Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9670

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
315276 - HA ZA 08-2279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over declaraties advocaat. Verdere beoordeling na tussenvonnis 31 maart 2010, waarin rechtbank tot conclusie is gekomen dat niet aannemelijk is dat advocaat beroepsfouten heeft gemaakt. Vervolgens is de begrotingsprocedure uit artikel 32 e.v. WTBZ gevolgd bij Raad van Toezicht. Advocaat vordert betaling voor verrichte werkzaamheden, vermeerderd met wettelijke handelsrente.

Advocaat is het (deels) niet eens met de begroting. Volgens de rechtbank dient hij daarom de in de WTBZ genoemde herzieningsprocedure te doorlopen, bij welke gelegenheid tevens een bevel tot tenuitvoerlegging kan worden gevraagd. Volgt niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de gevorderde betaling voor verrichte werkzaamheden.

De gevorderde wettelijke (handels)rente wordt wel toegewezen. Omdat de overeenkomst van opdracht tussen MT International en [eiser] om baat is gesloten tussen een rechtspersoon en een natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep, waarbij verplichtingen in het leven zijn geroepen om iets te geven en/of doen, is de overeenkomst tussen deze twee partijen aan te merken als een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Voor MT International zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119a BW gelden. Voor [gedaagde 2] ligt dat anders. Het enkele feit dat hij bestuurder is, maakt nog niet dat hij is aan te merken als een natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daar zijn bijkomende feiten en omstandigheden voor nodig. Die zijn gesteld noch gebleken. Voor [gedaagde 2] zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119 BW gelden. Voor de begroting van deze schade gaat de rechtbank uit van de door [eiser] berekende hoofdsommen, omdat MT International en [gedaagde 2] die niet hebben betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 315276 / HA ZA 08-2279

Vonnis van 28 december 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M. Stol te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.T. INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Hoorn,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. Kneppelhout te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], MT International en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 maart 2010;

- de conclusie ex r.o. 5.11 van het tussenvonnis d.d. 31 maart 2010 tevens houdende wijziging van eis van [eiser], met producties;

- de conclusie na tussenvonnis van MT International en [gedaagde 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. [eiser] vordert in deze procedure betaling van aan MT International en van aan [gedaagde 2] verzonden declaraties voor verrichte werkzaamheden, in beide gevallen te vermeerderen met wettelijke handelsrente.

Ten aanzien van de gevorderde betaling voor verrichte werkzaamheden

2.2. In het tussenvonnis van 31 maart 2010 heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde 2] en/of MT International een vordering tot schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming van [eiser] kunnen verrekenen met hun verplichting tot betaling van de openstaande declaraties.

2.3. Omdat de overige stellingen van [gedaagde 2] en MT International zich richtten tegen de hoogte van het in de declaraties van [eiser] in rekening gebrachte salaris, heeft de rechtbank de zaak vervolgens aangehouden tot partijen de procedure die is voorzien in de artikelen 32 en verder WTBZ hebben gevolgd.

2.4. [eiser] heeft daarop de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Raad) verzocht de openstaande declaraties gericht aan zowel [gedaagde 2] als MT International te begroten. Noch [gedaagde 2] noch MT International heeft tegen het betreffende verzoek verweer gevoerd.

2.5. De Raad heeft de aan [gedaagde 2] gerichte declaraties van oorspronkelijk totaal

€ 9.270,55 inclusief kantoorkosten en BTW begroot op € 7.403,75 inclusief kantoorkosten en BTW.

2.6. De Raad heeft de aan MT International gerichte declaraties betreffende griffierecht en procureurskosten begroot op € 1.615,00 (declaratie genummerd 1931) en € 512,89 (declaratie genummerd 2459).

De Raad heeft de overige aan MT International gerichte declaraties begroot op € 3.518,50 (declaraties genummerd 1747, 1965, 2480 en 2669), inclusief BTW en kantoorkosten.

2.7. De Raad heeft voorts nog in zijn begrotingsbeslissing overwogen dat declaraties die zonder voorbehoud zijn betaald als goedgekeurd worden beschouwd. Daarom zijn de declaraties genummerd 1743, 1744, 1745 en 1746 van totaal € 7.864,76 niet begroot, omdat daarop met een betalingsregeling € 7.559,63 is betaald, aldus de Raad.

2.8. Nadat de procedure bij de Raad is gevolgd, heeft [eiser] – zoals overwogen onder 5.11 van het tussenvonnis – de zaak weer opgebracht. Bij die gelegenheid heeft [eiser] zijn vordering gewijzigd. MT International en [gedaagde 2] hebben tegen de wijziging geen bezwaar gemaakt.

2.9. De gewijzigde vordering luidt – zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van (in hoofdsom)

€ 7.403,75 met rente en kosten en MT International te veroordelen tot betaling aan [eiser] van (in hoofdsom) € 7.355,78 met rente en kosten. [eiser] heeft ter onderbouwing daarvan aangevoerd het volgende aangevoerd.

2.9.1. De Raad heeft de aan [gedaagde 2] gerichte declaraties begroot op € 7.403,75. Daarover is wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de respectieve vervaldata van de declaraties. De overeengekomen vervaldatum is 14 dagen na declaratiedatum.

