Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:8660

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
392625 / JE RK 11-3587
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel - ontheffing beide ouders van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De raad voor de kinderbescherming heeft een verzoek tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag en tot daarnaast geconcludeerd dat het ouderlijk gezag van de vader in het licht van de bestaande situatie is geschorst en dientengevolge de moeder alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van schorsing van het ouderlijk gezag, en beide ouders met het gezag zijn belast, verzoekt de raad voor de kinderbescherming subsidiair de vader te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De rechtbank heeft alvorens te kunnen beslissen op het verzoek van de raad met betrekking tot de vader eerst de vraag beantwoord of de vader conform Marokkaans recht met het ouderlijk gezag over de minderjarige is belast.

Vervolgens is conform Nederlands recht op het verzoek van de raad beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht, team jeugd

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 24 juli 2012

Zaak-/rekestnummer: 392625 / JE RK 11-3587

Beschikking in de zaak van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van de met het gezag belaste ouders,

[naam vader], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en

[naam moeder], wonende te [adres].

Het verloop van de procedure

De raad heeft verzocht de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarige, met benoeming van de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: de stichting) tot voogdes.

Bij tussenbeschikking van 23 februari 2012 is de behandeling van de zaak aangehouden.

Van de zijde van de advocaat van de moeder, mr. L.A.E. Timmer, is een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 9 maart 2012.

Van de zijde van de raad is op 23 maart 2012 een gewijzigd verzoek ingekomen, strekkende tot gedwongen ontheffing van het gezag van beide ouders over voornoemde minderjarige, met benoeming van de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: de stichting) tot voogdes.

De behandeling van de zaak is voortgezet op 10 juli 2012.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. L.A.E. Timmer en door [naam tolk], tolk in de Marokkaans-Arabische taal;

  • -

    de pleegmoeder, [naam pleegmoeder];

  • -

    de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door [naam zittingsvertegenwoordiger];

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [naam zittingsvertegenwoordiger].

De vader en de biologische vader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De vaststaande feiten

De minderjarige staat sinds 1 augustus 2008 onder toezicht en is sinds 18 september 2008 uit huis geplaatst.

De beoordeling

De raad heeft ter zitting zijn verzoek gehandhaafd. Uit het aanvullende onderzoek van de raad is naar voren gekomen dat de vader, [naam vader], tezamen met de moeder belast is met het ouderlijk gezag. Immers, de minderjarige is tijdens het huwelijk van de ouders geboren. In de Gemeentelijke Basis Administratie staat geregistreerd dat de vader is geëmigreerd met onbekende bestemming. Zijn verblijfplaats is onbekend.

De vader is volgens de informatie van de moeder niet op de hoogte van de geboorte van de minderjarige. Gelet op deze situatie is de raad van mening dat op grond van artikel 1:253q jo. 1:253r van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van de vader is geschorst, vanwege de onbekendheid van de verblijfplaats van de vader, waardoor hij ook feitelijk niet tot uitoefening van zijn gezag overgaat. Dientengevolge oefent de moeder thans alleen het gezag over de minderjarige uit. Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van schorsing van het gezag van de vader, dan is de raad van mening dat de vader dient te worden ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. De vader is niet op de hoogte van het bestaan van de minderjarige en is nimmer betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van de minderjarige. Ook verblijft hij niet langer in Nederland. Gelet hierop stelt de raad dat de vader ongeschikt en onmachtig is om zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Ten aanzien van de moeder is de raad van mening dat de moeder ongeschikt en onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. De minderjarige verblijft sinds september 2008 in het pleeggezin. Hij heeft zich daar veilig gehecht en een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het heeft bij de moeder destijds aan een stabiele leefsituatie ontbroken. De moeder is niet in staat gebleken tegemoet te komen aan de opvoedvraag van de minderjarige. Zij beschikte niet over eigen huisvesting en er was sprake van beperkte financiële middelen. Het feit dat de situatie van de moeder zich het afgelopen jaar positief heeft ontwikkeld doet niets af aan het feit dat het belang van de minderjarige met zich mee moet brengen dat de huidige situatie wordt gecontinueerd.

