Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:9087

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
388977 / HA ZA 11-2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Levensverzekering, proefproces, partijen beogen prejudiciële vraag te doen stellen omtrent de informatieverstrekkingsverplichting van verzekeraar met betrekking tot de tariefstructuur, gevorderd wordt verklaring voor recht, verzekeraar stelt dat de Derde Levensrichtlijn zich verzet tegen aannemen van verdergaande verplichtingen dan die welke voortvloeien uit Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (RIAV 1998), rechtbank gelast comparitie van partijen, partijen dienen zich uit te laten over de aanwezig van voldoende belang als bedoeld in 3:303 BW omdat de procedure tot het stelle van prejudiciële vragen niet is bedoeld voor vragen van louter academisch belang, voorts wil de rechtbank op de hoogte worden gesteld van de kosten en premies waaromtrent verzekeringnemer concreet had willen worden geïnformeerd nu de RIAV 1998 voorkomt als een open en veelomvattende norm die de kosten en premies in beginsel lijkt te omvatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/92
JONDR 2013/371
PJ 2014/94 met annotatie van mr. S.H. Kuiper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 388977 / HA ZA 11-2010

Vonnis van 14 maart 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. B.M. Jonk-van Wijk te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D. Beljon te Utrecht.

Partijen zullen hierna Nationale-Nederlanden en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties.

1.2.

Partijen hebben uitdrukkelijk aangegeven geen behoefte te hebben aan een comparitie na antwoord en direct vonnis te wensen. Daaruit moet worden afgeleid dat zij (ook) afstand hebben gedaan van het recht te re- en dupliceren. De zaak is dus verwezen voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

Nationale-Nederlanden heeft, blijkens een polis van 29 februari 2000, een uitkering van f 255.000,-- dan wel de waarde, vermeerderd met 10% daarvan, van ten behoeve van [gedaagde] uitstaande participaties in bepaalde fondsen, verzekerd ten behoeve van [gedaagde] als verzekeringnemer en verzekerde, uit te keren bij overlijden van [gedaagde] vóór 1 december 2033. [gedaagde] diende hiertoe met ingang van 1 mei 1999 een premie te betalen van (eenmalig) f 8.800,-- en vervolgens (maandelijks) f 200,--. Deze verzekering wordt door Nationale-Nederlanden aangeduid als “Flexibel Verzekerd Beleggen” en in het navolgende verder aangeduid als: de verzekering(sovereenkomst).

2.2.

Tussen partijen is een geschil gerezen omtrent de hoogte van de kosten van de polis en van de (overlijdens)risicopremies voor de van de verzekering deel uitmakende overlijdensrisicodekking. Deze kosten zijn door Nationale-Nederlanden op de bruto premie dan wel de poliswaarde in mindering gebracht. In het verlengde van dit geschil bestaat tussen partijen verschil van mening over de vraag of Nationale-Nederlanden voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voldoende informatie heeft verschaft over deze kosten (hierna ook wel aan te duiden als: de tariefstructuur).

2.3.

Voorafgaand aan het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is aan [gedaagde] een “Voorstel voor flexibel verzekerd beleggen” d.d. 11 juni 1999 verstrekt. Daarin is een drietal voorbeeldkapitalen genoemd op basis van verschillende rendementen en beheerskosten van 0,3%. Voorts is onder het kopje “Productrendement” het volgende vermeld: “Het verschil tussen het fondsrendement en het productrendement is afhankelijk van de verzekerde risico’s, de verschuldigde kosten alsmede van eventueel aanvullende dekkingen.”

3 De vordering en het verweer

3.1.

In verband met de onder 2.2 omschreven vraag wenst Nationale-Nederlanden een verklaring voor recht als hieronder nader omschreven, te verkrijgen.

3.2.

Nationale-Nederlanden stelt dat het recht van de Europese Unie, in het bijzonder de Derde Levensrichtlijn (Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992, Publikatieblad nr. L 360) zich verzet tegen het aannemen van een verdergaande informatieverstrekkingsverplichting dan haar is opgedragen in de Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998). Zij vordert daarom dat voor recht wordt verklaard dat de Derde Levensrichtlijn zich verzet tegen het aannemen van een verdergaande informatieverplichting dan voortvloeit uit de RIAV 1998. Aangezien volgens Nationale-Nederlanden de toewijzing van deze vordering een uitleg van deze Derde Levensrichtlijn vergt, en die uitleg is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof), verzoekt Nationale-Nederlanden de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het Hof op grond van het bepaalde in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het Verdrag).

