Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV6238

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
389455 / JE RK 11-3112 en 390293 / JE RK 11-3233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:246 BW, stoornis van de geestvermogens van de moeder, geen gezag van rechtswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht, team jeugd

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 10 februari 2012

Zaak-/rekestnummer: 389455 / JE RK 11-3112

390293 / JE RK 11-3233

Beschikking in de zaken van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van [naam moeder],

wonende te [adresgegevens moeder].

Het verloop van de procedure

De raad heeft op 21 oktober 2011 een verzoek ingediend, strekkende tot:

- primair: het gedwongen ontheffen van de moeder van het ouderlijk gezag over de (toen nog ongeboren) minderjarige, met benoeming van de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: de stichting) tot voogdes;

- subsidiair: ondertoezichtstelling van de (toen nog ongeboren) minderjarige voor de duur van één jaar en het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling;

- meer subsidiair: ondertoezichtstelling van de (toen nog ongeboren) minderjarige voor de duur van één jaar.

Als bijlage bij dit verzoek is gevoegd een schrijven van de stichting, gedateerd 18 oktober 2011, waarin zij zich bereid heeft verklaard de voogdij over de minderjarige op zich te nemen.

Vervolgens heeft de raad op 11 november 2011 een verzoek ingediend strekkende tot:

- ondertoezichtstelling van de minderjarige en de ondertoezichtstelling te doen voorafgaan door een voorlopige ondertoezichtstelling;

- het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg voor de duur van drie maanden.

Bij beschikking van 11 november 2011 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, derhalve tot 11 februari 2012, en is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg voor de duur van vier weken, derhalve tot 9 december 2011. De behandeling van de zaak is voor het overig verzochte aangehouden.

Bij beschikking van 23 november 2011 is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg verlengd tot 11 februari 2012. De behandeling van de zaken is voor het overig verzochte aangehouden en verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer.

De moeder is op 12 januari 2012 gehoord in [naam psychiatrisch ziekenhuis] in aanwezigheid van mr. J.A. van Gemeren, van welk verhoor proces-verbaal is opgemaakt.

Van de zijde van de raad is een faxbericht met bijlagen ingekomen, gedateerd 25 januari 2012.

De zaken zijn verder behandeld op 30 januari 2012.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de raad, vertegenwoordigd door [zittingsvertegenwoordiger] en mw. mr. Gremmen;

- de stichting, vertegenwoordigd door [zittingsvertegenwoordiger];

- de moeder, [naam moeder], bijgestaan door haar advocaat, mr. Van Gemeren en [naam], begeleidster van de moeder, werkzaam bij [naam psychiatrisch ziekenhuis];

- de grootmoeder van moederszijde, [naam grootmoeder mz];

- de oom van moederszijde, [naam oom mz].

[naam vermoedelijke verwekker] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

De raad heeft aan zijn verzoeken – verkort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het navolgende ten grondslag gelegd.

De moeder is sinds 1995 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Drs. [naam behandelaar], behandelend psychiater, heeft in het kader van het raadsonderzoek dat aan de onderhavige verzoeken ten grondslag ligt, verklaard dat de moeder al vele jaren gedwongen met een rechterlijke machtiging is opgenomen. Laatstelijk is daartoe rechterlijke machtiging verleend voor voortgezet verblijf tot 6 augustus 2012, maar als het huidige psychiatrische toestandsbeeld van de moeder ongewijzigd blijft, zal te zijner tijd opnieuw een verlenging van de rechterlijke machtiging worden aangevraagd.

De moeder heeft in het dagelijks leven veel begeleiding nodig. Zij ondervindt vrijwel dagelijks last van haar psychiatrische stoornis, laat zich niet goed begeleiden en heeft weinig inzicht in haar eigen functioneren. Er zullen momenten zijn waarop de moeder in staat is een situatie goed te overzien en beslissingen te nemen, maar de behandelend psychiater verwacht dat de moeder daar niet consequent toe in staat zal zijn.

De moeder heeft een voorgeschiedenis waarin sprake is van forse agressie en automutilatie. Momenteel automutileert de moeder niet, maar wanneer zij psychotisch wordt of impulsdoorbraken heeft, heeft zij zichzelf niet meer in de hand en wordt zij verbaal en fysiek agressief. Het is de laatste tijd voorgekomen dat de moeder moest worden gesepareerd.

