Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:CA3932

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
DOR 10/1289
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1289

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam], wonende te [woonplaats],

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Hummel, werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO).

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2010 (bericht studiefinanciering 2007, nr. 3) aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 1 september 2007 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij in de laatste zes jaren voor aanvang van haar studie in het buitenland niet ten minste drie jaren (legaal) in Nederland heeft gewoond. Voorts heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij € 1.010,92 te veel toelage heeft ontvangen en dat dit bedrag een kortlopende schuld is geworden.

Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2010 (bericht studiefinanciering 2008, nr. 6) aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2008 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij in de laatste zes jaren voor aanvang van haar studie in het buitenland niet ten minste drie jaren (legaal) in Nederland heeft gewoond. Voorts heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij € 3.067,68 te veel toelage heeft ontvangen en dat dit bedrag een kortlopende schuld is geworden.

Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2010 (bericht studiefinanciering 2009, nr. 9) aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2009 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij in de laatste zes jaren voor aanvang van haar studie in het buitenland niet ten minste drie jaren (legaal) in Nederland heeft gewoond. Voorts heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij € 8.788,94 te veel toelage heeft ontvangen en dat dit bedrag een kortlopende schuld is geworden.

Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2010 (bericht studiefinanciering 2010, nr. 5) aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2010 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij in de laatste zes jaren voor aanvang van haar studie in het buitenland niet ten minste drie jaren (legaal) in Nederland heeft gewoond. Voorts heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij € 3.973,45 te veel toelage heeft ontvangen en dat dit bedrag een kortlopende schuld is geworden. Daarbij heeft verweerder het saldo van eiseresses schulden per 28 mei 2010 vastgesteld op € 19.481,64.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 9 juni 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 september 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 17 maart 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde, te weten haar ouders.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, is dit artikel uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 2007 zijn ingeschreven voor het volgen van hoger onderwijs aan een opleiding buiten Nederland.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan voor studiefinanciering een student in aanmerking komen die:

a. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voorzover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW,

b. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland die, onverminderd onderdeel a, overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria, en

c. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad.

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan de Dienst Uitvoering Onderwijs een beschikking herzien waarbij studiefinanciering is toegekend.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel, voor zover hier van belang, vindt herziening plaats op grond van het feit dat te veel studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, eerste volzin, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, wordt, indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, daartoe aanleiding geeft, hetgeen teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluiten van 28 mei 2010 gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor studiefinanciering omdat niet is voldaan aan de zogenoemde drie uit zes eis. Verweerder stelt dat de eerdere toekenningsbesluiten terecht zijn herzien en dat het bedrag aan te veel uitbetaalde studiefinanciering moet worden terugbetaald.

2.3. Eiseres heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Er is ten onrechte aan eiseres een kortlopende schuld opgelegd, omdat zij vanaf 1 september 2007 niet zou voldoen aan de drie uit zes eis. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden waaronder de studiefinancieringsaanvraag tot stand is gekomen. In mei 2008 heeft eiseres het servicekantoor van DUO te Breda bezocht in verband met de afhandeling van een persoonsverwisseling. De behandelend medewerker van dit servicekantoor, waarvan eiseres de naam niet weet, heeft haar erop gewezen dat zij recht heeft op studiefinanciering voor de door haar sinds 15 augustus 2006 gevolgde buitenlandse opleiding. Eiseres heeft zich door de behandelend medewerker laten voorlichten over de drie uit zes eis en vervolgens heeft zij samen met deze medewerker het aanvraagformulier doorlopen en ingevuld. Ook door het servicekantoor van DUO te Groningen werd het recht op buitenlandse studiefinanciering bevestigd. Eiseres beschikte ten tijde van de aanvraag niet over een burgerservicenummer en een Nederlandse bankrekening, waardoor bij de DUO twijfel had moeten ontstaan omtrent de acceptatie van de aanvraag. Achteraf is gebleken dat eiseres de aanvraag voor wat betreft de drie uit zes eis onjuist heeft ingevuld. Het verrichte onderzoek door de medewerker bezwaar van de DUO naar voornoemde omstandigheden is naar de mening van eiseres te eenzijdig geweest. Immers eiseres heeft een gedetailleerde toelichting gegeven. Weliswaar voldoet eiseres niet aan de drie uit zes eis, doch er is sprake van voldoende feiten die een reële band met Nederland aantonen. Zo heeft het hele gezin waartoe eiseres behoort de Nederlandse nationaliteit en woonde zij tot 1993 in Nederland. In 1993 is het gezin wegens werkomstandigheden naar België verhuisd doch heeft eiseres de lagere en middelbare school doorlopen in de Nederlandse taal. De vader van eiseres werkte en betaalde belastingen in Nederland in de periode van 2007 tot 2009. Vanwege het feit dat verweerder pas achteraf na drie jaar een controle uitvoert, is de kortlopende schuld inmiddels opgelopen tot € 20.000,-.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1. Gebleken is dat eiseres middels het daartoe bestemde formulier een aanvraag studiefinanciering buitenland hoger onderwijs, gedateerd 24 juni 2008, bij de DUO heeft ingediend, waarbij zij als buitenlandse instelling heeft vermeld ‘Universiteit van de Nederlandse Antillen’ en als studierichting ‘hospitality and tourism management. In dit formulier heeft eiseres bij de vraag of zij ‘in de zes jaren voor aanvang van haar studiefinanciering in het buitenland tenminste drie jaren legaal in Nederland heeft gewoond’ aangekruist: ‘ja, tenminste drie jaren’. Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft de DUO aan eiseres recht op studiefinanciering vanaf 1 september 2007 toegekend voor het volgen van de voormelde buitenlandse opleiding.