3.3.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de uit het Nederlandse recht voortvloeiende algemene en/of bijzondere zorgplicht van Nationale-Nederlanden, althans de precontractuele goede trouw en/of de eisen van redelijkheid en billijkheid Nationale-Nederlanden ertoe verplichtte om hem voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst meer informatie te verschaffen over de kosten, de risicopremies en de wijze van berekening daarvan, dan waartoe de RIAV 1998 verplicht. Hij stelt voorts dat de Derde Levensrichtlijn niet in de weg staat aan het aannemen van een dergelijke verplichting.

4 De overwegingen

4.1.

De rechtbank maakt uit de standpunten van partijen op dat deze zaak als een proefproces dient te worden beschouwd. In verband daarmee dient - nu beide partijen aangeven daarover geen discussie te willen voeren - als vaststaand te worden aangenomen dat Nationale-Nederlanden voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst aan [gedaagde] de informatie heeft verschaft waartoe zij op grond van de RIAV 1998 gehouden was.

4.2.

Anders dan Nationale-Nederlanden stelt is de uitleg van bepalingen van de Derde Levensrichtlijn niet voorbehouden aan het Hof. Artikel 267 van het Verdrag geeft de rechter wiens beslissingen vatbaar zijn voor hoger beroep - zoals de rechtbank in onderhavige zaak - immers de mogelijkheid en niet de verplichting om het Hof te verzoeken uitspraak te doen over een vraag ten aanzien van de uitlegging van de Derde Levensrichtlijn, indien de rechtbank een beslissing omtrent de beantwoording van die vraag noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis. In beginsel dient de rechtbank terughoudend met die mogelijkheid om te gaan; zo mogelijk dient zij in voorkomend geval zelf een uitleg van (bepalingen van) de Derde Levensrichtlijn te geven.

4.3.

De hiervoor weergegeven stellingen van partijen brengen de rechtbank op de vraag of in deze is voldaan aan het vereiste van artikel 3:303 BW: zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Nu Nationale-Nederlanden een verklaring voor recht vordert - waardoor het bestaan van een reëel geschil dus niet reeds welhaast per definitie voortvloeit uit het gegeven dat sprake is van een vordering -, meent de rechtbank dat zij deze vraag ambtshalve aan de orde dient te stellen. Dit is temeer nodig nu partijen aandringen op toepassing van artikel 267 van het Verdrag, een procedure die niet is bedoeld voor het beantwoorden van vragen met een louter academisch belang.

4.4.

Het belang van Nationale-Nederlanden bij haar rechtsvordering is er kennelijk in gelegen duidelijkheid te verkrijgen omtrent de juistheid van haar standpunt dat een ten opzichte van de RIAV 1998 aanvullende informatieverstrekkingsverplichting niet verenigbaar is met de Derde Levensrichtlijn. Nu [gedaagde] dit standpunt bestrijdt, acht de rechtbank voorshands een “voldoende belang” als bedoeld in artikel 3:303 BW bij deze rechtsvordering aanwezig. Nu partijen zich over dit belang-vereiste nog niet hebben uitgelaten, zal de rechtbank hen de gelegenheid geven dit alsnog te doen ter gelegenheid van de te gelasten comparitie. Daarbij kan tevens aan de orde komen of/in hoeverre sprake is van meerdere aanhangige dan wel te verwachten procedures waarin deze specifieke vraag een rol speelt.

4.5.

De rechtbank dient, gezien de gevorderde verklaring voor recht, vervolgens te beoordelen of in het onderhavige geval uitleg van de Derde Levensrichtlijn noodzakelijk is voor het wijzen van vonnis en de in dit geval te nemen beslissingen. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het volgende. Daarbij neemt de rechtbank, met partijen, tot uitgangspunt dat implementatie van de Derde Levensrichtlijn heeft plaatsgehad door het in werking treden van de RIAV 1998. Dit volgt uit het systeem van de Derde Levensrichtlijn en de RIAV 1998, alsmede uit hetgeen is vermeld in de artikelsgewijze toelichting op artikel 2 van de RIAV 1998 (Stcrt. 1998, nr. 134, pag. 8).

4.6.

