Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BX1416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
AWB 10/5201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BESTUURSORGAAN, BESLUIT, RECHTSMACHTVERDELING, BEVOEGDHEID. De Kredietbank treedt bij het aangaan van overeenkomsten tot schuldregeling niet op als bestuursorgaan, maar is aan te merken als een instantie die privaatrechtelijke rechtshandelingen verricht en daarbij geen openbaar gezag uitoefent. Geen besluiten in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb; bestuursrechter onbevoegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/5201 BESLU-T2

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te Rotterdam, eiseres,

en

het Hoofd van de Kredietbank Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 12 augustus 2010 heeft verweerder het verzoek van eiseres van 27 juli 2010 tot heroverweging van de beëindiging van haar aanvraag om schuldregeling ongegrond bevonden.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 26 augustus 2010 bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft eiseres op 9 december 2010 beroep ingesteld wegens het weigeren een besluit te nemen op het bezwaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [B]. Namens de gemeente Rotterdam, waar de Kredietbank Rotterdam onderdeel van uitmaakt, is verschenen mr. P.R. van der Heijden-Wijnen.

2 Overwegingen

2.1 Bij overeenkomst van 10 mei 2010 zijn eiseres en de Kredietbank Rotterdam een schuldregeling aangegaan. Daarnaast hebben zij een overeenkomst tot budgetbeheer gesloten.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de behandeling van de schuldregeling wordt beëindigd, omdat zij niet aan de voorwaarden voor schuldhulpverlening voldoet. Daarbij heeft verweerder vermeld dat binnen 30 dagen bij hem een verzoek om heroverweging kan worden gedaan.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 27 juli 2010 verzocht om herziening van de beëindiging van de schuldregeling. Bij brief van 12 augustus 2010 heeft verweerder dat verzoek niet gegrond geacht. In deze brief staat onder meer dat eiseres, als zij het niet eens is met de uitkomst van deze beslissing, binnen 6 weken een klacht kan indienen bij het Centraal Meldpunt Klachten.

Bij brief van 26 augustus 2010 heeft eiseres (pro forma) bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de aanvraag om een schuldregeling. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 oktober 2010.

Eiseres heeft bij e-mail van 16 september 2010, herhaald bij brief van 17 september 2010, een klacht bij verweerder ingediend. Hierop heeft verweerder bij brief van 15 oktober 2010 gereageerd.

Bij brief gedateerd 5 oktober 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres verweerder verzocht te bevestigen dat in een eerder telefoongesprek door verweerder zou zijn meegedeeld dat hij het bezwaarschrift van 26 augustus 2010 niet in behandeling zou nemen omdat er geen bezwaar zou openstaan. Bij e-mail van 12 november 2010 is aan dit verzoek voldaan.

Vervolgens is deze mededeling van verweerder door eiseres opgevat als een weigering om te beslissen op bezwaar als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarvan eiseres thans in beroep is gekomen.

2.2 Eiseres heeft in beroep inhoudelijk aangevoerd dat verweerder de overeenkomst tot schuldregeling ten onrechte heeft beëindigd.

2.3 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3.1 De rechtbank stelt vast dat het geschil betrekking heeft op de beëindiging door verweerder van de door hem als vertegenwoordiger van de Kredietbank Rotterdam met eiseres gesloten overeenkomst tot schuldregeling. De rechtbank is van oordeel dat, zoals verweerder ook heeft aangevoerd, verweerder en de Kredietbank Rotterdam in dezen geen bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. De Kredietbank is, ook al valt deze onder de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam en is deze aldus onderdeel van de gemeente, bij het aangaan van overeenkomsten tot schuldregeling, zoals in het onderhavige geval, aan te merken als een instantie die privaatrechtelijke rechtshandelingen verricht en daarbij geen openbaar gezag uitoefent. De e-mail van 12 november 2010 bevat dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb of een daarmee ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wat betreft de mogelijkheid van beroep gelijkgestelde weigering een besluit te nemen. Evenmin bevatten eerdere beslissingen van verweerder over de overeenkomst met eiseres tot schuldregeling een besluit. In dit geval staat dan ook geen beroep open bij de rechtbank als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:1 van de Awb en kan het onderhavige geschil niet door de bestuursrechter worden beslecht.

2.3.2 De bestuursrechter is gelet op het voorgaande niet bevoegd over het onderhavige geschil te oordelen. Op grond hiervan zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren. Daarbij zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:71 van de Awb, bepalen dat terzake van de beslissing van verweerder tot beëindiging van de overeenkomst tot schuldregeling uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

2.3.3 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

bepaalt dat terzake van het geschil een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Aldus gedaan door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 8 september 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: