Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BV0490

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
UTL-1-2011045531
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering toelaatbaar verklaard voor vervolging in Servië ter zake van een in 1993 gepleegde moord; geen sprake van een politiek delict; asielstatus geen beletsel om de uitlevering toelaatbaar te verklaren; idem rechter Slovenië; niet aannemelijk dat sprake zal zijn van flagrante schending mensenrechten opgeëiste persoon bij uitlevering aan Servië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Lurisnummer: UTL-1-2011045531

Datum uitspraak: 23 december 2011

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren in 1969 te [plaats (land)],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

volgens eigen opgave verblijvende [adres],

raadsvrouwe mr. M.B. Braanker, advocaat te Rotterdam.

Procedure

De Servische autoriteiten hebben bij schrijven van 11 oktober 2011 aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek gedaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon. Het uitleveringsverzoek is gedateerd 30 september 2011. Bij het uitleveringsverzoek zijn stukken overgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 14 oktober 2011 dit verzoek en de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie te Rotterdam gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft op 19 oktober 2011 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen.

Op 9 december 2011 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord de officier van justitie mr. W.M. de Boer, de opgeëiste persoon, alsmede zijn raadsvrouw. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering. De raadsvrouw heeft de ontoelaatbaarheid van de uitlevering bepleit en voorts aangevoerd dat nog nadere onderzoekshandelingen moeten worden verricht.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht ten behoeve van een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in de beslissing van de rechter-commissaris (Investigative Judge) bij de rechtbank (District Court) te Belgrado d.d. 3 maart 1993, kenmerk [kenmerk], waarbij ter zake van dat feit een onderzoek tegen de opgeëiste persoon is ingesteld.

Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende Uitlevering (EUV).

Identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon

Op de terechtzitting is de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. Hij heeft verklaard dat hij de persoon is op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft en de rechtbank heeft vastgesteld dat zijn gelaat overeenkomt met een pasfoto op een door de Servische autoriteiten verstrekte kopie van een identiteitsbewijs van de opgeëiste persoon.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

Genoegzaamheid van de stukken

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de bij het uitleveringsverzoek gevoegde documenten niet genoegzaam zijn, aangezien het om kopieën gaat en niet aannemelijk is dat die kopieën overeenkomen met de originele stukken. De kopieën van de beslissingen van de rechter-commissaris te Belgrado van 3 maart 1993 waarbij het onderzoek tegen de opgeëiste persoon is ingesteld respektievelijk de detentie van de opgeëiste persoon is bevolen zouden niet zijn voorzien van een “confirmation of authenticity’ en bij de kopie van het bevel van de rechter-commissaris te Belgrado van 3 maart 1993 waarbij de aanhouding van de opgeëiste persoon is gelast zou de ”confirmation of authenticity” niet zijn ondertekend door de president van de District Court van Belgrado, althans zou niet duidelijk zijn of deze kopie is getekend door een bevoegde rechter, griffier of ander bevoegd persoon. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat in het bevel tot aanhouding niet de verdenking is opgenomen waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. Tevens heeft zij naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon stond gesignaleerd wegens verdenking van poging tot moord op [slachtoffer 1] en niet, zoals in de later overgelegde stukken staat vermeld, ter zake van poging tot moord op [slachtoffer 2].

Bij het uitleveringsverzoek zijn overgelegd:

a.

een kopie en de Engelse vertaling van de eerder genoemde beslissing van de rechter-commissaris (Investigative Judge) bij de rechtbank (District Court) te Belgrado d.d. 3 maart 1993, kenmerk [kenmerk], waarbij is besloten dat tegen de opgeëiste persoon een onderzoek wordt ingesteld wegens de verdenking -zoals tevens in de beslissing is verwoord- dat de opgeëiste persoon op 14 januari 1993 opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te vermoorden door verschillende schoten met een vuurwapen in zijn richting af te vuren en hem daarbij te verwonden aan zijn arm en hoofd. Aan de achterzijde van deze kopie staat een getypte tekst met daaronder een originele handtekening en een origineel stempel. Volgens de beëdigde Engelse vertaling luidt de tekst van het stempel: District Court in Belgrado, Republic of Serbia en die van de getypte tekst: “This is confirm that the Photo-copy of this Decision is identical with its original. President of the District Court, Sinisa Vazic.

