Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV8093

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
378930 / HA ZA 11-1203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, medische behandeling, fout verloskundige, ernstige geelzucht pasgeborene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 378930 / HA ZA 11-1203

Vonnis van 29 februari 2012

in de zaak van

[eiser 1] en [eiser 2] tevens procederend in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [eiser 3], geboren [datum],

beiden wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

eisers,

advocaat mr. N. Plaisier,

tegen

[gedaagde],

wonende te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. J. Meyst-Michels,

Partijen zullen [eiser 1 en 2]sers] en [gedaagde] genoemd worden. Afzonderlijk zullen eisers worden aangeduid als de heer en mevrouw [eiser 1 en 2] en hun bovengenoemde dochter als [eiser 3].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 mei 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord van 20 juli 2011, met producties;

- de beschikking van 28 juli 2011 van de kantonrechter te Dordrecht, waarbij de kantonrechter [eisers] machtiging heeft verleend om namens [eiser 3] een procedure te starten;

- de conclusie van repliek tevens houdende akteverzoek van 14 september 2011, met een productie;

- de conclusie van dupliek van 7 december 2011, met producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

[eiser 3], dochter van de heer en mevrouw [eiser 1 en 2], is op [datum] geboren in het Albert Schweitzer Ziekenhuis, locatie Zwijndrecht.

[gedaagde] heeft als verloskundige bijstand aan mevrouw [eiser 1 en 2] en [eiser 3] verleend.

Na de zonder complicaties verlopen bevalling zijn [eiser 3] en mevrouw [eiser 1 en 2] op [datum] uit het ziekenhuis ontslagen. De kraamverzorging thuis werd verricht door Kraamzorg De Eilanden. De betrokken kraamverzorgsters waren mevrouw [X], op 30 en 31 augustus 2004, en mevrouw [Y], van 1 tot en met 6 september 2004.

In het zorgdossier van Kraamzorg De Eilanden is onder meer genoteerd:

31 augustus (tweede dag): "[eiser 3] begint een beetje geel te worden".

1 september (derde dag): "Ze ziet iets geel. We hebben haar in het licht gezet."

2 september (vierde dag): "Ze ziet iets geel."

3 september (vijfde dag): "Ze ziet nog iets geel."

4 september (zesde dag): "Ze ziet nog wel iets geel."

5 september (zevende dag): "Ze ziet nog iets geel."

6 september (achtste dag): "Ze ziet iets geler als gisteren."

De temperatuurlijst van [eiser 3] vermeldt in de rubriek kleur:

30/8 roze

31/8 licht geel/roze

1/9 iets geel

2/9 iets geel

3/9 iets geel

4/9 iets geel

5/9 iets geel

6/9 iets geel

Een door [gedaagde] op verzoek van haar verzekeraar gemaakte samenvatting van de gebeurtenissen vermeldt het volgende:

"Bij gele baby's hield ik de volgende criteria aan naar sterkte van de kleur:

1 Iets geel/een beetje geel, dit is de kleur die veel gezonde pasgeborenen vertonen en waarbij er geen noodzaak is het bilirubinegehalte van het bloed te bepalen.

2 Geel, hierbij wordt soms het bilirubinegehalte bepaald, dit hangt o.a. af van conditie en gedrag baby.

3 Zeer geel, hierbij wordt altijd het bilirubinegehalte bepaald en soms is dan ziekenhuisopname noodzakelijk.

Voor de kraamvisites heb ik de tijd genomen, [eiser 3] lag in haar wiegje bij het raam, in het licht. Zij was goed te zien.

Vanaf de tweede dag na haar geboorte was [eiser 3] iets geel.

Zelf laat ik al tamelijk snel, bij twijfel of wanneer een baby echt geel ziet het bilirubinegehalte bepalen.

Echter wordt dit niet gedaan wanneer de baby slechts iets geel ziet en volop voeding drinkt, zoals de toestand de eerste zes dagen was.

Dat [eiser 3] de achtste dag zo enorm geel was, heeft mij verbaasd. Gezien de kleur van de voorgaande dagen had ik dit totaal niet verwacht. Mijn verwachting was eigenlijk dat zij niet meer geel zou zien. Dit had ik nog niet eerder meegemaakt in de 40 jaar dat ik mijn beroep uitoefende.

