Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BW9132

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeentelijk beleid dat sprake moet zijn van regiobinding voor het kunnen maken van aanspraak op maatschappelijke opvang uit hoofde van de WMO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/791 WMO-T2-BRG

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 11 januari 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 juli 2010 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2011. Aanwezig was de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel.

2 Overwegingen

2.1 Eiser was van 2004 tot 2008 woonachtig in de buurt van Arnhem. Op 5 februari 2008 is hij naar Indonesië vertrokken. Na zijn terugkeer in Nederland op 23 juni 2010 heeft hij zich op 24 juni 2010 gemeld bij Centraal Onthaal met het verzoek gebruik te mogen maken van de Maatschappelijke Opvang (hierna: de MO) waarvoor de gemeente Rotterdam op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (hierna: de WMO) als centrumgemeente is aangewezen. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij niet aan de voorwaarden voldoet om tot de MO te worden toegelaten, omdat geen sprake is van regiobinding. Verweerder heeft eiser wel toestemming gegeven om tot en met 23 juli 2010 van de MO gebruik te maken op grond van teruggeleiding.

2.2 Eiser heeft zich op 22 juli 2010 wederom gemeld bij Centraal Onthaal met het verzoek te worden toegelaten tot de MO. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van regiobinding en omdat niet is gebleken van zeer dringende redenen om van de vastgestelde criteria af te wijken. Verweerder heeft eiser doorverwezen naar de centrumgemeente Arnhem.

2.3 Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van kamer VI van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (hierna: de ABC) ten grondslag gelegd. De ABC is van mening dat op grond van de stukken vaststaat dat eiser geen aantoonbare of aannemelijke binding met de regio Rotterdam heeft gehad in de drie jaar voorafgaande aan zijn verzoek. Voorts kan uit de stukken worden afgeleid dat eiser wel een regiobinding heeft met de centrumgemeente Arnhem. Verweerder heeft hem daarom meegedeeld dat hij zich in Arnhem moest melden. De door eiser gestelde bedreiging, indertijd reden om uit Doesburg weg te vluchten en Nederland te verlaten, heeft hij niet met bewijsstukken onderbouwd. Er bestond geen aanleiding voor verweerder om eiser bij zijn intake bij Centraal Onthaal te wijzen op de mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen, aangezien eiser meldde dat hij voornemens was bij een oom en tante in Rotterdam te gaan verblijven en dat hij pogingen in het werk zou stellen om zijn WAO-uitkering te doen herleven, aldus verweerder.

2.4 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de eis van regiobinding heeft opgeworpen, omdat hij gezien zijn verblijf in Indonesië nooit aan dit vereiste kon voldoen. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan artikel 40 van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) en artikel 11 van het Besluit WWB 2007 door aan hem als adresloze de eis van regiobinding tegen te werpen en hem er niet op te wijzen dat hij een briefadres kon aanvragen. Hierdoor is hij verstoken geweest van bijstandverlening. Eiser is vanwege zijn medische situatie opgevangen in de gemeente Vlaardingen en ontvangt daar vanaf 6 september 2010 een WWB-uitkering. Hij heeft ten slotte betoogd dat verweerder de schade die hij als gevolg van het onrechtmatige besluit heeft geleden, alsook de schade die de gemeente Vlaardingen hierdoor heeft geleden, dient te vergoeden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5 In beroep heeft verweerder allereerst betoogd dat de toetsing thans beperkt moet zijn, omdat sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2010 (LJN BM0956) verwerpt de rechtbank dit betoog, aangezien bij de twee aanvragen sprake was van toelating tot de MO per verschillende data.

2.6 Verweerder heeft eisers (tweede) aanvraag om toegelaten te worden tot de MO terecht afgewezen onder de overweging dat niet aan het vereiste van regiobinding is voldaan. Eiser heeft immers niet gedurende de laatste drie jaar minimaal twee jaar zijn hoofdverblijf gehad in de regio waarvoor Rotterdam centrumgemeente is en was in de periode voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland woonachtig nabij Arnhem. De rechtbank acht het daarom geen onredelijke toepassing van de eis van regiobinding dat verweerder eiser heeft doorverwezen naar de MO in Arnhem. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens het advies van de ABC zijdens verweerder contact is opgenomen met de MO Arnhem, zodat aangenomen mag worden dat aldaar regiobinding met Arnhem zou worden aanvaard, en dat ook een treinkaartje voor eiser naar Arnhem is gekocht. In de omstandigheid dat eiser hiervan geen gebruik wilde maken, omdat hij in het verleden in Doesburg is bedreigd, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien hem toch tot de MO toe te laten, aangezien eiser die bedreiging niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook in beroep is niet aannemelijk gemaakt dat die bedreiging heeft plaatsgevonden en te minder dat en waarom een bedreiging indertijd zich thans tegen gebruikmaking van MO in Arnhem zou verzetten.

2.7 Niet kan worden geoordeeld dat verweerder een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan artikel 40 van de WWB en artikel 11 van het Besluit WWB 2007. Eiser heeft geen bijstandsuitkering aangevraagd en verweerder was ook niet gehouden eiser over de mogelijkheid een bijstandsuitkering aan te vragen te informeren, te minder nu verweerder er op grond van eisers uitlatingen ten tijde van zijn intake bij Centraal Onthaal van mocht uitgaan dat eiser onderdak zou vinden bij zijn oom en tante en dat een WAO-uitkering zou kunnen herleven. Uit het voorgaande volgt dat voor schadevergoeding geen plaats is.

2.8 Het bestreden besluit kan in stand blijven en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.9 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 24 november 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: