Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:BV1124

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2012
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
10/731156-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel: 552b Sv

Klaagschriftprocedure. Standpunt van officier van justitie dat klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wordt niet gevolgd. Het klaagschrift is niet gestoeld op artikel 552a Sv, maar op artikel 552b Sv. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze bepaling juist in het leven geroepen om een rechtsmiddel te creëren voor de derde-belanghebbende wiens voorwerp getroffen is door een verbeurd­verklaring of onttrekking aan het verkeer in de strafzaak van een ander. Uit de bewoordingen van het tweede artikellid volgt voorts dat een dergelijk klaagschrift niet eerder kan worden ingediend dan het moment waarop het vonnis waarbij de beslissing tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer is gegeven, uitvoerbaar is geworden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 552b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/731156-11

Raadkamernummer: 11/1514

Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het op 19 september 2011 ter griffie van deze rechtbank ingediende klaagschrift ex artikel 552b Wetboek van Strafvordering (Sv), van:

(klager),

[geboorteplaats] in [1987],

[adres en woonplaats],

raadsvrouw mr. M.L. Groeneveld, advocaat te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het klaagschrift met bijlagen, alsmede van het raadkamerdossier met bovengenoemd parketnummer en de dossierstukken in de onder parketnummer 10/731156-11 geregistreerde strafzaak tegen [belanghebbende].

De rechtbank heeft in openbare raadkamer van 10 januari 2012 gehoord de officier van justitie mr. Dijkshoorn-Boender, de klager en zijn raadsvrouw.

De belanghebbende, is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

Op 29 juni 2011 is bij een doorzoeking in de woning aan de [adres] een geldbedrag van € 2.370,= aangetroffen en op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen. Het geld bevond zich in een kluis onder het bed in de slaapkamer van [belanghebbende]. De inbeslagname vond plaats in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [belanghebbende]. Deze is bij vonnis van 29 augustus 2011 veroordeeld voor schuldheling. Het in beslag genomen geldbedrag is daarbij verbeurd verklaard. Het vonnis is op 13 september 2011 onherroepelijk geworden.

Inhoud van de klacht

De klager beklaagt zich over het uitblijven van een last tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag. Hij stelt dat het geldbedrag aan hem toebehoort. Hij heeft het geldbedrag aan zijn broer [belanghebbende] in bewaring gegeven, omdat deze een kluis had; een dergelijk bedrag laat men niet slingeren op een nachtkastje. Hij heeft het bedrag bijeen gespaard door met regelmaat contante bedragen van zijn rekeningen op te nemen, zulks ter financiering van vakanties naar Marokko.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent primair dat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het betreft een klaagschrift in de zin van artikel 552a Sv en er is een onherroepelijke beslissing genomen, waarbij het in beslag genomen geld verbeurd is verklaard. Derhalve is het niet meer mogelijk een klaagschrift in te dienen.

Subsidiair heeft de officier van justitie de stelling betrokken dat het geldbedrag niet aan de klager moet worden teruggegeven. De klager heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het geldbedrag aan hem toebehoort.

Standpunt belanghebbende

In het raadkamerdossier bevindt zich een schrijven van [belanghebbende] d.d. 9 augustus 2011 waarin deze meedeelt zich niet te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan zijn broer, de klager.

Beoordeling van de klacht

Ontvankelijkheid

Anders dan de officier van justitie heeft aangenomen, is het klaagschrift niet gestoeld op artikel 552a Sv, maar artikel 552b Sv. Blijkens de wetsgeschiedenis (Handelingen II, 1954-1955, 4034, nr. 3, p. 13) is deze bepaling juist in het leven geroepen om een rechtsmiddel te creëren voor de derde-belanghebbende wiens voorwerp getroffen is door een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer in de strafzaak van een ander. Uit de bewoordingen van het tweede artikellid volgt voorts dat een dergelijk klaagschrift niet eerder kan worden ingediend dan het moment waarop het vonnis waarbij de beslissing tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer is gegeven, uitvoerbaar is geworden, en overigens niet later dan 3 maanden na dat moment. Waar de veroordeling van de broer van de klager op 13 september 2011 onherroepelijk is geworden en het klaagschrift op 19 september 2011 is ingediend, is de klager ontvankelijk in zijn klaagschrift.

Inhoudelijke beoordeling van de klacht

De rechtbank stelt, in het verlengde van hetgeen in het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2011 (LJN: BQ8028) is overwogen, voorop dat indien de klager in een zaak als de onderhavige niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, het verzoek om teruggave reeds om die reden kan worden afgewezen.

In dit geval is het betreffende bedrag aangetroffen in de slaapkamer van de broer van de klager, onder diens bed, in een kluis waarvan de broer over de sleutel beschikte. De klager beschikte niet over die sleutel. De kluis bevatte, naast het geld, onder andere een patiëntensticker op naam van de broer. De broer heeft bij de politie verklaard dat hij een heler is en dat hij contant wordt betaald. Eén van zijn afnemers heeft verklaard dat hij € 700,= contant aan de broer heeft betaald voor een - gestolen - laptop. De broer heeft voorts tot tweemaal toe verklaard dat hij twee keer een bedrag heeft geleend van de klager.

De verklaring van de klager, inhoudende dat hij het geld in de kluis van zijn broer heeft bewaard, sluit daar niet bij aan. Tot slot is meegewogen dat de vader van de klager en diens broer op zijn beurt weer heeft verklaard dat de kluis van zijn dochter is. Tegen de achtergrond van het bovenstaande is niet aannemelijk geworden dat de klager als redelijkerwijs rechthebbende van de in beslag genomen som geld heeft te gelden.

De rechtbank zal het klaagschrift om die reden ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de klager ontvankelijk in zijn klaagschrift;

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. De Jong, rechter,

in tegenwoordigheid van Schlabs, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2012.