Deze kopie kan daarom, in tegenstelling tot het andersluidende standpunt van de raadsvrouw als authentiek afschrift worden aangemerkt.

b.

een kopie en de Engelse vertaling van de beslissing van de rechter-commissaris (Investigative Judge) bij de rechtbank (District Court) te Belgrado d.d. 3 maart 1993, kenmerk [kenmerk], waarbij de detentie van de opgeëiste persoon is bevolen voor de poging tot moord ter zake waarvan bij de onder a genoemde beslissing van 3 maart 1993 van diezelfde rechter-commissaris een bevel tot het instellen van een onderzoek tegen de opgeëiste persoon is gelast. Aan de achterzijde van deze kopie staan dezelfde getypte tekst, handtekening en stempel als aan de achterzijde van het onder a genoemde kopie. Ook deze kopie betreft daarom een authentiek afschrift.

c.

een kopie en de Engelse vertaling van de beslissing van de rechter-commissaris (Investigative Judge) bij de rechtbank (District Court) te Belgrado d.d. 3 maart 1993, kenmerk [kenmerk], waarbij de arrestatie van de opgeëiste persoon is bevolen voor de poging tot moord ter zake waarvan bij de onder a genoemde beslissing van 3 maart 1993 van diezelfde rechter-commissaris een bevel tot het instellen van een onderzoek tegen de opgeëiste persoon is gelast. Ook onderaan deze kopie staan dezelfde getypte tekst, handtekening en stempel als aan de achterzijde van de onder a en b genoemde kopieën. Ook ten aanzien van dit stuk staat daarom genoegzaam vast dat het om een authentiek afschrift gaat. De stelling van de raadsvrouw dat de getypte tekst, inhoudend dat de kopie overeenstemt met het origineel, niet is ondertekend door de president van het District Court van Belgrado mist feitelijke grondslag.

d.

de toepasselijke wetsbepalingen van Servie, alsmede informatie ten einde de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon vast te stellen. In de artikelen 12 van het EUV en 18 van de Uitleveringswet (Uw) is geregeld welke stukken bij een verzoek tot uitlevering dienen te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken, hiervoor genoemd, voldoen aan de in deze artikelen gestelde vereisten.

Het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is in voldoende mate uiteengezet in de beslissing waarbij door de rechter-commissaris te Belgrado op 3 maart 1993 een onderzoek tegen de opgeëiste persoon is bevolen. Daarin worden immers de datum, het tijdstip, de exacte locatie, de naam van het vermeende slachtoffer en de wijze waarop de opgeëiste persoon het delict zou hebben gepleegd genoemd. De opgeëiste persoon heeft ook aangegeven dat hij goed op de hoogte is van hetgeen hem door de Servische autoriteiten wordt verweten en dat hij ook in staat is om zich daartegen te verweren. Bovendien zijn door zijn raadsvrouw meerdere documenten (al dan niet opgesteld door de Servische justitiële autoriteiten) overgelegd welke betrekking hebben op het delict waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

De omstandigheid dat het bevel tot aanhouding van de verdachte geen gedetailleerde uiteenzetting bevat van het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht staat, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, niet aan de genoegzaamheid van de stukken in de weg. De uiteenzetting in de beslissing waarbij een onderzoek tegen de opgeëiste persoon is bevolen volstaat.

Ook het feit dat in de interpol-signalering van de opgeëiste persoon (de mail van Interpol Belgrado van 24 januari 2007) staat vermeld dat hij wordt verdacht van een poging tot moord op [slachtoffer 1] staat niet aan de genoegzaamheid van de stukken in de weg. Gelet op de verwijzing in dit signaleringsbericht naar het hiervoor onder c genoemde bevel tot arrestatie van de opgeëiste persoon lijkt dit te berusten op een kennelijke vergissing.