Hoewel niet is te verwachten dat de moeder het kind iets aan zal doen, kan drs. [naam behandelaar] dit, gezien de voorgeschiedenis van de moeder, niet uitsluiten.

Al met al verwacht de behandelend psychiater niet dat de moeder op korte termijn in staat zal zijn buiten een psychiatrisch ziekenhuis te functioneren, haar kind de zorg te geven die het nodig heeft en voortdurend het gezag over het kind uit te oefenen. Drs. [naam behandelaar] heeft zich op 14 september 2011 en op 23 september 2011 akkoord verklaard met het gebruik van deze door haar verstrekte informatie in het raadsrapport.

De raad stelt zich op het standpunt dat de moeder niet in staat is als primaire opvoeder van de minderjarige te fungeren. Zij is daartoe ongeschikt en onmachtig. Om die reden zal niet worden gewerkt aan een plaatsing van de minderjarige bij de moeder en dient de moeder te worden ontheven van het ouderlijk gezag. De ontheffing is mogelijk ondanks dat de moeder zich daartegen verzet, nu haar geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

Ter zitting heeft de raad gepersisteerd bij zijn verzoek. Desgevraagd heeft de raad verklaard van mening te zijn dat de moeder onbevoegd is tot het gezag vanwege gestoorde geestvermogens, als bedoeld in artikel 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De geestelijke stoornis van de moeder is niet tijdelijk omdat haar toestand al om en nabij de vijftien jaar duurt.

De stichting heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de raad. Mocht de stichting tot voogdes worden benoemd, dan zal aan de contacten tussen de moeder en de minderjarige niets veranderen.

De moeder refereert zich, bij monde van haar raadsvrouwe, aan de verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, maar tegen de verzochte ontheffing verzet zij zich. De moeder wil namelijk vasthouden aan haar wens om ooit, wanneer het goed met haar gaat, zelf voor de minderjarige te gaan zorgen. De moeder heeft voldoende ziekte-inzicht om te beseffen dat zij daar nu niet toe in staat is. De minderjarige heeft volgens de moeder een goede plek in het pleeggezin waar hij nu is geplaatst en de moeder onderschrijft het belang dat de minderjarige heeft bij het behoud van een vaste plek. Overigens zal een ontheffing, anders dan de raad stelt, de moeder geen rust geven. Die stelling vindt de moeder aanmatigend, en zij voert aan dat haar wens om op enig moment zelf voor de minderjarige te gaan zorgen niet nadelig is voor de minderjarige.

De raadsvrouwe van de moeder heeft desgevraagd verklaard van mening te zijn dat de moeder bevoegd is tot het gezag, omdat zij in weerwil van haar psychiatrische stoornis voldoende inzicht heeft om te beseffen dat zij nu niet zelf voor de minderjarige kan zorgen De raadsvrouwe heeft waargenomen dat de moeder ten opzichte van haar coherent is.

De grootmoeder hoopt dat de moeder weer zover zal herstellen dat zij zelf voor haar kind zal kunnen zorgen.

Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde, overweegt de rechtbank als volgt.

De verzoeken van de raad strekken ertoe de moeder van het ouderlijk gezag te ontheffen dan wel de omvang daarvan te beperken door middel van een ondertoezichtstelling.

Voordat de rechtbank aan de inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken kan toekomen, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de moeder, gelet op haar psychiatrische stoornis, bevoegd is tot het gezag. Immers ontstaat door de geboorte van het kind het gezag van de moeder slechts, voor zover de moeder tot het gezag bevoegd is.

Ingevolge artikel 1:246 BW zijn onbevoegd tot het gezag minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.

Vast staat dat de moeder meerderjarig is en niet onder curatele is gesteld, zoals de rechtbank op grond van ambtshalve raadpleging van het curateleregister heeft geconstateerd.

Uit het gegeven dat de moeder gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen ingevolge een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ), volgt dat bij haar sprake is van een stoornis van de geestvermogens, welke stoornis bij haar ook door de behandelend psychiater is bevestigd.

