Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:CA0018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
AWB 11/22001
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/22001, V-nummer: 274.240.1346,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

A alias B, eiser,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Fairweather, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 2 juli 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en ambtshalve bepaald dat artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) niet van toepassing is op eiser.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 4 juli 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 3 oktober 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen T. Wasseghi, tolk.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 (van de Awb) de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.1.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.1.3. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser reeds eerder een asielaanvraag heeft ingediend, die bij besluit van 4 augustus 2010 is afgewezen. Aan de onderhavige aanvraag heeft eiser volgens verweerder geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd.

2.3. de gronden van beroep

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartegen het volgende aangevoerd. Verweerder heeft eiser ten onrechte geen medisch onderzoek aangeboden, terwijl eiser zich op medische problemen beroept. Dit is in strijd met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 februari 2011 (LJN BP5112) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit reeds hierom moet worden vernietigd. Eiser verwijst naar verschillende uitspraken van andere nevenzittingsplaatsen van deze rechtbank ter onderbouwing van zijn standpunt dat ook bij een herhaalde aanvraag een medisch onderzoek aangeboden moet worden.

Het is onfatsoenlijk dat verweerder stelt dat eiser zijn gestelde psychische toestand moet onderbouwen. Verweerder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede zorg aan eiser en is op de hoogte van de poging tot zelfdoding van eiser op 11 juni 2011. Verweerder had eiser opgenomen in de AA-procedure. De opname in de verlengde procedure was ingegeven door de poging tot zelfdoding. Er is sprake van een onzorgvuldig voorbereide beslissing. Eiser stelt dat artikel 3 van het EVRM geschonden wordt bij gedwongen terugzending naar het land van herkomst. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat in het land van herkomst een uitzonderlijk situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aan de orde is. Eiser verwijst naar de uitspraak van 24 juni 2011 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (AWB 11/15040 en AWB 11/15041) en de daarin aangehaalde landeninformatie.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft de Minister van Justitie een eerdere aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In deze situatie geldt voor de rechter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2009 (LJN BK5473), het volgende toetsingskader.

Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.4.2. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 3 van het EVRM in verband met zijn medische toestand. Uit de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 2 mei 1997 (NJ 1998, 582) en 6 februari 2001 (JV 2001, 103) volgt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon naar het oordeel van het EHRM onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest van 2 mei 2007 van het EHRM volgt dat daartoe sprake moet zijn van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Gelet op rechtsoverweging 37 van het arrest van 6 februari 2001 van het EHRM kan uitzetting ook in geval van psychische stoornissen onder omstandigheden in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.

Na het uitbrengen van het voornemen heeft eiser een poging tot zelfdoding gedaan. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand uit te sluiten dat de psychische problemen van eiser zo ernstig zijn dat hij lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium die maakt dat uitzetting naar Afghanistan in strijd is met artikel 3 van het EVRM. In zoverre is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en kan de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetsen.

2.4.3. Uit hetgeen onder 2.4.2. is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Verweerder zal nader onderzoek moeten verrichten naar de psychische situatie van eiser en vervolgens opnieuw moeten beslissen op zijn asielaanvraag. Als verweerder de aanvraag van eiser opnieuw afwijst, zal verweerder moeten ingaan op de vraag of eiser ondanks zijn psychische problemen, die gelet op de poging tot zelfdoding mogelijk ernstiger zijn dan is aangenomen in het voornemen van 11 juni 2011, kan worden gehouden aan de verklaringen die hij tijdens het gehoor op 9 juni 2011 heeft afgelegd. Voorts ligt het in de rede dat verweerder, als hij de aanvraag van eiser wederom afwijst, de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000 opnieuw ambtshalve beziet.

2.4.4. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.5. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 4 november 2011

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.