2.4.2. Bij besluiten van 28 mei 2010 heeft verweerder de aan eiseres toegekende studiefinanciering herzien, met dien verstande dat haar met terugwerkende kracht vanaf

1 september 2007 geen recht op studiefinanciering is toegekend. Verweerder stelt hiertoe dat uit een controle is gebleken dat eiseres in de zes jaren voor aanvang van haar studiefinanciering in het buitenland niet tenminste drie jaren legaal in Nederland heeft gewoond. Hiermee is niet voldaan aan de drie uit zes eis, als bedoeld artikel 2.14, tweede lid, onder c, van de Wsf 2000

2.4.3. Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van de aanvraag niet voldeed aan de drie uit zes eis. Gelet op het feit dat eiseres over de periode van september 2007 tot en met mei 2010 niettemin studiefinanciering heeft ontvangen, was verweerder op grond van de hiervoor aangehaalde bepalingen van artikel 7.1 van de Wsf 2000 bevoegd de over die periode toegekende studiefinanciering te herzien. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder van haar herzieningsbevoegdheid geen gebruik had mogen maken.

De omstandigheid dat eiseres vorenbedoelde aanvraag niet geheel juist heeft ingevuld en voor wat betreft de drie uit zes eis heeft bedoeld dat er een reële band met Nederland bestaat doet aan het vorenstaande niet af. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor het vergaren van de nodige informatie omtrent haar recht op studiefinanciering en het vervolgens op een juiste en volledige wijze indienen van een aanvraag.

Ten aanzien van eiseresses betoog dat verweerder aan haar met ingang van 1 september 2007 studiefinanciering heeft toegekend en dat zij er derhalve vanuit ging dat zij daar recht op had, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Op grond van dit beginsel dienen toezeggingen door een bestuursorgaan gedaan aan en/of gerechtvaardigde verwachtingen welke zijn opgewekt bij een belanghebbende door het desbetreffende bestuursorgaan te worden gehonoreerd, ook indien zulks in strijd zou komen met dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen. Voor een geslaagd beroep op het voormelde beginsel is echter ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 9 april 2004, LJN: AO9490 en Centrale Raad van Beroep 10 juni 2004, LJN: AP1520) in de regel een expliciete, ondubbelzinnige schriftelijke toezegging van een bestuursorgaan vereist welke ongeclausuleerd en (mede) toegespitst is op de specifieke situatie van de belanghebbende.

Hoe betreurenswaardig het ook is dat eiseres tijdens een het bezoek aan het servicekantoor van DUO is afgegaan op -achteraf gebleken- onjuiste informatie van een medewerker, zulks neemt niet weg dat het de rechtbank in het onderhavige geval niet is gebleken van een zodanige toezegging van de zijde van verweerder. Eiseres mocht aan het feit dat haar studiefinanciering werd toegekend geen vertrouwen ontlenen dat later, indien zou blijken dat dit ten onrechte is gebeurd, geen terugvordering zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande komt eiseres geen beroep toe op het vertrouwensbeginsel.

2.4.4. Voor zover in geschil hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de door eiseres gestelde omstandigheden geen grond te vinden om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule. Ook in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd kan hiertoe geen aanleiding geven. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de toepassing van de Wsf 2000 in het geval van eiseres leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Op grond van al het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit kan standhouden en het beroep van eiseres ongegrond is.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A. Hello, rechter, en door deze en mr. L. Coenraads, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.