Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9661

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
383751 / HA ZA 11-1712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot inzage geschriften ingesteld in art. 223 Rv- en in art. 843-incident. Incidenteel eiser is gedaagde in de hoofdzaak. De inzagevordering is niet aan te merken als een provisionele vordering. Gevorderde inzage heeft o.a. betrekking op processtukken uit een andere hoofdzaak, waarbij partij zijn enerzijds incidenteel verweerder en anderzijds de beide medegedaagden in de onderhavige hoofdzaak, die - uiteraard - geen partij zijn in de incidenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 383751 / HA ZA 11-1712

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO BELGIE B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

eiseres,

verweerster in de (voorwaardelijke) incidenten ex. art. 220 Rv, art. 222 Rv, art. 223 jo. art. 843a Rv,

advocaat mr. H.E. Eelkman Rooda,

tegen

1. de besloten vennootschap naar Belgisch recht

LMV INVESTMENTS B.V.B.A.,

gevestigd te Schilde, België

gedaagde,

advocaat mr. M.A.L.M. Willems,

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Lisse,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.L.M. Willems,

3. de naamloze vennootschap naar Luxemburgs recht

BIO ENERGIE LUXEMBOURG S.A.,

gevestigd te Lisse,

gedaagde,

eiseres in de (voorwaardelijke) incidenten ex. art. 220 Rv, art. 222 Rv, art. 223 jo. art. 843a Rv,

advocaat mr. A.W. Dolphijn.

Partijen zullen hierna Eneco Belgie, LMV, [gedaagde 2] en BEL genoemd worden.

1. De procedure tussen Eneco België en BEL

1.1. Het verloop van deze procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 30 mei 2011;

- de akte houdende producties van Eneco België, met acht producties;

- het als “incidentele conclusie van antwoord ex artikel 220 Rv en voorwaardelijke ex artikel 222 Rv en voorwaardelijk ex artikel 223 Rv jo. artikel 843a Rv” aangeduide processtuk van BEL, met twee producties;

- de incidentele conclusie van antwoord ex art. 220 Rv en voorwaardelijk ex art. 222 Rv en voorwaardelijk ex artikel 223 Rv jo art. 843a Rv.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de (voorwaardelijke) incidenten ex. art. 220 Rv, art. 222 Rv, art. 223 jo. art. 843a Rv.

1.3. De rechtbank beschouwt bovengenoemd processtuk van BEL als haar incidentele conclusie van eis in genoemde (voorwaardelijke) incidenten.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1. De vorderingen van Eneco België strekken er onder meer toe dat voor recht wordt verklaard dat Eneco België de onder 3 van de dagvaarding genoemde overeenkomst met LMV, [gedaagde 2] en BEL buitengerechtelijk heeft ontbonden althans dat de rechtbank deze overeenkomst ontbindt.

3. Het geschil en de beoordeling in het incident ex art. 220 Rv en in het voorwaardelijk incident ex art. 222 Rv

3.1. BEL vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. het onderhavige geschil tussen partijen verwijst naar de procedure die bij de sector civiel recht van deze rechtbank aanhangig is met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 , onder vermelding van de roldatum en de wijze waarop partijen in geding moeten verschijnen, althans een en ander in goede justitie bepaalt;

b. voorwaardelijk het onderhavige geschil tussen partijen voegt met de procedure die bij de sector civiel recht van deze rechtbank aanhangig is met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 , onder vermelding van de roldatum en de wijze waarop partijen in geding moeten verschijnen, althans een en ander in goede justitie bepaalt,

met veroordeling van Eneco België in de proceskosten.

3.2. Eneco België refereert zich aan het oordeel van de rechtbank wat deze incidentele vorderingen betreft.

3.3. Aangezien beide zaken advocaatzaken zijn en aanhangig zijn bij hetzelfde gerecht, namelijk de rechtbank Rotterdam, ontbreekt een grond voor verwijzing van de onderhavige zaak op de voet van artikel 220 Rv. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.4. Aangezien genoemde verwijzingsvordering zal worden afgewezen, is voldaan aan de voorwaarde waaronder genoemde voegingsvordering is ingesteld.