2.9.2. De Raad heeft de aan MT International gerichte declaraties begroot op € 1.615,00, € 512,89 en € 3.518,50. Daar moet volgens [eiser] bij worden opgeteld de declaratie genummerd 2733: de Raad heeft deze declaratie wel in de overwegingen onder 22 en 23 van zijn beslissing besproken, maar is deze in het dictum als begroot vergeten. Verder is de Raad vergeten een bedrag van € 305,13 in de begroting te betrekken, zijnde het verschil tussen de hiervoor onder 2.7 genoemde bedragen. Het totaal gevorderde bedrag in hoofdsom komt daarmee op € 7.355,78. Daarover is wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de respectieve vervaldata van de declaraties. De overeengekomen vervaldatum is 14 dagen na declaratiedatum.

2.10. MT International en [gedaagde 2] hebben daartegen als verweer aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is de door de Raad begrote bedragen te wijzigen. Ook is de rechtbank niet bevoegd de bedragen als begroot toe te wijzen, nu daarvoor een exclusieve rechtsgang in de WTBZ is opgenomen, aldus MT International en [gedaagde 2].

2.11. De rechtbank maakt uit de stellingen van [eiser] op dat hij het met de begroting van de Raad (deels) niet eens is. Hij dient dan ook de in de WTBZ genoemde herzieningsprocedure te doorlopen. Bij die gelegenheid kan hij tevens een bevel tot tenuitvoerlegging vragen.

2.12. Op grond van het bovenstaande zal [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de gevorderde betaling (in hoofdsom) voor verrichte werkzaamheden betreft.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente

2.13. Naast de gedeclareerde hoofdsommen vordert [eiser] wettelijke handelsrente als schadever¬goeding vanwege de vertraging in de betaling van de volgens [eiser] verschuldigde bedragen. De rechtbank is bevoegd ten aanzien van deze schadevergoedingsvordering.

2.14. MT International en [gedaagde 2] betwisten dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW met [eiser]. MT International en [gedaagde 2] voeren verder als verweer dat de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente niet is overeengekomen met [eiser]. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

2.15. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening ervan in verzuim is geweest. Het verweer van MT International en [gedaagde 2] dat de verschuldigdheid van wettelijke rente niet is overeengekomen, kan daarom niet slagen.

2.16. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een handelsovereenkomst. Omdat de overeenkomst van opdracht tussen MT International en [eiser] om baat is gesloten tussen een rechtspersoon en een natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep, waarbij verplichtingen in het leven zijn geroepen om iets te geven en/of doen, is de overeenkomst tussen deze twee partijen aan te merken als een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Voor MT International zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119a BW gelden.

Voor [gedaagde 2] ligt dat anders. Het enkele feit dat hij bestuurder is, maakt nog niet dat hij is aan te merken als een natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daar zijn bijkomende feiten en omstandigheden voor nodig. Die zijn gesteld noch gebleken. Voor [gedaagde 2] zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119 BW gelden.

2.17. Voor de begroting van de schade gaat de rechtbank uit van de door [eiser] berekende hoofdsommen, voor [gedaagde 2] € 7.403,75 en voor MT International € 7.355,78 (zie hiervoor onder 2.9.2), omdat MT International en [gedaagde 2] die niet hebben betwist.

2.18. Dit betekent dat MT International zal worden veroordeeld om aan [eiser] de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW te betalen over € 7.355,78 telkens vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende declaraties tot de dag van volledige betaling. [gedaagde 2] zal worden veroordeeld om aan [eiser] de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te betalen over € 7.403,75, telkens vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende declaraties tot de dag van volledige betaling.

Als onbetwist staat vast dat de vervaldatum van de declaraties veertien dagen na declaratiedatum is.

Proceskosten

2.19. [gedaagde 2] heeft bij brief van 6 april 2007 geklaagd over de wijze waarop [eiser] de werkzaamheden voor MT International en [gedaagde 2] heeft verricht. Dat was de aanleiding voor het entameren van onderhavige procedure. Bij vonnis van 31 maart 2010 heeft de rechtbank deze klachten beoordeeld. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] beroepsfouten heeft gemaakt.

2.20. MT International en [gedaagde 2] zullen daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- griffierecht 590,00

- salaris advocaat 2.026,50 (3,5 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.701,94

2.21. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

in reconventie

2.22. Zoals overwogen in het vonnis van 31 maart 2010 onder 5.13 en verder zullen de vorderingen van MT International en [gedaagde 2] worden afgewezen.

2.23. MT International en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00)

Totaal € 579,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde betaling voor verrichte werkzaamheden,

3.2. veroordeelt MT International om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over € 7.355,78, telkens vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende declaraties tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 7.403,75, telkens vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende declaraties tot de dag van volledige betaling,

3.4. veroordeelt MT International en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.701,94,

3.5. veroordeelt MT International in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat MT International niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6. veroordeelt [gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.9. wijst de vorderingen af,

3.10. veroordeelt MT International en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 579,00,

3.11. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.?

1954/1876