Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2012:2563

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
AWB-11_02039
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1226, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek planschade, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2039

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2012 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. J.M. Smits,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, verweerder,

gemachtigde: A.C.P. van Kruijssen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank ter behandeling als (rechtstreeks) beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. drs. C.M.L. van der Lee, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).

Overwegingen

1.

Eisers zijn sinds 29 december 1986 eigenaren van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Bij brief van 13 november 2009 hebben zij een tegemoetkoming in planschade aangevraagd. Eisers stellen schade te lijden in de vorm van een waardevermindering van hun woning als gevolg van een op 4 november 2008 verleende vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het realiseren van 54 woningen en bijbehorende voorzieningen op de locatie gelegen tussen de [adres] in [woonplaats] .

2.

Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar een advies van de SAOZ van november 2010. De SAOZ heeft het vrijstellingsbesluit vergeleken met het bestemmingsplan “Bolnes-Noord 1997” en geconcludeerd dat de vrijstelling geen planologische verslechtering voor eisers tot gevolg heeft, zodat geen sprake is van voor vergoeding vatbare schade in de vorm van een waardevermindering van hun woning. Volgens de SAOZ zijn de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als gevolg van de vrijstelling niet in relevante mate toegenomen. Daartoe is overwogen dat eisers op basis van het bestemmingsplan al rekening moesten houden met de ontwikkeling van woningbouw op een gedeelte van de nieuwbouwlocatie, nu het bouwplan gedeeltelijk is gelegen op gronden met de bestemming ‘Uit te werken bestemming Woongebied’ (bestemming ‘Uw’), waar, rekening houdend met de maximale invulling van de uitwerkingsregels, maximaal 30 woningen gerealiseerd kunnen worden.

3.

Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte bij de planologische vergelijking rekening heeft gehouden met de maximale invulling van de bestemming ‘Uw’. In dit verband wijzen eisers er op dat op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) uit te werken bepalingen in een bestemmingsplan geen oorzaak van planschade (kunnen) zijn zolang daaraan geen toepassing is gegeven. Volgens eisers vloeit hieruit voort dat uit te werken bepalingen ook buiten beschouwing moeten blijven bij de maximale invulling van het oude planologische regime in het kader van de planvergelijking.

4.

Per 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedings-overeenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge artikel II, tweede lid, van de op 1 september 2005 in werking getreden wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f, voor zover de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip worden ingediend.

Op de aanvraag van eisers is artikel 6.1 van de Wro van toepassing, nu de aanvraag is ingediend na 1 juli 2008 en de vrijstelling niet vóór 1 september 2005 onherroepelijk is geworden.

5.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels

burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken.

6.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door verandering van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

7.

Vast staat dat het vrijstellingsbesluit dient te worden vergeleken met het bestemmingsplan “Bolnes-Noord 1997”. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder bij het bepalen van de maximale gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan terecht de maximale invulling van de uit te werken bestemming ‘Uw’ heeft betrokken.

8.

Ingevolge vaste jurisprudentie onder de werking van artikel 49 van de WRO dient bij een planologische vergelijking te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van een uit te werken bestemming, voor zover er geen sprake is van een verwezenlijkt uitwerkingsplan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2009, LJN: BJ1111).

Vast staat dat voor de gronden met de bestemming ‘Uw’ geen sprake is van een verwezenlijkt uitwerkingsplan.

9.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat op de aanvraag van eisers niet artikel 49 van de WRO maar artikel 6.1 van de Wro van toepassing is geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de planvergelijking geen rekening heeft mogen houden met de maximale mogelijkheden van de bestemming ‘Uw’. Artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro sluit uit dat uit te werken bepalingen in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro, als oorzaak van planschade kunnen dienen. Nog daargelaten dat hieruit niet blijkt dat tevens is beoogd om uit te werken bepalingen buiten beschouwing te laten bij de maximale invulling van het oude planologische regime in het kader van de planvergelijking, heeft deze uitsluiting naar het oordeel van de rechtbank slechts betrekking op uit te werken bepalingen die tot stand zijn gekomen op basis van de Wro en niet op uitwerkingsplichten die onder de WRO zijn gegeven. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat in het overgangsrecht in de Invoeringswet Wro een op basis van de WRO gegeven uitwerkingsplicht niet is gelijkgesteld met een uitwerkingsplicht als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. Artikel 9.1.5 van de Invoeringswet Wro bepaalt slechts dat een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de WRO wordt gelijkgesteld met een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro en die situatie doet zich hier niet voor. Nu het bestemmingsplan “Bolnes-Noord 1997” – en dus ook de bestemming ‘Uw’ – is vastgesteld op basis van de WRO, kan dus niet worden aangenomen dat de uitsluiting in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro van toepassing is op de uit te werken bepalingen behorende bij de bestemming ‘Uw’.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht bij de planvergelijking rekening heeft gehouden met de maximale mogelijkheden van de bestemming ‘Uw’.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van P.A. Slegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.