3.5. Bij incidenteel vonnis van 21 september 2011 in genoemde zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 is die zaak gevoegd met de onderhavige zaak. Bij haar vordering tot voeging heeft BEL dan ook geen belang, zodat zij in deze incidentele vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4. Het geschil en de beoordeling in het voorwaardelijk incident ex art. 223 Rv jo. art. 843a Rv

4.1. De vordering van BEL luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

voorwaardelijk bij wijze van provisionele voorziening Eneco België, LMV en/of [gedaagde 2] gebiedt bescheiden op basis waarvan de vaststellingsovereenkomst zou bestaan tussen LMV, [gedaagde 2] en BEL enerzijds en Eneco België (en Eneco B.V.) anderzijds, binnen twee weken aan BEL ter inzage te geven, althans te verschaffen op kosten van BEL, een en ander op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom, met veroordeling van Eneco België, LMV en/of [gedaagde 2] in de proceskosten.

4.2. Aangezien genoemde verwijzingsvordering en genoemde voegingsvordering niet zullen worden toegewezen, is voldaan aan de voorwaarde waaronder de onderhavige vordering is ingesteld.

4.3. Evenals Eneco België verstaat de rechtbank de vordering van BEL, gelet op hetgeen BEL daaraan ten grondslag heeft gelegd, aldus dat deze vordering mede betrekking heeft op de processtukken die in de zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 tussen LMV en [gedaagde 2] enerzijds en Eneco België en Eneco B.V. anderzijds zijn gewisseld.

4.4. Eneco België heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank uitsluitend voor zover de vordering van BEL betrekking heeft op de processtukken die in de zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 tussen LMV en [gedaagde 2] enerzijds en Eneco België en Eneco B.V. anderzijds zijn gewisseld. Voor zover de vordering van BEL niet op deze processtukken betrekking heeft, heeft BEL verweer gevoerd.

4.5. BEL heeft haar vordering zowel gebaseerd op artikel 223 Rv als op artikel 843a Rv.

Artikel 223 Rv

4.6. Een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv strekt ertoe voor de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. Deze vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben.

4.7. De onderhavige incidentele vordering tot het overleggen van stukken is niet aan te merken als een provisionele vordering, nu deze reeds niet kan worden beschouwd als een voorziening die werking heeft voor de duur van het geding. Aan de vordering tot inzage en afgifte is immers onomkeerbaar voldaan zodra toegang tot de betreffende documenten is verschaft.

Artikel 843a Rv

4.8. Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a is vereist dat sprake is van een rechtmatig belang bij inzage in voldoende bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waar de partij die deze vordering instelt een partij bij is (art. 843a lid 1 Rv).

4.9. Voor zover BEL inzage in of afschrift van de processtukken vordert die in de zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 tussen LMV en [gedaagde 2] enerzijds en Eneco België en Eneco B.V. anderzijds zijn gewisseld, is sprake van bescheiden die voldoende bepaald zijn.

4.10. Aan haar vordering in de hoofdzaak heeft Eneco België onder meer een overeenkomst ten grondslag gelegd die zij op 8 juli 2008 zou hebben gesloten met LMV, [gedaagde 2] en BEL (hierna: de Overeenkomst). Gebleken is dat de partijen in genoemde zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 strijden over de vraag of tussen hen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen die zou dienen als een minnelijke regeling over de nakoming van de verplichtingen uit de Overeenkomst (hierna: de Vaststellingsovereenkomst). Volgens LMV en [gedaagde 2] is de Vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, volgens Eneco België en Eneco is dat niet het geval.

