt zich sinds 1 december 2010 in voorarrest (inverzekeringstelling met aansluitend voorlopige hechtenis). Gelet op de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf (twee jaar) en rekening houdende met de regeling van de Voorwaardelijke Invrijheidstelling als bedoeld in de artikelen 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht zal de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf derhalve eindigen op 1 april 2012. Gelet hierop zal de voorlopige hechtenis van de verdachte, met analoge toepassing van artikel 75, zesde lid van het Wetboek van Strafvordering, met ingang van dat tijdstip worden opgeheven.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 45, 47, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van: personenauto, merk Opel, type Astra, met kenteken [kenteken] (voorwerpnummer 10600-2010383101-3699381)

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 1 april 2012;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. De Knoop en Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hut, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2012.

Bijlage I bij vonnis van 6 maart 2012:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, hij en/of zijn mededader(s) als volgt heeft/hebben gehandeld:

- lopen naar de auto van die [slachtoffer] en/of

- het plaatsen en/of richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- het dreigend uitspreken van de woorden (vertaald uit het Papiamento) "Je moet alles wat je hebt in leveren" en/of "Als je wegrijdt, dan schiet ik je"" en/of

- het schieten met een vuurwapen naar/in de duim en/of het hoofd van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij in of omstreeks 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- lopen naar de auto van die [slachtoffer] en/of

- het plaatsen en/of richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- het dreigend uitspreken van de woorden (vertaald uit het Papiamento) "Je moet alles wat je hebt in leveren" en/of "Als je wegrijdt, dan schiet ik je"" en/of

- het schieten met een vuurwapen naar/in de duim en/of het hoofd van die M.M. [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[Artikel 45 jo 312/317 lid 2 sub 2 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 1] en/of [verdachte], welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, althans enig goed dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer], althans aan een ander dan die [medeverdachte 1] en/of [verdachte] toebehoort, welke poging tot afpersing werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die afpersing gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het afgeperste te verzekeren, die [medeverdachte 1] als volgt heeft gehandeld:

- lopen naar de auto van die [slachtoffer] en/of

- het plaatsen en/of richten van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- het dreigend uitspreken van de woorden (vertaald uit het Papiamento) "Je moet

alles wat je hebt in leveren" en/of "Als je wegrijdt, dan schiet ik je" en/of

- het schieten met een vuurwapen naar/in de duim en/of het hoofd van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen en/of middelen en/of door misbruik van gezag, door aan [medeverdachte 1] een geladen vuurwapen te verschaffen en/of door die [medeverdachte 1] inlichtingen te verschaffen omtrent het feit dat [slachtoffer] in zijn auto geld telde, althans aanwezig had en/of door die [medeverdachte 1] aan te sporen om het geld van die [slachtoffer] af te pakken door middel van wapengeweld en/of bedreiging met een vuurwapen, althans met geweld;

[Artikel 47 lid 1 onder 2 jo 312 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij in of omstreeks de periode 26 en 27 november 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een patroon in de richting van/ in het hoofd van die [slachtoffer] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287/45 Sr)

Bijlage II bij vonnis van 6 maart 2012

BEWIJSMIDDELEN en voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan

De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.

1.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17F0 2010383101-1, opgemaakt door de opsporingsambtenaren R.A. Booms en B. Anker, voor zover inhoudende als de op 27 november 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer]:

Ik ben genaamd [slachtoffer].

Op de avond van 26 november 2010 zat ik in mijn auto in een straat, de Harseveld. Ik parkeerde de auto met de achterzijde in het parkeervak. Ik zag in een nabijgelegen parkeervak ook een andere personenauto staan, van het merk Opel, type Astra, bordeauxrood van kleur. Ik zag dat de Opel Astra hetzelfde stond geparkeerd, dus ook met de achterzijde in het parkeervak. Er zaten mensen in de bordeauxrode Opel Astra. Ik zag een aantal koppen. Ik zat op de bestuurdersplaats en ik had het raampje van de bestuurdersportier van mijn auto open staan. Toen voelde ik plotseling dat er iets hards en kouds tegen de linkerzijde van mijn hoofd werd aangezet. Dit was ter hoogte van mijn slaap. Ik keek toen zijlings zonder mijn hoofd te draaien naar links. Ik zag toen in mijn ooghoek een loop van een pistool. Ik zag toen ook een schaduw van een jongen die naast mij stond. Ik keek de jongen aan. Ik hoorde de jongen in het Papiamento tegen mij praten. Ik hoorde hem, vertaald naar het Nederlands, tegen mij zeggen: "je moet alles wat je hebt inleveren”. Ik gaf geen antwoord. Ik zette de versnelling van de auto meteen in de eerste versnelling. De motor van de auto draaide stationair. Ik hoorde de jongen toen weer in het Papiamento tegen mij praten. Ik hoorde hem, vertaald naar het Nederlands, tegen mij zeggen: “Als jij wegrijdt, dan schiet ik je”. Ik hoor deze zin nu nog steeds. Het blijft maar in mijn hoofd malen.