In ieder geval kan op grond van de inhoud van het signaleringsbericht niet worden aangenomen dat de autoriteiten van Servië, anders dan in het uitleveringsverzoek en de daarbij overgelegde documenten staat vermeld, de opgeëiste persoon (feitelijk) voor een ander delict uitgeleverd willen krijgen dan in die stukken staat omschreven.

Onschuld van de opgeëiste persoon

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, indien [slachtoffer 2] al zou zijn geraakt door kogels die door de opgeëiste persoon zijn afgevuurd, de opgeëiste persoon daarbij handelde uit noodweer, waarbij de opgeëiste persoon geen andere middelen voorhanden had dan het wapen, dat was gericht op zijn hoofd en dat [slachtoffer 2] in zijn handen had, proberen af te wenden. Gelet op deze rechtvaardigingsgrond dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.

De eigen verklaringen van de opgeëiste persoon houden onder meer in dat hij in de directe nabijheid van het vermeende slachtoffer [slachtoffer 2] was toen deze zou zijn geraakt door een aantal schoten. [slachtoffer 2] zou kort daarvoor hebben ontdekt dat de opgeëiste persoon een pistool bij zich had en zou dit van de opgeëiste persoon hebben afgepakt. [slachtoffer 2] zou het pistool vervolgens tegen de slaap van de opgeëiste persoon hebben geplaatst, waarna de opgeëiste persoon, toen hij daarvoor op een gegeven moment de kans schoon zag, het pistool bij de loop heeft gepakt, waarbij het pistool afging.

De verklaringen van [slachtoffer 1], een andere aanwezige bij het schietincident, bevestigen deze lezing van de opgeëiste persoon niet. Wat daar ook van zij, in ieder geval is op grond van de verklaringen van de opgeëiste persoon en hetgeen verder namens hem is aangevoerd de klaarblijkelijke onschuld van de opgeëiste persoon, niet aan de orde. De opgeëiste persoon heeft niet onverwijld aangetoond dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. Voor een diepgaand onderzoek naar de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon is in het kader van de onderhavige procedure geen plaats. Het verrichten van een dergelijk onderzoek is voorbehouden aan de Servische justitiële autoriteiten en niet aan de uitleveringsrechter. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat de opgeëiste persoon uit noodweer heeft gehandeld (voor zover die omstandigheid al relevant zou zijn bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid of onschuldexceptie).

De gestelde onschuld noch het gedane beroep op noodweer staan daarom aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg.

Dubbele strafbaarheid

Aan de opgeëiste persoon wordt door de Servische justitiële autoriteiten “attempted murder” verweten. Dit feit is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Servisch recht strafbaar en ter zake daarvan kan ingevolge die bepalingen een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar of meer. Ook naar Nederlands recht is dit feit strafbaar gesteld en wel in de artikel 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Het feit is naar Nederlands recht te kwalificeren als: poging tot moord. Voor dit feit kan naar Nederlands recht eveneens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar of meer.

Verjaring

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd niet kan worden gekwalificeerd als “poging tot moord”, maar eerder als “attempted manslaughter” of “offence injury causing death”, hetgeen een reeds voltooide verjaring met zich zou brengen.

Dit verweer wordt verworpen. Nu, zoals hierboven is overwogen, de opgeëiste persoon niet onverwijld zijn klaarblijkelijke onschuld heeft aangetoond ten aanzien van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijnde: poging tot moord, dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verjaring van dat delict te worden uitgegaan. Vaststaat dat dit delict zowel naar Servische als Nederlandse wetgeving nog niet is verjaard.

Politiek delict

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar is, nu het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht een politiek delict betreft, aangezien het delict heeft plaatsgevonden in de context van zijn undercoverwerkzaamheden in dienst van de toenmalige Joegoslavische overheid.

Dit verweer wordt verworpen.