4.11. Vraag is of tegen deze achtergrond gezegd kan worden dat de processtukken die in genoemde zaak zijn gewisseld betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij BEL partij is in de zin van artikel 843a lid 1 Rv. Voor het antwoord op die vraag is niet bepalend dat BEL geen procespartij is in genoemde zaak maar is van belang het onderwerp van de processtukken in genoemde zaak, meer concreet: of in die processtukken zulke rechtsverhouding met BEL in voldoende mate aan de orde is gekomen.

4.12. Aangezien de Overeenkomst een rechtsverhouding vormt waarbij BEL partij is en de Vaststellingsovereenkomst betrekking heeft op deze rechtsverhouding, heeft de Vaststellingsovereenkomst in voldoende mate betrekking op een rechtsverhouding met BEL. Daarmee is echter nog niet gezegd dat dat laatste ook geldt voor de processtukken in genoemde zaak.

4.13. Als gezegd, Eneco België en Eneco hebben in genoemde zaak betwist dat zij de Vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In zoverre ligt het dan ook niet voor de hand dat hun eigen processtukken in die zaak een voldoende aanknopingspunt voor BEL vormen om te concluderen dat de Vaststellingsovereenkomst inderdaad bestaat. Echter, de wederpartij van Eneco België en Eneco in genoemde zaak, LMV en [gedaagde 2], is, daarentegen, wél van mening dat de Vaststellingsovereenkomst bestaat. Op voorhand mag dan ook geenszins worden uitgesloten dat de processtukken van LMV en [gedaagde 2] voor BEL bruikbare aanwijzingen kunnen opleveren voor het bestaan van de Vaststellingsovereenkomst. Aangezien Eneco België en Eneco in hun eigen processtukken ingaan op dit standpunt van LMV en [gedaagde 2], mag op voorhand niet worden uitgesloten dat ook deze laatstbedoelde processtukken voor BEL een bruikbare informatiebron kunnen opleveren met betrekking tot het bestaan van de vaststellingsovereenkomst.

Op grond van een en ander is de rechtbank van oordeel dat de processtukken in genoemde zaak in voldoende mate betrekking hebben op een rechtsverhouding met BEL als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv.

4.14. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt tevens dat BEL een rechtmatig belang heeft bij inzage in genoemde processtukken.

4.15. Op grond van het bovenstaande zal de vordering van BEL, voor zover deze betrekking heeft op de processtukken in genoemde zaak, worden toegewezen.

4.16. Aangezien Eneco België zich op het standpunt stelt dat de Vaststellingsovereenkomst nooit tot stand is gekomen en gesteld noch gebleken is dat bij uitstek Eneco België beschikt over bepaalde bescheiden die haar eigen standpunt logenstraffen, kan niet gezegd worden dat Eneco België, naar zij terecht betoogt, afgezien van genoemde processtukken nog andere bescheiden bezit die in voldoende mate betrekking hebben op een rechtsverhouding met BEL, nog afgezien van de vraag of BEL zulke andere bescheiden op een voldoende bepaalbare wijze als bedoeld in artikel 843a Rv heeft aangeduid. In zoverre zal de vordering van BEL dan ook worden afgewezen.

4.17. De dwangsom zal worden bepaald op € 500,-- per dag met een maximum van

€ 5.000,--.

4.18. De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident ex art. 220 Rv

wijst de vordering af;

in het voorwaardelijk incident ex art. 222 Rv

verklaart BEL niet-ontvankelijk;

in het voorwaardelijk incident ex art. 223 Rv jo. art. 843a Rv

gebiedt Eneco België BEL inzage te geven in de tot op heden in de zaak met het zaaknummer / rolnummer 380789 / HA ZA 11-1467 gewisselde processtukken binnen twee weken na heden;

bepaalt de dwangsom op € 500,-- per dag met een maximum van € 5.000,--;

wijst de vordering voor het overige af;

in alle incidenten

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 18 januari 2012 voor conclusie van antwoord aan de zijde van BEL.

Dit vonnis is gewezen door L.J. Sarlemijn en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.

901/1624