Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV6377

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
10/651125-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving op een taxichauffeur, waarbij een vuurwapen is gebruikt. Er worden door de reclassering weinig mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding aangetroffen. Het recidiverisico is hoog. Gelet ook op de weigerachtige houding van de verdachte ter terechtzitting ten aanzien van hulpverlening, zal geen reclasseringstoezicht worden opgelegd. Nu aan de verdachte – anders dan aan de medeverdachte – geen voorwaardelijke straf (en klinische behandeling) zal worden opgelegd is de aan hem op te leggen onvoorwaardelijke straf hoger dan de straf die aan de medeverdachte is opgelegd. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek. Vonnis medeverdachte is te vinden onder LJ-nummer BV6376.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/651125-11

Datum uitspraak: 6 februari 2012

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [plaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel ,

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Swaak heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op 23 augustus 2011 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 60 euro,

toebehorende aan [slachtoffer] of RTC (Rotterdamse Taxi Centrale), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen

tot de afgifte van een mobieletelefoon (I-phone),

toebehorende aan die [slachtoffer]

en

ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen

misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer] te dwingen

tot de afgifte van 250 euro,

toebehorend aan die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- tonen van een vuurwapen, aan die [slachtoffer] en

- met kracht duwen van een vuurwapen in de

zij van die [slachtoffer] en

- lostrekken van een camera in de taxi en

- drukken van een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer] en

- onder bedreiging van een vuurwapen die [slachtoffer] gebieden om

naar een bank en/of pinautomaat te rijden en aldaar een geldbedrag te pinnen en

- dreigend aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden:

"Blijf rustig, we gaan gewoon verder rijden, ik wijs wel waar je heen moet"

en "Geef me je telefoon en al je geld" en "Als je, je geld hebt

gegeven, snijden we je twee banden lek en dan gaan we weg en gebeurt je

niks" en "Je geld, je geld, je telefoon, snel anders schiet ik"

en "Ik wil al je geld hebben, anders schiet ik je neer" en "Stoppen,

stoppen, hier moet je pinnen"

2.

hij op 23 augustus 2011 te Rotterdam een wapen als

bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te

weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van die wet in de vorm van een

revolver (merk Alfa, model: 641, kaliber: .22 Flobert), voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

De rechtbank gaat uit van het volgende.

Op dinsdag 23 augustus 2011, omstreeks 06:12 uur, werd bij de politie melding gedaan van een overval op een taxichauffeur, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte]) nam die nacht plaats op de bijrijdersstoel van de taxi van [slachtoffer], de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) zat rechts achterin. Vrijwel direct na vertrek duwde [medeverdachte] een revolver tegen de zij van [slachtoffer]. [slachtoffer] drukte de noodknop in. [verdachte] zei "blijf rustig, we gaan gewoon verder rijden, ik wijs wel waar je heen moet” en "geef me je telefoon en al je geld” en “als je je geld hebt gegeven snijden we je twee banden lek en dan gaan we weg en gebeurt je niks". [verdachte] trok de in de taxi aanwezige bewakingscamera los van de voorruit en trok de kabel er af. [medeverdachte] schreeuwde: "Je geld, je telefoon, snel anders schiet ik". [medeverdachte] bleef het vuurwapen constant in de zij van [slachtoffer] prikken. [slachtoffer] pakte een bedrag van € 60,- uit zijn borstzakje, dat [medeverdachte] uit zijn handen griste. Ook moest [slachtoffer] zijn mobiele telefoon afgeven. [medeverdachte] schreeuwde toen: "Ik wil al je geld hebben, anders schiet ik je neer". [verdachte] zei dat [slachtoffer] moest gaan pinnen. Aangekomen bij een pinautomaat nam [verdachte] het vuurwapen van [medeverdachte] over. [verdachte] zei tegen [medeverdachte]: "geef dat ding maar aan mij, ga ik wel met hem pinnen, blijf jij maar zitten". Hij drukte het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer] en liep met hem mee naar de pinautomaat. Daar heeft [slachtoffer] € 250,- gepind, terwijl [verdachte] het vuurwapen op [slachtoffer] gericht bleef houden. Het bedrag van € 250,- is in het bezit van [slachtoffer] gebleven: hij zou het hem in de taxi overhandigen. [verdachte] vond het bedrag van € 250,- niet genoeg. [slachtoffer] moest daarom nog naar een andere pinautomaat rijden. Op dat moment verscheen echter de politie ter plaatse.