Door de opgeëiste persoon is niet zodanige informatie verschaft dat daaraan thans de conclusie kan worden verbonden dat sprake is van een politiek delict. De opgeëiste persoon heeft op de terechtzitting verklaard dat hij onderdeel was van een speciale eenheid ter bescherming van de (Joegoslavische) president en dat hij in die hoedanigheid moest optreden, onder meer door middel van infiltratie, tegen “criminele bendes”. Het vermeende slachtoffer zou een van die criminelen zijn geweest (het was een “mafiosi”, aldus de opgeëiste persoon). Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat het feit een absoluut politiek delict of een complex politiek delict zou betreffen. Het delict is niet gericht jegens de staat dan wel gericht op het teweegbrengen van enige verandering in het politieke bestel of een beoogd politiek einddoel. Evenmin is komen vast te staan dat sprake is van een zgn. connex politiek delict, nu niet is gebleken dat het delict, gezien de omstandigheden waaronder dit is begaan in rechtstreekse en nauwe samenhang is gepleegd met een delict of delicten met een overwegend politiek karakter. Uit de beschikbare informatie kan niet anders blijken dan dat de opgeëiste persoon ten tijde van het delict werkzaam was als politiefunctionaris c.q. beveiliger in dienst van de toenmalige Joegoslavische overheid en dat hij bezig was met de uitvoering van de uit dien hoofde aan hem verstrekte beveiligings/beschermingsopdrachten.

De officier van justitie heeft aangegeven dat zij zich zou kunnen voorstellen dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om het verweer dat sprake is van een politiek delict nader te onderbouwen. De rechtbank ziet hiertoe evenwel geen aanleiding.

Politiek vluchteling

De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Nederland een erkend politiek vluchteling is en die status hem mede, zoals is gesteld, is verleend wegens zijn werkzaamheden in het voormalige Joegoslavië, staat niet in de weg aan bovenstaand oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het delict waarvoor de uitlevering wordt verzocht een politiek delict is.

Zijn betrokkenheid bij het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is eerder een aanwijzing dat de opgeëiste persoon zijn werkzaamheden voor de toenmalige overheid van Joegoslavië juist trouw heeft uitgevoerd. Dat hij als gevolg of mede als gevolg daarvan, na het uiteenvallen van Joegoslavië, daar niet meer veilig was, brengt niet mee dat het delict waarvoor de uitlevering wordt verzocht een politiek delict is geworden.

Ten aanzien van gevolgen van de asielstatus van de opgeëiste persoon voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering wordt het volgende overwogen. In beginsel is uitlevering van een politiek vluchteling toegestaan mits aan een aantal belangrijke voorwaarden is voldaan. Kort gezegd komt het er op neer dat een dergelijke uitlevering niet mag worden toegestaan indien de opgeëiste persoon in de verzoekende staat gevaar zou lopen. Toegespitst op de onderhavige zaak: de opgeëiste persoon mag niet worden uitgeleverd aan Servië indien hij -zoals is betoogd- dan te vrezen zal hebben voor zijn leven. De verdediging heeft in dit verband een lijst overgelegd met daarop, naar is gesteld, namen van oud-collega’s van de opgeëiste persoon (leden van het “peloton”) welke inmiddels allemaal zijn vermoord. Aan de hand van deze door de verdediging verstrekte informatie kan nu niet worden geoordeeld dat de vrees gerechtvaardigd is dat de opgeëiste persoon bij uitlevering naar Servië een zelfde lot zal treffen. De juistheid van die bewering is op dit moment niet voldoende vast komen te staan. Daar komt bij dat de laatste gestelde moord bijna tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. De ontwikkelingen in Servië hebben sinds die tijd niet stilgestaan. Het is toegetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), terwijl de toetredingshandelingen tot de Europese Unie zich inmiddels in een zeer vergevorderd stadium bevinden.

De asielstatus van de opgeëiste persoon staat daarom niet de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg. Het vorenstaande laat onverlet dat de Nederlandse regering, in de persoon van de Minister van Veiligheid en Justitie, op basis van nadere informatie omtrent de onderhavige beweringen van de opgeëiste persoon kan besluiten om niet tot uitlevering over te gaan.