Ik heb eigenlijk toch steeds gedacht aan een andere oorzaak voor zo'n hevige snelle kleurverandering, maar deze is niet gevonden.

Er was een ervaren kraamverzorgster aanwezig gedurende het kraambed.

Voor de ouders was het een bijzonder emotionele, enerverende en moeilijke tijd en dat vond ik zeer jammer voor hen.

Weergave van hetgeen plaats vond tussen de eerste en achtste dag na de bevalling.

De bevalling had plaats bij een zwangerschapsduur van 39 wk en 3 dagen. Wegens ernstige bekkenklachten en sterke vermoeidheid van de moeder, werd zij via amniotomie ingeleid in het Albert Schweitzer Ziekenhuis te Zwijndrecht. Het was een vlotte bevalling en [eiser 3] werd in goede conditie geboren.

Verslag van de kraamvisites:

Dinsdag 31-08-07: Moeder en kind zijn in goede conditie. Ik vroeg mij af of het kind misschien iets geel zag en wilde het wiegje toch maar voor het raam zetten. De baby dronk goed.

Woensdag 01-09-07: [eiser 3] is iets geel, drinkt goed, zij is in goede conditie.

Vrijdag 03-09-07: [eiser 3] ziet nog iets geel, het gaat goed, zij drinkt goed. Met de moeder gaat het ook goed. Mij wordt gevraagd of de baby niet te geel ziet en ik vertel dat dit maar iets geel is, het komt veel voor dat pasgeborenen die kleur hebben. Wanneer er echt iets aan de hand is ziet een kind veel geler.

Zaterdag 04-09-07: De PKU-prik wordt verricht, hierbij reageert [eiser 3] normaal. Er komt meer dan voldoende bloed uit het hieltje van de baby. De kleur van [eiser 3] is nog steeds iets geel. [eiser 3] drinkt goed. De moeder heeft hoofdpijn, ik raad haar aan meer te rusten.

Maandag 06-09-07: Ongeveer 13.30 kwam ik op bezoek en [eiser 3] had een diep-gele kleur. Ook dronk de baby niet goed meer.

Het vervolg is u bekend."

Onder het kopje "Anamnese" vermeldt een niet van een datum voorziene brief van [Z], arts assistent Kindergeneeskunde:

"Sinds enige dagen progressief geel zien (vanaf dag 2, vanaf dag 3 zagen ook de sclerae geel). Op dag 6 werd voor het eerst een bilirubine bepaald. Deze was 693 mmol/l.

Hierop werd [eiser 3] verwezen naar ons ziekenhuis.

Verdere anamnese toonde geen bijzonderheden. Ze dronk goed (BV on demand)"

Een brief van 21 december 2006 van dr. [A], kinderarts, aan [eisers] vermeldt onder meer het volgende:

"U vroeg mij onlangs om een medische samenvatting en zo mogelijk een beoordeling van het ziekteverloop van de zeer ernstige geelzucht die uw dochter [eiser 3], geb. [datum], heeft doorgemaakt.

Uw dochter [eiser 3] is geboren na een ongecompliceerde zwangerschap na een spontane poliklinische bevalling. Zij had een goede start, het geboortegewicht bedroeg 3490 gram. Ik zag [eiser 3] op de 8ste levensdag, op 06-09-2004, op verzoek van de verloskundige in verband met een ernstige geelzucht in het Albert Schweitzer Ziekenhuis te Dordrecht, waar ik toen kinderarts was. De verloskundige had op 06-09-2004 het bilirubine gehalte in het bloed laten bepalen. De bilirubinewaarde was extreem hoog: 693 µmol/l. U vertelde ons dat u zich al een aantal dagen zorgen maakte over de toenemende geelzucht van [eiser 3]. Bij onderzoek zag [eiser 3] intens geel. Zij werd met spoed opgenomen op de zuigelingenafdeling en er werd direct bloed- en urineonderzoek ingezet om de oorzaak van de geelzucht te achterhalen. De bilirubinewaarde bleek inmiddels nog verder opgelopen tot 754 µmol/l. Er werden met spoed voorbereidingen getroffen voor een zogenaamde wisseltransfusie teneinde het bilirubinegehalte te doen dalen naar een veilig niveau. In afwachting van de wisseltransfusie werd zoals gebruikelijk gestart met intensieve fototherapie. Bij aanvang van de wisseltransfusie bedroeg het bilirubinegehalte inmiddels 579 µmol/l, nog steeds een zeer hoge waarde met grote kans op hersenbeschadigingen. Door middel van de wisseltransfusie en de intensieve fototherapie gelukte het om het bilirubinegehalte binnen enkele uren tot een acceptabel niveau te doen dalen, dat wil zeggen lager dan 400 µmol/l. Er was slechts één wisseltransfusie nodig en binnen enkele dagen kon ook de intensieve fototherapie worden gestaakt, waarna het bilirubinegehalte daalde tot normale waarden. Een en ander is ook samengevat in onze ontslagbrief d.d. 05-10-2004 betreffende deze opname van 06-09-2004 tot 11-09-2004.

