Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV5472

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
10/965123-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid rechtbank Rotterdam. "Grooming" en bezit kinderporno in ander arrondissement. Geen zaak waarmee de officier van justitie van het landelijk parket specifiek is belast. Bij gebreke van overige aanknopingspunten is de rechtbank Rotterdam onbevoegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 9
Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket
Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/97
NBSTRAF 2012/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/965123-10

Datum uitspraak: 15 februari 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

(verdachte)

geboren op (datum) te (plaats),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

(adres)

raadsman mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2012 en 15 februari 2012.

BEVOEGDHEID RECHTBANK ROTTERDAM

De strafzaak tegen de verdachte is aanhangig gemaakt door de officier van justitie van het landelijk parket.

Preliminair verweer

Namens de verdachte is aangevoerd dat het landelijk parket in deze zaak niet bevoegd is, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en sub b van het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket, Stb. 2007, 255 (hierna: het Besluit), hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, althans tot onbevoegdheid van deze rechtbank.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak misdrijven betreft waarvan de opsporing heeft plaatsgevonden onder het gezag van een officier van justitie van het landelijk parket en met de vervolging waarvan de officier van justitie bij het landelijk parket is belast en dat daarom deze rechtbank bevoegd is deze zaak te berechten.

Beoordeling

Het onderzoek dat aan de strafzaak tegen de verdachte ten grondslag ligt, is aangevangen door de dienst IPOL, een onderdeel van het Korps landelijke politiediensten (hierna: KLPD), waarna het onderzoek is voortgezet door de politie Hollands Midden. Aan de verdachte wordt thans - kort gezegd - verweten dat hij te Leiden, althans Nederland, via een internetsite (Gaychat.nl) en MSN contact heeft gelegd met een minderjarige (‘Lars 13’), met het oog op sexueel contact, en dat hij in Leiden, althans in Nederland, kinderpornografische afbeeldingen op zijn laptop en zijn mobiele telefoon in bezit heeft gehad. Lars 13 zou zich in Leiderdorp bevinden.

Deze rechtbank is op de voet van het bepaalde in artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) uitsluitend bevoegd deze zaak te behandelen indien het een strafvervolging betreft waarmee de officier van justitie bij het landelijk parket is belast. Voor het overige biedt deze zaak geen aanknopingspunten die tot bevoegdheid van deze rechtbank leiden.

De officier van justitie van het landelijk parket is op grond van het bepaalde in artikel 9, lid 2 Sv. belast met de vervolging van de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat is bepaald bij algemene maatregel van bestuur, te weten het Besluit.

Het Besluit, artikel 3, aanhef en onder b luidt:

3. De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de vervolging van:

a. (…)

b. misdrijven die in nationaal of internationaal verband worden gepleegd en

waarvoor vervolging door het landelijk parket, gezien de taakverdeling tussen het

landelijk rechercheteam en de regionale politiekorpsen, in aanmerking komt.

Het landelijk rechercheteam, dat is ingesteld bij de Regeling landelijk rechercheteam, Stcrt. 1995, 220, is opgegaan in de Dienst Nationale Recherche (hierna: DNR), ingesteld bij de Regeling nationale en bovennationale recherche, Stcrt. 2004, 19 (hierna: de Regeling). Volgens artikel 3 van de Regeling is de DNR een (…) eenheid die deel uitmaakt van het KLPD en onder gezag staat van de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket. Aangenomen moet daarom worden dat in het Besluit voor ‘het landelijk rechercheteam’ gelezen moet worden: ‘DNR’.

Ingevolge artikel 5 van de Regeling heeft de DNR tot taak: het (…) verrichten van onderzoeken naar zware en georganiseerde criminaliteit die naar aard of organisatie een landelijk of internationaal karakter hebben en die de rechtsstaat in ernstige mate bedreigen.

Hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd kan niet worden aangemerkt als zware en georganiseerde criminaliteit in de hiervoor bedoelde zin, terwijl het in deze zaak evenmin een of meer misdrijven betreft die in nationaal of internationaal verband worden gepleegd, nu een en ander zich uitsluitend in de regio Leiden zou hebben afgespeeld.

Dat niet aannemelijk lijkt dat het aangetroffen materiaal uitsluitend in Nederland is vervaardigd en contacten met ‘Lars13’ via een door een Amerikaanse partij geleverde dienst zijn gelegd maakt, anders dan door de officier van justitie is aangevoerd, de verweten gedragingen zoals hiervóór kort omschreven, nog niet tot misdrijven die een regio-overstijgend karakter hebben.

Dat bij de opsporing gebruik is gemaakt van expertise van de Unit Werken onder Dekmantel van het KLPD die valt onder het gezag van de landelijk infiltratie-officier van justitie en dat, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, door de dienst IPOL - ook onderdeel van het KLPD - bij de opsporing onder gezag van het landelijk parket gebruik is gemaakt van regio-overschrijdende, landsgrenzenoverschrijdende en innoverende opsporingsmethoden, is evenmin een aanwijzing dat de verweten gedragingen misdrijven betreffen die in nationaal verband of internationaal verband worden gepleegd.

Nu de strafbare feiten die in deze zaak aan de verdachte zijn ten laste gelegd niet kunnen worden aangemerkt als misdrijf zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b van het Besluit, is de officier van justitie van het landelijk parket niet als zodanig belast met de vervolging van die strafbare feiten. Bij gebreke daarvan, en bij gebreke van andere aanknopingspunten op grond waarvan bevoegdheid van deze rechtbank zou kunnen worden aangenomen, dient de rechtbank zich in deze zaak onbevoegd te verklaren. Hetgeen overigens is aangevoerd omtrent de (niet-)ontvankelijkheid van de officier van justitie behoeft daarom geen bespreking meer.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Essen, voorzitter,

en mrs. Volker en Van Baaren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2012.