De stichting heeft de verzoeken van de raad ondersteund. De situatie van de moeder is het afgelopen jaar inderdaad sterk verbeterd. Echter, in de periode daarvoor is de moeder er niet in geslaagd haar leven op orde te krijgen. Ze hield zich onvoldoende aan de afspraken en is niet voldoende betrouwbaar geweest voor zowel de minderjarige als de stichting. De stichting is met de raad van mening dat het belang van de minderjarige om veilig op te groeien in het huidige pleeggezin, waar hij inmiddels ruim drie jaar verblijft, dient te prevaleren boven het belang van de moeder. Terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder zou schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de minderjarige, daar hij in het pleeggezin veilig is gehecht. Om die reden wordt al geruime tijd niet langer gewerkt aan het doel van de maatregelen, zijnde terugkeer van de minderjarige bij de moeder.

De bezoeken tussen de moeder en de minderjarige zijn uitgebreid en verlopen goed. De minderjarige behoeft echter duidelijkheid over zijn toekomstperspectief. Gezien het vorenstaande ziet de stichting geen meerwaarde voor de minderjarige indien het ouderlijk gezag bij de moeder blijft berusten. Volgens de stichting doet een ontheffing recht aan de feitelijke situatie.

Ten aanzien van de positie van de vader refereert de stichting zich aan het oordeel van de rechtbank.

De pleegmoeder heeft verklaard zich aan te sluiten bij de standpunten van de raad en de stichting. Terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder acht de pleegmoeder niet in het belang van de minderjarige. De minderjarige verblijft sinds kort na zijn geboorte in het pleeggezin. Hij heeft zich positief ontwikkeld en zich veilig gehecht. In geval van ontheffing zal de feitelijke situatie niet veranderen. De contacten met de moeder zullen worden voortgezet. De minderjarige heeft echter recht op duidelijkheid over zijn situatie.

De moeder heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige. De moeder is van mening dat niet aan de gronden voor een ontheffing is voldaan, daar thans niet kan worden gesteld dat zij ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Er is zicht op terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder, nu zij de afgelopen periode een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt en haar leven inmiddels op orde heeft. De moeder heeft een eigen woning en werk. De bezoekregeling, die recentelijk is uitgebreid, verloopt goed. De moeder onderkent dat de minderjarige niet direct bij haar kan worden geplaatst. Desalniettemin kunnen thans wel de mogelijkheden tot plaatsing bij haar worden onderzocht. De moeder beschikt over de noodzakelijke capaciteiten en vaardigheden om voor de minderjarige te zorgen, zoals tijdens het hulpverleningstraject van Stek ten behoeve van haar andere zoon is gebleken. De ondertoezichtstelling die over hem was uitgesproken is om die reden beëindigd. De moeder staat open voor de hulp die bij een eventueel terugplaatsingtraject noodzakelijk is. De moeder begrijpt dat de minderjarige is gehecht in het pleeggezin en weet dat de pleegouders heel belangrijk voor de minderjarige zijn. Echter, zij bemerkt tijdens de bezoeken dat de minderjarige steeds meer naar haar begint toe te trekken.

Gelet op het vorenstaande heeft de advocaat van de moeder bepleit het verzoek van de raad ten aanzien van de moeder af te wijzen.

De advocaat van de moeder heeft ten aanzien van de positie van de vader aangegeven zich te verenigen met het standpunt van de raad, zijnde dat het gezag van de vader is geschorst. De advocaat heeft echter wel bepleit de vader desondanks te ontheffen van het ouderlijk gezag, voor het geval in de toekomst zijn gezag door een terugkeer naar Nederland herleeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

Ingevolge artikel 1:268, lid 2, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge artikel 1:268, lid 2, aanhef en sub a BW lijdt deze regel uitzondering, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Ten aanzien van het ouderlijk gezag van de vader

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de ouders op [datum van huwelijk] te [plaats van huwelijk], met elkaar zijn gehuwd. De vader beschikt over de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit. De moeder beschikt over de Marokkaanse nationaliteit. De vader is kort nadat de moeder in 2006 naar Nederland is gekomen naar Marokko vertrokken. De moeder is daarna zwanger geraakt van een andere man. De minderjarige is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren. De vader verblijft - voor zover bekend - thans nog altijd in Marokko en is niet op de hoogte van het bestaan van de minderjarige, aldus de moeder. Gelet op voornoemde omstandigheden is de Raad van mening dat het gezag van de vader is geschorst. Voor zover dit niet het geval is, heeft de raad verzocht de vader eveneens van het ouderlijk gezag over de minderjarige te ontheffen.

Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, acht de rechtbank zich bevoegd om van het verzoek ten aanzien van de vader kennis te nemen.

Alvorens op het verzoek kan worden beslist, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de vader als juridisch vader kan worden aangemerkt en met het gezag is belast.

Artikel 1 lid 1 van de Wet Conflictenrecht Afstamming bepaalt het volgende. Of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde man, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en de man elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind

Kort gezegd is het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de beide ouders van toepassing op de vraag of de vader de juridische vader is van de minderjarige. Ter zitting is verklaard dat beide ouders over de Marokkaanse nationaliteit beschikken. Daaruit volgt dat het Marokkaanse recht van toepassing is.

Het Marokkaans familiewetboek, de Mudawwana (hierna: Mud.), is op 5 februari 2004 voor het laatst gewijzigd. Blijkens de artikelen 152 en 153 van de Mud. is een kind wettig, waarbij de man geldt als de juridisch vader van het kind, indien het kind is geboren tijdens het huwelijk. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het kind minimaal zes maanden na huwelijkssluiting (art. 154 lid 1 Mud.) of maximaal een jaar na huwelijksontbinding (art 154 lid 2 Mud.) is geboren. Verder moet gemeenschap tussen de man en de vrouw mogelijk zijn geweest.

De ouders zijn conform de Marokkaanse wet gehuwd. Het huwelijk is niet ontbonden. De minderjarige is derhalve binnen het huwelijk van de ouders geboren. Ondanks het feit dat de vader kort nadat zijn vrouw in 2006 naar Nederland kwam het land heeft verlaten, kan niet worden uitgesloten dat aan bovenstaande criteria niet is voldaan.

Het gezag en de zorg voor kinderen valt in het Marokkaans recht uiteen in drie onderdelen, zijnde de voogdij/ wettelijke vertegenwoordiging, het zogen en de hadana.

Onder de voogdij/wettelijke vertegenwoordiging vallen keuzes en beslissingen over het kind, de schoolkeuze, de morele en religieuze opvoeding en verder het beheren van het vermogen van het kind. De taken zijn genoemd in art. 235 Mud. Conform art. 231 en 233 Mud. is de vader voogd en wettelijke vertegenwoordiger over de persoon en het vermogen van het kind.

De moeder heeft het recht tot het zogen van een baby tot twee jaar na de geboorte (art. 54 lid 4 en 400 Mud.).

De hadana komt als het zogen is beëindigd. Dit is de zorg voor de elementaire behoeften van een kind en zijn lichamelijke en geestelijke bescherming (art. 163 Mud.). De hadana eindigt als de kinderen achttien jaar worden (art. 166 en 209 Mud.).

Artikel 164 Mud. stelt dat tijdens het huwelijk beide ouders de hadana hebben.

De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de vader op grond van Marokkaans recht als juridisch ouder dient te worden aangemerkt en eveneens met het gezag belast is.

Ten aanzien van het verzoek tot ontheffing van het gezag van de vader

Vervolgens ligt de vraag voor of het gezag van de vader gezien de bestaande situatie is geschorst en of de vader van het ouderlijk gezag kan en moet worden ontheven. Nu de rechtbank bevoegd is, dient deze vraag naar Nederlands recht te worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat het gezag van de vader, gelet op zijn langdurige afwezigheid en verblijf in het buitenland, waarbij zijn verblijfplaats onbekend is gebleken en de - al dan niet tijdelijke - onmogelijkheid waarin hij verkeert het gezag uit te oefenen, alsook zijn onwetendheid ten aanzien van het bestaan van de minderjarige, ingevolge artikel 1:253r BW is geschorst. Als gevolg van de schorsing van het gezag van de vader, oefent de moeder thans alleen het gezag over de minderjarige uit, een en ander ingevolge artikel 1:253q lid 1 BW.

Er is geen rechtsregel die zich er tegen verzet ook een ontheffing van het gezag uit te spreken in het geval het gezag geschorst is, indien de gronden voor ontheffing zich voordoen. De omstandigheid dat vader zijn gezag nimmer heeft uitgeoefend en geen enkele binding op welke wijze dan ook met de minderjarige heeft, maakt hem naar het oordeel van de rechtbank, ook in het geval de schorsing wordt opgeheven, ongeschikt en onmachtig om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de vader ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Ten aanzien van het verzoek tot ontheffing van het gezag van de moeder

Vooropgesteld dient te worden dat uit onderzoek is gebleken dat wanneer een minderjarige vanaf zeer jeugdige leeftijd in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft en er geen zicht is op terugplaatsing, het in het belang van het kind moet worden geacht dat het kind zich in het pleeggezin volledig en harmonieus kan ontwikkelen. Duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van de minderjarige is hierbij van belang.