De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat ter zake van hetzelfde delict als waarvoor aan Nederland de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht, in 2007 door de Servische autoriteiten ook een verzoek tot uitlevering is ingediend bij de Republiek van Slovenië. Volgens de raadsvrouw is dat verzoek toen geweigerd door de regering van dat land, mede door toedoen van de Nederlandse regering. De weigering zou gegrond zijn geweest op het (enkele) gegeven dat de opgeëiste persoon in Nederland erkend politiek vluchteling is. Voor zover een en ander al juist zou zijn, staat ook die weigering niet aan de toelaatbaarheid van de thans gevraagde uitlevering in de weg. Ook wat dit betreft is het aan de Nederlandse overheid in de persoon van de Minister van Veiligheid en Justitie, om net als toen de overheid van Slovenië, te beoordelen of dit aspect zal worden betrokken bij het besluit om tot uitlevering van de opgeëiste persoon over te gaan.

Schending mensenrechten

De verdediging heeft aangevoerd dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar is omdat de opgeëiste persoon, zijnde een in Nederland erkend politiek vluchteling, in Servië te vrezen zal hebben voor zijn leven en geen eerlijk proces zal krijgen.

Dit verweer wordt als volgt beoordeeld.

Vooropgesteld moet worden dat Servië, net als Nederland, partij is bij het EVRM. In het kader van het uitleveringsverkeer tussen bij het EVRM aangesloten landen moet in beginsel worden uitgegaan van vertrouwen in eerbiediging van de waarborgen welke door dit verdrag worden gegarandeerd. Dat is slechts anders indien moet worden uitgegaan van een flagrante schending van enig in dat verdrag gewaarborgd recht.

De raadsvrouw heeft in dit verband gesteld dat de opgeëiste persoon in Servië zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit is evenwel niet aannemelijk geworden.

De raadsvrouw heeft ook nog aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Servië geen eerlijk proces zal krijgen. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld dat de samenstelling van de rechterlijke macht in Servië een onafhankelijke en onpartijdige behandeling in de weg staat. Ook heeft zij gewezen op het gegeven dat de justitiële autoriteiten in Servië slechts dan een proces willen entameren indien de opgeëiste persoon aldaar aanwezig is. Tot slot heeft zij gesteld dat de opgeëiste persoon niet binnen een redelijke termijn zal worden berecht. Nu, zoals reeds is overwogen, Servië partij is bij het EVRM, wordt niet aannemelijk geacht dat bij uitlevering van de opgeëiste persoon aan Servië de rechtswaarborgen die hij aan het EVRM kan ontlenen flagrant zullen worden geschonden. Bij dit oordeel is betrokken dat op basis van de door de verdediging overgelegde stukken niet aannemelijk is geworden dat in dit geval sprake zou kunnen zijn van een dergelijke schending. Wat betreft de stelling dat Servië eerst een proces wil entameren indien de opgeëiste persoon aldaar aanwezig is wordt nog overwogen dat, indien Servië de aanwezigheid van de opgeëiste persoon als voorwaarde van het proces stelt, Nederland deze aldaar geldende procesregel, die in beginsel geen strijd oplevert met het EVRM, dient te eerbiedingen.

Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter straf¬ver¬volging wordt verzocht, aan alle daarvoor in de EUV en Uw gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de artikelen 1, 2 en 27 van het EUV, tevens gegrond op de artikelen 2, 5 en 26 van de Uw.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Servië van de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon],

geboren in 1969 te [plaats (land)], ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek van het feit “attempted murder” zoals omschreven in de beslissing van de rechter-commissaris (“Investigative Judge”) bij de rechtbank (District Court) te Belgrado d.d. 3 maart 1993, kenmerk [kenmerk], waarbij is besloten dat tegen de opgeëiste persoon en onderzoek wordt ingesteld wegens de verdenking ter zake van dat feit.

Deze beslissing is genomen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

mrs. Van Lottum en Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2011.