Toen de politie liet weten dat [medeverdachte] en [verdachte] waren aangehouden, rende [medeverdachte] weg. [verdachte] verdween met zijn bovenlichaam in de taxi en kwam daar weer uit met een vuurwapen in zijn rechterhand. [verdachte] is vervolgens aangehouden. [medeverdachte] werd verderop in een tuin aangehouden. De mobiele telefoon van de aangever lag op de bijrijdersstoel. In de fouillering van [medeverdachte] werd een geldbedrag van € 70,- en een bivakmuts aangetroffen.

Door het gebruik van de noodknop kon via een mobilofoonverbinding worden meegeluisterd met het gevoerde gesprek in de taxi, zij het dat de mobilofoonverbinding blijkens de verklaring van getuige [getuige] enkele malen dichtsloeg, waardoor [getuige] niet alles wat is gezegd heeft kunnen horen. Hij hoorde onder meer dat de chauffeur zei: "Dit vind ik niet fijn jongens, een pistool in mijn zij” en dat een andere persoon antwoordde: "Maak je niet druk, we willen alleen maar geld. Er gaat niks gebeuren."

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte] bij de diefstal met geweld van het geldbedrag van € 60,- en de afpersing van de telefoon, reden waarom de verdachte van deze onderdelen van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen vooropgezet plan tussen [verdachte] en [medeverdachte] heeft bestaan, maar dat [verdachte] zich heeft laten overvallen door de handelingen van [medeverdachte]. Dit kan, aldus de raadsman, worden afgeleid uit de omstandigheid dat [verdachte] zich rustig gedroeg en zich in eerste instantie op camerabeelden heeft laten opnemen, dat [verdachte] zou hebben gezegd ‘shit, nou staan mijn vingerafdrukken er op’, en dat [verdachte] de camera pas heeft vernield nadat hij merkte dat [medeverdachte] een vuurwapen tegen de zij van de chauffeur had geplaatst.

Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

De aangifte van [slachtoffer] wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige], de verklaringen van beide verdachten en het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van 23 augustus 2011 (nummer [nummer]). De rechtbank acht de verklaring van aangever over hetgeen die dag is voorgevallen derhalve geloofwaardig en gaat uit van de juistheid van de door hem beschreven gebeurtenissen. Uit de verklaring van de aangever, gelezen in combinatie met de verklaring van [getuige], kan worden opgemaakt dat direct nadat [medeverdachte] het vuurwapen in de zij van [slachtoffer] had geduwd, [verdachte] tegen de chauffeur heeft gezegd dat hij rustig moest blijven, hem de weg wel zou wijzen en dat hij zijn telefoon en al zijn geld moest afgeven. Pas nadat de verdachten doorkregen dat de chauffeur de noodknop had ingedrukt, heeft de verdachte de camera losgerukt. De verdachte heeft zich, aldus handelend, onmiddellijk na de eerste uitvoeringshandeling van [medeverdachte] aangesloten bij de door [medeverdachte] ingezette beroving van [slachtoffer]. Derhalve is er sprake van bewuste en nauwe samenwerking bij de diefstal met geweld van het geldbedrag van € 60,- en de diefstal van de telefoon.

Dat de verdachte (mogelijk) nog niet wist van de plannen van [medeverdachte] op het moment dat zij de taxi in stapten, doet aan het voorgaande niet af: de uitwerking van een vooropgezet plan is immers geen vereiste voor het vaststellen van een bewuste en nauwe samenwerking. De door de verdediging voorts aangevoerde omstandigheid dat de getuige [getuige] niets heeft verklaard over het afgeven van de mobiele telefoon, vormt geen reden om dit onderdeel niet bewezen te achten. De lacunes in de verklaringen van de getuige [getuige] vinden hun oorzaak in de door hem tevens aangegeven omstandigheid dat de mobilofoonverbinding met de taxi soms wegviel, waardoor hij niet alles heeft kunnen horen.

Dat [verdachte] vervolgens het initiatief heeft genomen tot de afpersing van het geldbedrag van € 250,- door [slachtoffer] onderstreept zijn actieve rol als medepleger bij de gebeurtenissen en past niet bij iemand die zich heeft laten overvallen door de handelingen van [medeverdachte].

Het voorgaande leidt er toe dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met de verdachte [medeverdachte] heeft gepleegd.

Het verweer wordt aldus verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving op een taxichauffeur. Bij deze beroving is een vuurwapen in de zij van de chauffeur geduwd en zijn ernstige bedreigingen geuit. Nadat een geldbedrag was afgenomen en de chauffeur zijn telefoon had afgegeven, is de verdachte met de chauffeur naar een pinautomaat gelopen, waar hij nog een geldbedrag moest pinnen. Hierbij heeft de verdachte de taxichauffeur een pistool op zijn hoofd gezet.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Hier komt in dit geval nog bij dat een taxichauffeur een kwetsbaar slachtoffer is. Een taxichauffeur is voor zijn inkomen afhankelijk van het vertrouwen dat hij in de hem onbekende personen die hij vervoert moet kunnen stellen. De verdachte heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd door het slachtoffer in de beperkte ruimte van diens taxi met een vuurwapen te bedreigen. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf. Hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de rechtsorde. De in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden door het handelen van de verdachte en de medeverdachte versterkt. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad en heeft dit gebruikt om het slachtoffer mee te bedreigen. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten zwaar aan.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Voorts is bij de strafoplegging in ogenschouw genomen het reclasseringsadvies d.d. 29 november 2011 van N. Wanjon, reclasseringswerker bij het Stichting Reclassering. Het rapport beschrijft dat de verdachte problemen heeft op het gebied van het vinden van inkomen en omgaan met geld, relaties met vrienden en kennissen en de denkpatronen alsmede het gedrag en de vaardigheden van de verdachte. Er worden weinig mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding aangetroffen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Bemoeienis van de reclassering is geïndiceerd, gelet op het recidiverisico en de geconstateerde probleemgebieden. Reclasseringsbemoeienis kan ook plaatsvinden tijdens detentie. Gezien de ontkennende houding van de verdachte onthoudt de reclassering zich van advies.

Gelet op dit rapport en de weigerachtige houding van de verdachte ter terechtzitting ten aanzien van hulpverlening, zal geen reclasseringstoezicht worden opgelegd. Gezien de duur van de op te leggen gevangenisstraf zou het te lang zou duren voor reclasseringsbemoeienis kan aanvangen. Indien de verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling kan in de op dat moment van belang zijnde voorwaarden worden voorzien.

Nu aan de verdachte – anders dan aan de medeverdachte – geen voorwaardelijke straf (en klinische behandeling) zal worden opgelegd is de aan hem op te leggen onvoorwaardelijke straf hoger dan de straf die aan de medeverdachte zal worden opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 januari 2012 reeds meerdere malen is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 45, 47, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Sikkel, voorzitter,

en mrs. Mentink en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2012.

Bijlage bij vonnis van 6 februari 2012:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 23 augustus 2011 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 60 euro, in

elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

en/of RTC (Rotterdamse Taxi Centrale), in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen

tot de afgifte van een (mobiele) telefoon (I-phone), in elk geval enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] en/of RTC

(Rotterdamse Taxi Centrale), in elk geval aan (een) ander(en) dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf/misdrijven om

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer] te dwingen

tot de afgifte van 250 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten den dele

toebehorend aan die [slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte

en/of zijn mededader(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- met een capuchon over het hoofd/gezicht getrokken, bij die [slachtoffer]

in de taxi stappen en/of

- (vervolgens) tonen van een vuurwapen, aan die [slachtoffer] en/of

- (met kracht) meermalen, althans eenmaal, duwen van/met een vuurwapen in de

zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- lostrekken/kapot trekken van een camera in de taxi en/of

- duwen/drukken van een vuurwapen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- (daarbij) (onder bedreiging van een vuurwapen) die [slachtoffer] gebieden om

naar een bank en/of pinautomaat te rijden en/of (aldaar) een geldbedrag te

pinnen en/of

- (daarbij) dreigend aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden:

"Blijf rustig, we gaan gewoon verder rijden, ik wijs wel waar je heen moet"

en/of "Geef me je telefoon en al je geld" en/of "Als je, je geld hebt

gegeven, snijden we je twee banden lek en dan gaan we weg en gebeurt je

niks" en/of "Je geld, je geld, je telefoon, snel anders schiet ik"

en/of "Ik wil al je geld hebben, anders schiet ik je neer" en/of "Stoppen,

stoppen, hier moet je pinnen"

(Artikelen 312 en 317 jo 47/45 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2011 te Rotterdam een of meer wapens als

bedoeld in art.2 lid 1 Categiroe III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te

weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van die wet in de vorm van een

revolver (merk Alfa, model:641, kaliber: .22 Flobert), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art. 26/55 WWM