Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV8577

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
10/711093-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is drie weken na de beëindiging van het reclasseringscontact ingediend. Dat is niet onverwijld in de zin van de wet. De rechtbank volstaat met deze constatering en verbindt er geen consequenties aan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 15g
Wetboek van Strafrecht 15i
Wetboek van Strafrecht 15j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

VI-zaaknummer : 99-000054-38

Parketnummer : 10/711093-11

Datum uitspraak: 23 februari 2012

BESLISSING OP DE VORDERING TOT HERROEPING VAN DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

De veroordeelde; de opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank, rechtdoende in strafzaken op 11 februari 2010 (gewezen onder parketnummer 10/710163-09) is

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde],

ingeschreven te [adres veroordeelde],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan de tenuitvoerlegging op 26 februari 2010 is aangevangen.

De veroordeelde is, gelet op artikel 15 en 15a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en gezien het detentieoverzicht, op 4 februari 2011 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder bijzondere voorwaarden.

Deze voorwaarden luiden:

- dat de veroordeelde deelneemt aan een cognitieve vaardigheidstraining;

- dat de veroordeelde zich binnen 5 werkdagen na invrijheidstelling meldt bij de Reclassering & Jeugdzorg Leger des Heils te Maastricht. Vervolgens dient de veroordeelde zich aldaar te melden zo vaak als door de toezichthouder noodzakelijk wordt geacht;

- de veroordeelde wordt verplicht om bij de Stichting Exodus te Heerlen te verblijven en zich te houden aan het programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

De vordering

De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie van 1 maart 2011, strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden nu de veroordeelde:

- zich in strijd met het opgelegde meldingsgebod niet binnen 5 dagen na zijn invrijheidsstelling heeft gemeld bij de toezichthoudende instantie van de reclassering te Maastricht;

- zich niet heeft gemeld bij Stichting Exodus te Heerlen;

- zich in strijd met de opgelegde gedragsinterventie niet heeft aangemeld voor een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa).

De ontvankelijkheid van de vordering

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering ingevolge artikel 15i, tweede lid, Sr onverwijld moet worden ingediend en daarvan in dit geval geen sprake is. Reeds op 4 februari 2011 is geconstateerd dat de bijzondere voorwaarde is overtreden en de vordering is niet eerder dan op 1 maart 2011 ingediend bij de rechtbank.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het rapport van de reclassering blijkt dat het advies terugplaatsing in de inrichting op 9 februari 2011 is besproken. Zij stelt dat het indienen van de vordering op 1 maart 2011 onverwijld is geweest.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van art. 15i, tweede lid, Sr, dient het openbaar ministerie, indien het van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in te dienen bij de rechtbank.

Uit het briefrapport van het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg en Reclassering, d.d. 9 februari 2011 (voortijdige negatieve beëindiging) aan de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling van het openbaar ministerie (verder: Cvvi) blijkt dat het Cvvi op 8 februari 2011 heeft besloten dat het reclasseringscontact beëindigd moest worden, omdat de veroordeelde zich niet hield aan de bijzondere voorwaarden. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is op 1 maart 2011, drie weken later, ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken niet kan worden gezegd dat de vordering onverwijld is ingediend. Daar staat tegenover dat de vertraging bij het indienen van de vordering beperkt te noemen is en dat gesteld noch gebleken is dat aan enig rechtens te respecteren belang van de veroordeelde is tekort is gedaan.

De rechtbank zal derhalve volstaan met de constatering dat er sprake is van de genoemde onregelmatigheid, maar zal hier verder geen consequenties aan verbinden.

De officier van justitie is ontvankelijk in haar vordering.

De behandeling ter terechtzitting

De vordering van de officier van justitie is behandeld ter openbare terechtzitting van 9 februari 2012.

De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting geen inhoudelijk verweer gevoerd aangaande de gevorderde herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De beoordeling

Uit het genoemde briefrapport is gebleken dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gestelde bijzondere voorwaarden. Immers, hij heeft zich niet binnen vijf dagen na invrijheidstelling gemeld bij de reclasseringsafdeling van het Leger des Heils te Maastricht. Ook heeft de veroordeelde verzuimd bij Stichting Exodus te Heerlen te verblijven. Op 4 februari 2011, de dag van zijn feitelijke invrijheidstelling, heeft hij zich daar niet gemeld.

De veroordeelde heeft ter zitting bevestigd dat hij de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Hij heeft gesteld dat hij geen geld had om naar Heerlen te reizen en dat hij zijn oude vrienden weer zag.

Gelet op het voorgaande bestaat er dan ook alle aanleiding de vordering van de officier van justitie toe te wijzen.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen: 15, 15a, 15g, 15i, 15j van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;

- gelast dat het gedeelte van de vrijheidstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten 177 dagen.

Deze beslissing is gegeven door

mr. Boer, voorzitter,

mrs. De Jong en Van Barneveld, rechters

in tegenwoordigheid van mr. Beukema, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2012.

De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.