Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BV0429

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
1163218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stichting Studiefinanciering Curacao is toegelaten te bewijzen dat gedaagde geld van haar op zijn rekening ontvangen heeft. Zij is in dat bewijs niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

Stichting Studiefinanciering Curaçao,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: Jepma Almere Gerechtsdeurwaarders te Almere,

tegen

[ged[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘SSC’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

• het tussenvonnis van 24 juni 2011;

• de akte van SSC.

[gedaagde] heeft niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn gereageerd op de akte van SSC. De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 SSC is bij tussenvonnis van 24 juni 2011 toegelaten te bewijzen dat [gedaagde] geld van haar ontvangen heeft op de rekening met nummer [x].

2.2 Om te kunnen voldoen aan haar bewijsopdracht heeft SSC aan [gedaagde] om toestemming gevraagd om bij de [bank] in Curaçao informatie op te vragen over de tenaamstelling van de rekening. [gedaagde] heeft op dit verzoek niet gereageerd. Ook aan de kantonrechter heeft [gedaagde] niets meer laten weten.

2.3 Het procesrecht kent geen algemene regel die partijen tegenover elkaar of tegenover de rechter verplicht tot het verschaffen van informatie of documenten. Onder het verschaffen van informatie kan begrepen worden het geven van schriftelijke toestemming om informatie bij een bank op te vragen over de tenaamstelling van een bankrekening. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kent in de artikelen 843a en 843b uitzonderingen op de regel (of beter gezegd: op de ontbrekende regel), maar deze uitzonderingen missen toepas-sing in deze zaak, nog daargelaten dat SSC geen beroep heeft gedaan op die bepalingen. Ook artikel 22 Rv mist toepassing. Het is immers niet duidelijk welk op de zaak betrekking hebbend stuk [gedaagde] op grond van die bepaling dan in het geding zou moeten brengen. Een verklaring waarin [gedaagde] aan de bank toestemming geeft om informatie aan SSC te geven, kan niet als een dergelijk stuk worden aangemerkt. Artikel 22 Rv moet immers zo begrepen worden dat het ziet op stukken die reeds bestaan, niet op stukken die voor een procedure gemaakt zouden moeten worden.

2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] niet verplicht is om aan SSC toestem-ming te verlenen om informatie bij de bank op te vragen. Dit heeft tot gevolg dat, nu SSC buiten de brief waarin om toestemming is gevraagd, niets in het geding heeft gebracht dat tot het bewijs van haar stelling leidt, noch getuigen heeft voorgebracht, de kantonrechter tot geen andere conclusie kan komen dan dat SSC niet is geslaagd in het leveren van bewijs dat [gedaagde] van SSC geld heeft ontvangen op de rekening met nummer [x]. De vordering van SSC wordt daarom afgewezen.

2.5 SSC wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de proce-dure. Nu [gedaagde] de procesvoering in eigen hand heeft gehouden en gesteld noch gebleken is dat hij proceskosten heeft gemaakt, stelt de kantonrechter de proceskosten aan zijn zijde vast op nihil.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt SSC in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vast-gesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.