Echter, zolang nog reële mogelijkheden tot thuisplaatsing aanwezig zijn brengt artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in welk artikel het recht op gezinsleven is neergelegd, met zich dat de toepassing van een kinderbeschermingsmaatregel gericht is op een uiteindelijke hereniging met de ouder(s).

Dit is anders indien thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort. In dat geval blijft bij een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing onzekerheid over het toekomstperspectief voortduren. De mogelijkheid tot hereniging met de ouder(s) en de onzekerheid hieromtrent kunnen het hechtingsproces in het pleeggezin verstoren, hetgeen in die situatie een niet gerechtvaardige inbreuk vormt op het recht van het kind op respect van het inmiddels tussen hem en de pleegouders ontstane familie- en gezinsleven. Zeker wanneer het een zeer jong kind betreft en er reeds sterke banden met de pleegouders bestaan, dient het belang van de minderjarige bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Er dient dan ook duidelijkheid te komen in de gezagssituatie in die zin dat de beslissingen in het kader van de verzorging en opvoeding van het kind voortaan genomen worden door of in nauw overleg met diegenen die de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind al geruime tijd op zich hebben genomen en dat ook in de toekomst zullen blijven doen.

Het recht van de minderjarige weegt in een dergelijk geval zwaarder dan het recht van de ouder(s) op hereniging met de minderjarige.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarige vanaf het moment dat hij vijf dagen oud was in het huidige (perspectiefbiedende) pleeggezin verblijft. Vaststaat dat hij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat sprake is van een veilige hechting aan de pleegouders. Voor de (verdere) ontwikkeling van de minderjarige is de kwaliteit van de gehechtheid van groot belang. De gehechtheidrelatie met pleegouders is goed. Dit brengt mee dat de minderjarige zich veilig voelt. Indien deze relatie wordt verbroken is de kans reëel aanwezig dat zijn bestaan wordt bedreigd.

Uit het rapport van de raad komt naar voren dat de minderjarige weliswaar inmiddels een positief contact met de moeder heeft, maar dat (nog) niet kan worden gesproken van een binding met haar. Ten tijde van het opmaken van het rapport was nog sprake van begeleide bezoeken van eenmaal per vier weken van twee uur, welke regeling recent was uitgebreid. De minderjarige noemt de moeder weliswaar moeder [voornaam moeder], maar uit de stukken blijkt dat hij zijn pleegmoeder als zijn echte moeder lijkt te beschouwen.

De rechtbank onderkent dat de moeder de afgelopen periode een grote vooruitgang heeft geboekt. Zij beschikt thans over een stabiele leefsituatie en is in staat gebleken om de opvoeding en verzorging van haar andere zoon positief ter hand te nemen. Gelet daarop is de wens van de moeder om de situatie van de minderjarige nogmaals te bekijken en de mogelijkheden tot plaatsing bij haar te onderzoeken begrijpelijk.

Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank echter van oordeel dat het belang van de minderjarige om in het perspectiefbiedende pleeggezin op te groeien, de gehechtheidrelatie met de pleegouders in stand te houden en een passende bezoekregeling met zijn moeder te hebben, dient te prevaleren boven het belang van de moeder dat gericht is op gezinshereniging met de minderjarige. Het doorbreken van de bestaande gehechtheidrelatie met de pleegouders moet naar het oordeel van de rechtbank schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarige worden geacht.

Het voorgaande brengt mee dat de moeder ten aanzien van de minderjarige onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen, nu het toekomstperspectief van de minderjarige niet bij haar ligt. Gelet op het belang van een ongestoorde hechting en de negatieve invloed die de steeds terugkerende verlengingen van de beschermingsmaatregelen daarop hebben, is het in het belang van de minderjarige dat ontheffing van het gezag plaatsvindt.

Aan de wettelijke vereisten voor ontheffing is voldaan.

Omdat de ontheffing van het ouderlijk gezag van de beide ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening ten aanzien van de minderjarigen zal komen te ontbreken, zal de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadregio Rotterdam tot voogdes benoemen, die zich daartoe bereid heeft verklaard.

Op grond van het vorenstaande zal het verzoek worden toegewezen.

De beslissing

Ontheft beide ouders van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Benoemt tot voogdes over de minderjarige:

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hes-Bakkeren, voorzitter en kinderrechter, mr. Paling en mr. Van der Laan-Kuijt, kinderrechters in bijzijn van Scholtens, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.