Uit artikel 31, derde lid van de Derde Levensrichtlijn volgt dat de Nederlandse staat van verzekeringsondernemingen niet mag verlangen dat zij, naast de in de bij de richtlijn behorende bijlage II vermelde, aanvullende gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. In genoemde bijlage II worden geen gegevens vermeld die betrekking hebben op de tariefstructuur.

4.7.

In artikel 2, tweede lid van de RIAV 1998 wordt een opsomming gegeven van informatie waarvan de verzekeraar de verzekeringnemer schriftelijk in kennis moet stellen (voor zover die informatie niet uit de polisvoorwaarden blijkt).

4.8.

Artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998 verplicht de verzekeraar er zorg voor te dragen dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van “de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst” en “indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht”.

4.9.

Gelet op het onder 4.1 overwogene geldt tussen partijen in deze procedure, dat vast staat dat Nationale-Nederlanden aan haar verplichting zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998 heeft voldaan. Anderzijds stelt [gedaagde] dat hij is geconfronteerd met het inhouden van een (hoge) overlijdensrisicopremie, administratiekosten, aankoopkosten van beleggingen, beheerskosten, kosten van de beleggingsfondsen, verkoopkosten van de beleggingen etcetera, waarvan hij in de fase voor afsluiting van de overeenkomst ten onrechte niet op de hoogte is gebracht. De rechtbank zal in het navolgende voorshands uitgaan van de juistheid van deze stelling, omdat een ander uitgangspunt dienaangaande verdere behandeling van deze kwestie zinledig zou maken.

4.10.

Dit brengt echter wel met zich dat het de rechtbank voorshands niet duidelijk is hoe beide uitgangspunten (enerzijds: er is voldaan aan art. 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998, anderzijds geen informatie over diverse kosten) met elkaar verenigbaar zijn. Artikel 2, tweede lid onder q en r van de RIAV 1998 komt de rechtbank voor als een open en veelomvattende norm, onder de werking waarvan de premie en kosten waarover [gedaagde] geïnformeerd had willen worden, in beginsel lijken te vallen. De vraag is derhalve in hoeverre de door partijen genoemde open normen (precontractuele goede trouw, redelijkheid en billijkheid, bijzondere zorgplicht) een verdergaande verplichting (kunnen) inhouden dan de op het eerste gezicht eveneens open geformuleerde bepalingen van artikel 2, tweede lid sub q en r van de RIAV 1998. De rechtbank heeft er overigens nota van genomen dat in de eerder genoemde artikelsgewijze toelichting bij de RIAV 1998 wordt gesteld dat met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars, waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, invulling wordt gegeven aan deze verplichtingen. Het is echter de vraag of deze toelichting een beperking aanbrengt aan de op zichzelf duidelijke wettekst, en zo ja, of dat in toelaatbare mate gebeurt.

4.11.

In verband hiermee is voorts van belang dat de rechtbank op de hoogte wordt gesteld van de kosten of premies waaromtrent [gedaagde] concreet had willen worden geïnformeerd. Dergelijke informatie is (ook) van belang voor het geval uiteindelijk prejudiciële vragen gesteld zouden gaan worden.

4.12.

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde de hiervoor vermelde inlichtingen van partijen te verkrijgen en om overleg met partijen te voeren over de verdere behandeling van deze zaak.

4.13.

Indien één van partijen het wenselijk acht dat ter comparitie van partijen ook andere aspecten van het geschil worden besproken, kan die partij dat uiterlijk veertien dagen voor de zitting bij brief aan de rechtbank berichten onder opgave van de betreffende onderwerpen. Ter comparitie van partijen zal iedere partij in de gelegenheid worden gesteld kort - maximaal omstreeks twintig minuten per partij - te pleiten, ter zake waarvan partijen ter zitting pleitnota's kunnen overleggen.

4.14.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, [gedaagde] in persoon en Nationale-Nederlanden deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.W. van den Hurk en mr. Th. Veling, op een nader te bepalen datum en tijdstip tot het geven van inlichtingen;

beveelt partijen om binnen twee weken aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave te doen van de verhinderdata van alle betrokkenen aan hun zijde in de maanden april, mei en juni 2012;

bepaalt dat na het verstrijken van voornoemde termijn de zittingsdatum zal worden bepaald en dat partijen daarover bij brief zullen worden geïnformeerd;

bepaalt dat de vast te stellen zittingsdatum behoudens klemmende redenen nadien niet meer zal worden gewijzigd.

5.1.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.W. van den Hurk en mr. Th. Veling, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.