Uit het zeer uitgebreide aanvullende onderzoek is gebleken dat [eiser 3] een zeer zeldzaam aangeboren enzymdefect heeft, namelijk deficiëntie van het enzym glutathion-reductase. Een soortgelijke extreme geelzucht is bij dit enzymdefect nooit eerder beschreven. In samenwerking met professor [B] van het CLB te Amsterdam, hebben wij hiervan inmiddels ook melding gemaakt in de internationale literatuur. Het artikel verschijnt vermoedelijk begin 2007 in het tijdschrift BLOOD.

Gezien de extreem hoge bilirubinewaardes hebben wij destijds dr. [C], neonatoloog in het Erasmus MC Sophia, geconsulteerd. Hij liet op 10-09-2004 een MRI scan van de hersenen maken waaruit bleek dat er in 4 verschillende gebieden in de hersenen kleine infarcten waren ontstaan. De meest waarschijnlijke verklaring voor deze infarcten is volgens dr. [C] het ontstaan van stolsels op de navelvene catheter die wij hebben moeten inbrengen om de wisseltransfusie uit te kunnen voeren. Deze stolsels zouden moeten losgeraakt zijn van de catheter en door de bloedstroom via het hart naar bepaalde bloedvaten van de hersenen zijn versleept. Deze losgeraakte stolsels (embolieën) zouden dan in kleinere bloedvaten zijn vast komen te zitten, waardoor er infarcering (afsterving) aan hersenweefsel in het verzorgingsgebied van deze bloedvaten is ontstaan. Gelukkig is vooralsnog aan [eiser 3]'s functioneren niets te merken van enige restafwijkingen, doch zoals dr. [C] in zijn brief d.d. 15-06-2006 aan u heeft besproken, kunnen zich over een aantal jaren toch nog beperkingen manifesteren.

Al met al hebben we hier te maken met een buitengewoon ernstige, zij het soms onvermijdelijke complicatie van een ingreep (de wisseltransfusie) die bedoeld is om verdere schade door het giftige bilirubine te beperken. Dit brengt mij tot de vraag of de wisseltransfusie voorkomen had kunnen worden. Op het moment dat wij [eiser 3] zagen was er een absolute noodzaak om met spoed een wisseltransfusie uit te voeren. Er bestaat tot op heden geen andere behandeling die het bilirubinegehalte binnen enkele uren tot een veilig niveau kan verlagen. Over het algemeen is de behandeling ook veilig en trombo-embolische complicaties zoals bij [eiser 3] zijn wel bekend, doch betrekkelijk zeldzaam (ik schat minder dan 10-15%). Er is naar mijn oordeel geen twijfel dat de enige manier waarop de wisseltransfusie had kunnen worden voorkomen eerdere verwijzing naar de kinderarts is geweest. Gezien het beloop van de bilirubinewaarden na start van de behandeling en de intens gele kleur bij opname, acht ik het ook uitgesloten dat de geelzucht binnen zeer korte tijd is ontstaan, zeg 24 à 48 uur. Derhalve acht ik het zeer aannemelijk dat als er eerder bilirubine controles waren gedaan, op het moment dat u [eiser 3] duidelijk geel zag zien, de bilirubinewaarde nog op een niveau was geweest (lager dan ± 450 µmol/l) dat men in eerste instantie had kunnen volstaan met intensieve fototherapie. Zoals reeds genoemd, lijkt mij, gezien het gemak waarmee het bilirubinegehalte daalde na de wisseltransfusie en fototherapie, het uiterst onwaarschijnlijk dat dan alsnog een wisseltransfusie nodig was geweest. Het is mij en mijn collegae in het Albert Schweitzer Ziekenhuis nooit duidelijk geworden waarom wij [eiser 3] pas op de 8ste levensdag zagen. Op het moment dat leken (bijv. u als ouders) een baby duidelijk geel zien vinden, is er naar mijn ervaring vrijwel altijd sprake van een situatie waarbij nader onderzoek nodig is. Het bilirubinegehalte is dan meestal reeds hoger dan 200 µmol/l.