2

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2010383101-51, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J.P. de Weerdt en J. Muniz Aparicio, voor zover inhoudende als de op 4 december 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Ik ben genaamd [medeverdachte 1].

Op die avond was ik daar. Ik zat naast [bijnaam verdachte] voorin de auto. [bijnaam verdachte] zei tegen mij dat hij allang iemand aan het sluipen was. [bijnaam medeverdachte 2] zat op de achterbank. [bijnaam verdachte] zat achter het stuur. [bijnaam verdachte] zei tegen mij dat hij iemand aan het sluipen was. Hij keek toen de hele tijd naar een auto die naast hem geparkeerd stond. Ik keek toen ook en ik zag dat er een man in die auto zat. [bijnaam verdachte] bedoelde met sluipen 'om iets te gaan doen'. [bijnaam verdachte] zei tegen mij dat ik moest kijken wat die man aan het doen was. Hij zei dat die man al lang veel geld aan het tellen was. Ik zag dat die man briefgeld aan het tellen was. Het was veel. [bijnaam verdachte] had niet gezegd hoeveel geld het was. Toen zei [bijnaam verdachte] dat hij dacht dat ik het moest gaan doen, dat geld van die meneer gaan pakken, omdat hij bang was dat als hij het zelf zou doen die man hem zou herkennen. Het idee dat [bijnaam verdachte] mij dat ding wilde laten doen, kwam van [bijnaam verdachte] vandaan, ik was daar helemaal niet mee bezig. Hij bleef maar zeggen dat ik het moest doen. Hij bleef aandringen. [bijnaam verdachte] zei tegen mij dat ik uit de auto moest stappen en om moest lopen via de flat, zodat die man niet zou zien dat ik uit zijn auto stapte. Hij zei eigenlijk tegen mij hoe ik het precies moest doen. Ik ben uit de auto gestapt, maar ik ben niet omgelopen, ik ben meteen naar die man gelopen die in de auto zat. Ik liep achter de auto langs en ben naar de bestuurderskant van die auto gegaan. De man had geen geld meer in zijn hand. Ik zag dat het glas open was in de deur. Ik zei tegen die man dat hij mij het geld moest geven. Ik had een pistool in mijn hand. Toen ik bij die man was, richtte ik het pistool richting de auto. Het glas was open, ik heb mijn hand een beetje naar binnen gestoken. Het pistool had ik uit de auto van [bijnaam verdachte]. Dat pistool waar ik gister over vertelde, dat was het pistool. [bijnaam verdachte] kwam dat ding vaker ophalen en terugbrengen. Het pistool lag onder de bijrijdersstoel van de auto. Nadat [bijnaam verdachte] mij had gezegd dat ik het ding moest gaan doen, zei hij in het Papiamento tegen mij "E kos ta ei boy, [bijnaam medeverdachte 1]", dat betekent dat het ding daaronder is. Ik wist dat hij daarmee dat pistool bedoelde. [bijnaam verdachte] noemt mij ook [bijnaam medeverdachte 1], hij heeft me die naam gegeven.

3.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2010383101-49, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J.P. de Weerdt en R.V. Keijzer, voor zover inhoudende als de op 3 december 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

[bijnaam verdachte] is mijn neefje. Hij heet [verdachte].

4.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2010383101-56, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J.G. Hensen en J. Muniz Aparicio, voor zover inhoudende als de op 7 december 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:

Iedereen noemt mij [bijnaam medeverdachte 2]. Ik heb een vriend genaamd [medeverdachte 1]. Zijn bijnaam is [bijnaam medeverdachte 1].

Op 26 november 2010 kwam een jongen die ik ken als [bijnaam verdachte] naar de woning van [bijnaam medeverdachte 2] en mij aan het [woonadres medeverdachte 1] te Rotterdam. U zegt mij dat u mij een foto laat zien van [medeverdachte 1]. Ja, dat is [bijnaam medeverdachte 1]. [bijnaam verdachte] woont op het adres [woonadres verdachte] te Rotterdam. U zegt dat u mij een foto laat zien van [verdachte]. Dat is [bijnaam verdachte].