Vervolgens ligt de vraag voor of die stoornis zodanig is dat de moeder daardoor in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit oefenen.

Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde is voldoende aannemelijk geworden dat de moeder vrijwel dagelijks last ondervindt van haar psychiatrische stoornis en dat zij in het dagelijks leven binnen de instelling veel begeleiding nodig heeft, maar zich niet goed laat begeleiden. Naar verwachting van de behandelend psychiater zal de moeder niet consequent in staat zijn situaties goed te overzien, terwijl voorts gelet op de agressie naar derden in de voorgeschiedenis van de moeder niet te garanderen is dat de moeder de minderjarige niets aan zal doen. Zij zal niet consistent in staat zijn het gezag over de minderjarige uit te oefenen. Voorts is de rechtbank gebleken dat de moeder verbaal agressief – en sociaal inadequaat – kan reageren.

Onder de hier beschreven omstandigheden valt niet in te zien hoe de moeder het gezag over de minderjarige uit zal kunnen oefenen. Hieraan doet niet af dat zich ook momenten kunnen voordoen waarop de moeder wellicht wel in staat zal zijn om weloverwogen beslissingen met betrekking tot de minderjarige te nemen. Wisselvalligheid - alleen al in aanspreekbaarheid en het vermogen sociaal adequaat te handelen en reageren - past in het ziektebeeld van de moeder.

De hiervoor bedoelde vraag, of de stoornis zodanig is dat de moeder daardoor in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, wordt op grond van het voorgaande bevestigend beantwoord.

De stoornis van de geestvermogens is er de oorzaak van dat de moeder inmiddels gedurende een periode van ongeveer vijftien jaar - onafgebroken - opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit tijdsverloop laat, in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, redelijkerwijs geen ruimte om te komen tot een andere conclusie dan dat de stoornis van de moeder niet van tijdelijke aard is.

Nu de geestvermogens van de moeder zodanig zijn gestoord dat zij in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen en deze stoornis niet van tijdelijke aard is, komt de rechtbank op grond van artikel 1:246 BW tot het oordeel dat de moeder onbevoegd is tot het gezag en van rechtswege geen gezag van de moeder over de minderjarige is ontstaan. Hieruit volgt dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat, terwijl in zijn voogdij niet op wettige wijze is voorzien.

Uit voornoemd oordeel van de rechtbank volgt dat de verzoeken van de raad feitelijke grondslag missen. Immers, deze verzoeken, zoals hiervoor reeds overwogen, strekken er toe de moeder van het ouderlijk gezag te ontheffen dan wel de omvang daarvan te beperken door middel van een ondertoezichtstelling, terwijl geen sprake is van een gezagssituatie die kan worden opgeheven, dan wel in omvang kan worden beperkt. De rechtbank kan aan het beoordelen van de gronden van de onderhavige verzoeken dan ook niet meer toekomen, zodat deze verzoeken dienen te worden afgewezen, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Thans rest nog de kwestie dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat, terwijl in zijn voogdij niet op wettige wijze is voorzien.

Hoewel [naam vermoedelijke verwekker], voornoemd, in de stukken telkens als ‘vader’ wordt aangeduid, is hij geen vader in de zin van artikel 1:199 BW, daar hij ten tijde van de geboorte van de minderjarige niet met de moeder was gehuwd – en ook nooit met de moeder gehuwd is geweest – , terwijl gesteld noch gebleken is dat hij de minderjarige heeft erkend dan wel dat het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. Artikel 1:253q lid 3 BW mist derhalve toepassing.

Op de voet van artikel 1:295 BW in verbinding met artikel 1:299 BW en gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voogd over de minderjarige benoemen, waartoe in het belang van de minderjarige het meest in aanmerking komt de stichting, die zich schriftelijk ook bereid heeft verklaard de voogdij over de minderjarige te aanvaarden. Artikel 1:280, onder b, BW is van toepassing.

De rechtbank beslist als volgt.

De beslissing

Wijst de onderhavige verzoeken af, voor zover hierop niet eerder is beslist.

Benoemt tot voogdes over de minderjarige:

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek-Prins, voorzitter, mr. Melkert en mr. De Geus, leden, allen tevens kinderrechter, in aanwezigheid van Gerde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.