U vertelde ons destijds dat u zelf [eiser 3] reeds vanaf de 2de levensdag toenemend geel vond zien en dat u de kraamverzorgster en de verloskundige hierop bij herhaling heeft geattendeerd.

Mijn samenvattende conclusie is derhalve dat een wisseltransfusie voorkomen had kunnen worden bij tijdige diagnostiek en verwijzing. Op het moment dat wij [eiser 3] zagen was een wisseltransfusie onvermijdelijk.

In de hoop uw vragen hiermee voldoende te hebben beantwoord, verblijf ik,"

Het geschil

[eisers] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser 3] en [eiser 1 en 2] hebben geleden, lijden en mogelijk nog zullen lijden als gevolg van het niet tijdig medisch handelen, althans het onzorgvuldig handelen ten aanzien van [eiser 3] door [gedaagde];

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 1.832,35, met rente;

3. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eisers] te voldoen de kosten van deze procedure.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[eisers] grondt zijn vorderingen op de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. Hij stelt daartoe tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende. [gedaagde] heeft niet gehandeld conform de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige onder vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht. [eiser 3] werd gedurende de eerste dagen na de geboorte toenemend geel. [gedaagde] had dat als hoofdverantwoordelijke niet mogen missen. Voorts heeft [gedaagde] onvoldoende acht geslagen op de door de heer en mevrouw [eiser 1 en 2] bij haar geuite zorg over de toenemende geelheid van [eiser 3]. [gedaagde] had op het moment dat [eiser 3] duidelijk geel zag een bilirubine controle moeten doen. Bij tijdige diagnostiek en verwijzing had toentertijd volstaan kunnen worden met intensieve fototherapie. Dan zou de wisseltransfusie niet hebben plaatsgevonden en zouden geen hersenbeschadigingen bij [eiser 3] zijn ontstaan. Als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] heeft [eisers] tot de datum van dagvaarding de schade geleden waarvan vergoeding is gevorderd. Voor het overige is de schade nog niet bepaalbaar omdat nog niet bekend is of, en zo ja, welke gevolgen de hersenbeschadigingen in de toekomst zullen hebben.

[gedaagde] voert bij conclusie van antwoord aan dat [eisers] haar slechts pro se en niet mede in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiser 3] heeft gedagvaard. De rechtbank acht deze uitleg van de dagvaarding onjuist. Uit de vordering blijkt dat [eisers] heeft beoogd niet slechts pro se, maar tevens in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiser 3] op te treden. Voor [gedaagde], bijgestaan door haar aansprakelijkheidsverzekeraar en haar advocate, was dat uit de dagvaarding voldoende kenbaar. Uit de op de rol van 3 augustus door [eisers] overgelegde beschikking van 28 juli 2011 van de kantonrechter te Dordrecht blijkt voorts dat de vereiste toestemming voor het door [eisers] namens [eiser 3] instellen van de vordering is verleend. Dat die toestemming pas werd gevraagd en verleend nadat de procedure reeds aanhangig was, staat niet aan ontvankelijkheid in de weg. Het verweer van [gedaagde] dat [eisers] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering namens [eiser 3] is derhalve ongegrond.

Voor beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag is van belang of [gedaagde] bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en of zij daarbij heeft gehandeld in overeenstemming met de voor haar geldende professionele standaard (artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek). Dit betekent dat dient te worden beoordeeld of [gedaagde] de zorg heeft betracht die de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Het ligt in de rede dat de rechtbank zich bij beantwoording van voornoemde vraag zal dienen te laten voorlichten door een of meer deskundigen. [eisers] stelt, voor het geval de rechtbank een deskundige zou willen benoemen, dat een neonatoloog of kinderarts dient te worden benoemd. [gedaagde] voert aan dat alleen een verloskundige kan beoordelen of [gedaagde] eerder dan op 6 september 2004 de bilirubinewaarden had moeten meten dan wel een deskundige had moeten raadplegen.

Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de - naar het zich laat aanzien - relevante feiten. Dit betreft de vragen hoe de kleur van de huid van [eiser 3] zich in de dagen na haar geboorte heeft ontwikkeld en op welke wijze [eisers] daarvoor aandacht van [gedaagde] heeft gevraagd.

[eisers] stelt dat sprake was van een in de dagen na de geboorte geleidelijk toenemende gele kleur van [eiser 3]. [eisers] wijst in dit verband op de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde foto's van [eiser 3].

Nu het griffiedossier slechts zwart-wit kopieën van de kleurenfoto's bevat, kan de rechtbank - en een eventueel door de rechtbank te benoemen deskundige - daar reeds om die reden niets uit afleiden. [eisers] zal in de gelegenheid worden gesteld alsnog kleurenfoto's van [eiser 3], voor zover mogelijk voorzien van datum en tijdstip van opname in het geding te brengen.

[eisers] stelt de geleidelijke toename van de geelheid van [eiser 3] zelf te hebben opgemerkt en dat dit ook blijkt uit de opgetekende anamnese die is afgenomen na opname van [eiser 3] in het ziekenhuis (zie hiervoor onder 2.7 en 2.8). Hij wijst erop dat het geenszins in de rede lag om destijds aan de behandelend kinderarts iets anders dan de waarheid te verklaren over de ontwikkeling van de gele kleur van [eiser 3]. Voorts wijst [eisers] erop dat de kraamverzorgster op 6 september 2004 heeft genoteerd dat [eiser 3] iets geler zag dan de dag daarvoor terwijl steeds werd genoteerd dat sprake was van een licht gele kleur, hetgeen [eisers] ziet als een bevestiging dat sprake was van een geleidelijke toename van de gele kleur en niet van een plotselinge zeer sterke toename. Ten slotte wijst [eisers] erop dat de toenmalig behandelend kinderarts dr. [A] het, gezien het beloop van de bilirubinewaarden na start van de behandeling en de intens gele kleur bij opname, uitgesloten acht dat de geelzucht binnen zeer korte tijd is ontstaan ("zeg 24 à 48 uur"), welk oordeel wordt gedeeld door de medisch adviseur van [eisers]

[gedaagde] beroept zich op haar eigen observaties op 31 augustus en op 1, 3, 4 en 6 september 2004 waarvan zij destijds notities heeft gemaakt in een agenda. Voorts beroept zij zich op hetgeen de ervaren kraamverzorgsters hebben genoteerd in het zorgdossier. [gedaagde] wijst erop dat zij er in is getraind om op het oog te constateren of een pasgeborene geel is, en zo ja, in welke mate. Van een geleidelijk aan geler worden van [eiser 3] was in de visie van [gedaagde] geen sprake. Zij voert aan dat [eiser 3] iedere dag iets geel zag en dat er vanaf 4 september 2004 sprake was van een afname van de gele kleur (conclusie van antwoord onder 8), respectievelijk dat er steeds sprake was van een iets gele kleur van [eiser 3] en dat dit beeld pas op 6 september 2004 veranderde waarna dit ook in het dossier werd genoteerd (conclusie van dupliek onder 7), respectievelijk dat op 3 september een afname van de gele kleur werd geconstateerd door de kraamverzorgster (conclusie van dupliek onder 18).

[eisers] stelt dat de heer en mevrouw [eiser 1 en 2] meerdere malen bij [gedaagde] hebben aangegeven dat zij zich zorgen maakten over de toenemende geelzucht van [eiser 3].

[gedaagde] voert aan dat [eisers] op 3 september 2004 voor de eerste keer (aan [gedaagde]) vroeg naar de gele kleur van [eiser 3] en daarna op 6 september 2004 voor de tweede keer (aan mevrouw [Y], de kraamverzorgster). Op 3 september 2004 vroegen de heer en mevrouw [eiser 1 en 2] volgens [gedaagde] of [eiser 3] niet te geel zag. Volgens [gedaagde] zag [eiser 3] toen nauwelijks geel en was de kleur niet afwijkend van andere kinderen van diezelfde leeftijd. Op 6 september 2004 werd [gedaagde] door mevrouw [Y] uitgenodigd om langs te komen. [eiser 2] had jegens mevrouw [Y] haar ongerustheid geuit omdat [eiser 3] geel zag. [gedaagde] constateerde toen dat [eiser 3] een ernstig gele kleur had. [gedaagde] acht het echter geenszins onwaarschijnlijk dat mevrouw [Y] op de ochtend van 6 september 2004 zag dat [eiser 3] iets geler was dan de dag daarvoor. In de visie van [gedaagde] was er op die dag namelijk een zeer snelle toename van de gele kleur van [eiser 3]. [gedaagde] wijst erop dat die dag een zeer snelle stijging van de bilirubinewaarden werd geconstateerd.