[bijnaam medeverdachte 1] en ik liepen met [bijnaam verdachte] naar een auto, een Opel Astra. De kleur van die auto is bordeauxrood. Die Opel Astra stond geparkeerd in de straat waar [bijnaam verdachte] woont. Toen wij bij die auto kwamen, ging ik achterin zitten. [bijnaam verdachte] ging achter het stuur zitten en [bijnaam medeverdachte 1] ging naast [bijnaam verdachte] zitten. Ik zag een andere auto op een afstandje bij ons geparkeerd staan. Ik zag dat er tussen onze auto en die auto één parkeervak leeg was. In die auto zat een man achter het stuur. [bijnaam verdachte] zei tegen [bijnaam medeverdachte 1] toen wij nog met zijn drieën in de auto zaten: "Kijk daar [bijnaam medeverdachte 1], kijk daar [bijnaam medeverdachte 1]." [bijnaam medeverdachte 1] wordt ook [bijnaam medeverdachte 1] genoemd. "Kijk, die man zit geld te tellen." [bijnaam verdachte] zei tegen [bijnaam medeverdachte 1]: "Die man zit geld te tellen, [bijnaam medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1], stap uit." Wanneer u mij vraagt waarom [bijnaam medeverdachte 1] moest uitstappen, antwoord ik: "Om het geld af te nemen". Wanneer u mij vraagt waarom [bijnaam medeverdachte 1] is uitgestapt, antwoord ik dat [bijnaam verdachte] [bijnaam medeverdachte 1] onder druk zette door steeds maar te zeggen tegen [bijnaam medeverdachte 1] "stap uit, stap uit". [bijnaam verdachte] is er mee begonnen. Hij kwam met die gedachten. Hij zei dat we naar die andere auto moesten kijken, omdat die man geld aan het tellen was. Hij zei tegen [bijnaam medeverdachte 1] dat er een vuurwapen onder de stoel in zijn auto lag en hij kreeg [bijnaam medeverdachte 1] zover dat hij naar die man is gegaan. Ik zag het vuurwapen voor het eerst toen [bijnaam medeverdachte 1] dit onder zijn stoel vandaan haalde.

5.

Een proces-verbaal d.d. 16 november 2011, opgemaakt door mr. I.K. Rapmund, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

[bijnaam verdachte], [bijnaam medeverdachte 1] en ik zaten op een gegeven moment met z’n drieën in de Opel Astra. Ik zat achterin, achter de passagier [bijnaam medeverdachte 1]. [bijnaam verdachte] zat achter het stuur. Toen wij in de auto zaten, stond er een auto stil. Tussen die auto en onze auto was één parkeervak leeg. [bijnaam verdachte] draaide zich om en zag dat een man in die auto geld aan het tellen was. Hij zei tegen [bijnaam medeverdachte 1]: "kijk naar die man, hij is geld aan het tellen". Toen zei [bijnaam verdachte] tegen [bijnaam medeverdachte 1] dat [bijnaam medeverdachte 1] moest uitstappen. Hij bleef aandringen bij [bijnaam medeverdachte 1] dat hij moest uitstappen. [bijnaam verdachte] kon het niet laten, hij bleef doorgaan. Hij zei tegen [bijnaam medeverdachte 1] dat hij moest uitstappen en het geld van die man moest afpakken. Hij bleef tegen [bijnaam medeverdachte 1] zeggen: "kijk hoeveel geld die man aan het tellen is" en dat [bijnaam medeverdachte 1] dat geld moest pakken. [bijnaam verdachte] sprak het eerst over de man, die het geld aan het tellen was. [bijnaam verdachte] sprak het eerst over het afnemen van het geld van de man. Toen [bijnaam verdachte] tegen [bijnaam medeverdachte 1] zei om uit te stappen, hoorde ik [bijnaam verdachte] tegen [bijnaam medeverdachte 1] zeggen: "dat ding ligt onder de stoel". Ik rekte mij om te zien wat [bijnaam medeverdachte 1] pakte. Toen zag ik dat [bijnaam medeverdachte 1] een vuurwapen pakte van onder zijn stoel. Hij pakte met zijn hand het vuurwapen onder de stoel vandaan. Ik zag dat [bijnaam medeverdachte 1] uitstapte en om de auto is gelopen en aankwam bij de andere auto. Hij stond toen naast de bestuurder in die auto. Ik hoorde dat [bijnaam medeverdachte 1] en de bestuurder aan het discussiëren waren. Daarna zag ik dat de auto begon te rijden.