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde inlichtingen van partijen te verkrijgen en om de verdere procedure met partijen te bespreken. Tijdens de comparitie kan tevens overleg plaatsvinden over eventueel te gelasten deskundigenbericht(en), al dan niet na eventuele bewijsvoering door getuigen.

[eisers] wordt uitgenodigd om de onder 4.7 hiervoor genoemde kleurenfoto's van [eiser 3], voorzien van datum en tijdtip van opname, alsnog over te leggen. Voorts wordt [eisers] uitgenodigd om te reageren op de bij conclusie van dupliek door [gedaagde] overgelegde productie 4 en de daaraan door [gedaagde] verbonden conclusie dat er op 6 september 2004 sprake was van een zeer snelle stijging van de bilirubinewaarden. Beide partijen worden uitgenodigd - zo mogelijk na overleg en eenparig - een voorstel te doen voor eventueel door de rechtbank te gelasten deskundigenonderzoek. In verband met een goede voorbereiding van de zitting door alle betrokkenen is het wenselijk dat partijen nadere informatie en nadere stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij doen toekomen. Het staat partijen vrij tevens hun op schrift gestelde standpunt aan de rechtbank en de wederpartij te doen toekomen. Het is niet de bedoeling dat op de zitting zal worden gepleit aan de hand van pleitnotities.

Het ligt in beginsel in de rede dat een deskundige op het vakgebied van de verloskunde om advies wordt gevraagd met betrekking tot de vraag welke zorg de redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht; dat wil zeggen welke eventuele onderzoeken zij op welke momenten zou hebben verricht, welke eventuele instructies zij op welke momenten zou hebben gegeven, welke eventuele maatregelen zij op welke momenten zou hebben getroffen enz. Het ligt echter minder in de rede dat een verloskundige kan oordelen over de visie van dr. [A] en de medisch adviseur van [eisers] dat, gezien het beloop van de bilirubinewaarden na start van de behandeling en de intens gele kleur bij opname, het uitgesloten moet worden geacht dat de geelzucht binnen zeer korte tijd is ontstaan, alsmede over de vraag of dit betekent dat de gele kleur van [eiser 3] gedurende een aantal dagen geleidelijk aan moet zijn toegenomen (standpunt [eisers]), dan wel of het toch mogelijk is dat van een geleidelijke toename geen sprake was en dat de geelzucht in een zeer kort tijdsbestek heel sterk is toegenomen (standpunt [gedaagde]).

Ter comparitie zullen de volgende onderwerpen met partijen worden besproken:

a. de huidige situatie van [eiser 3] en de verwachtingen voor de toekomst;

b. de feitelijke toedracht vanaf de geboorte van [eiser 3] en de verschillende visie van partijen op de feiten;

c. de door [eisers] over te leggen kleurenfoto's;

d. op welke concrete punten [gedaagde] in de visie van [eisers] niet juist heeft gehandeld;

e. de mogelijkheden van bewijsvoering;

f. productie 4 bij conclusie van dupliek en de reactie van [eisers] daarop;

g. de modaliteiten van een eventueel deskundigenonderzoek door een verloskundige (persoon, vraagstelling, kosten);

h. de modaliteiten van een eventueel deskundigenonderzoek door een kinderarts of neonatoloog (persoon, vraagstelling, kosten);

i. de verdere procedure;

j. eventuele andere onderwerpen die partijen wensen te bespreken.

Indien partijen andere onderwerpen ter comparitie wensen te bespreken, kunnen zij dat uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij berichten.

De beslissing

De rechtbank

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. C. Bouwman in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125 op maandag 14 mei 2012 van 13.00 tot 15.00 uur,

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de vijf maanden volgend op de dagtekening van dat bericht,

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie en kleurenfoto's uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank - ter attentie van de sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en de wederpartij moeten zijn toegestuurd,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

1729/2148