Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9654

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
351745 / HA ZA 10-1118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbitrageovereenkomst tot stand gekomen? In het licht van voorgeschiedenis en tekst overeenkomst moet geoordeeld worden dat ook eiser bij overeenkomst partij is. Geen vernietiging o.g.v. art. 1065 lid 1 onder a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351745 / HA ZA 10-1118

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

[eiser]

wonende te Budapest, Hongarije,

eiser,

advocaat mr. ir. M.J. Sturm,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CIMCOOL INDUSTRIAL PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Meijer.

Partijen zullen hierna [eiser] en Cimcool genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 mei 2011 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- conclusie na tussenvonnis van Cimcool, met producties;

- antwoordconclusie na tussenvonnis, met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In deze zaak vordert [eiser] vernietiging van het arbitrale vonnis van 16 december 2009, gewezen tussen Cimcool als eiseres en [eiser] en zijn vennootschap [eiser] and [eiser] Consulting Ltd. (hierna: de vennootschap). Aan die vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd het standpunt dat tussen hem en Cimcool geen geldig arbitragebeding is overeengekomen (artikel 1065 lid 1 onder a Rv), omdat de overeenkomst waarop Cimcool zich beroept uitsluitend tussen haar en de vennootschap is tot stand gekomen. Cimcool meent dat ook [eiser] partij is bij de desbetreffende overeenkomst.

2.2. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank enkele beslissingen genomen. Onder meer heeft de rechtbank beslist dat de rechtbank in de onderhavige vernietigingsprocedure geen terughoudendheid dient te betrachten bij de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen. Ook heeft de rechtbank beslist dat de stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van het bestaan van de arbitrageovereenkomst op Cimcool rusten. Verder heeft de rechtbank beslist dat Hongaars recht van toepassing is. Volgens het toepasselijke artikel 207 lid 1 van het Hongaarse Burgerlijk Wetboek geldt het volgende uitlegcriterium:

“The words in a contract are to be construed as the other party would understand them, given the generally accepted meaning of the words used, and taking into account the probable purpose of the person using them and the circumstances of the case.”

2.3. In het licht van dit criterium heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat het van belang is preciezer zicht te krijgen op hetgeen partijen in de onderhandelingsfase over en weer jegens elkaar hebben verklaard, omdat die verklaringen van belang zijn voor het antwoord op de vraag hoe [eiser] de uiteindelijk getekende overeenkomst redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Partijen zijn hierop in hun conclusies na tussenvonnis verder ingegaan. Naar aanleiding van die uiteenzettingen overweegt de rechtbank als volgt.

2.4. Cimcool heeft het verloop van het onderhandelingsproces onderbouwd door middel van overlegging van de desbetreffende e-mails tussen haar voormalige werknemer [pe[persoon 1] en [eiser] (producties C-24 en 25). [eiser] heeft bevestigd dat het verloop van de onderhandelingen inderdaad uit die e-mails blijkt (antwoordconclusie, onder 2.5), zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Ten behoeve van de verdere beoordeling reconstrueert de rechtbank dat onderhandelingsproces als volgt.

2.5. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat de voorgeschiedenis van de uiteindelijke overeenkomst teruggaat tot 2004, toen de vennootschap voor Cimcool op zoek was naar een regional distribution manager en [eiser] per mail aan Cimcool liet weten zelf ook “really interested in the job” te zijn, in verband waarmee hij zijn cv en een foto meestuurde (productie C-24 van Cimcool). Toen die functie in 2005 opnieuw vrijkwam, heeft [eiser] opnieuw per e-mail (van 3 augustus 2005) laten weten zeer geïnteresseerd te zijn. Daarna heeft [eiser] per mail van 24 augustus 2005 aan Cimcool laten weten, voor zover van belang:

“I expect to hear from my accountant on the numbers and the best ways to structure my potential involvement from a tax point of view by early next week.”

2.6. Die informatie van zijn accountant heeft kennelijk geleid tot de mail van [eiser] aan Cimcool van 29 augustus 2005 (12:35), waarin hij twee opties met bijbehorende kosten voor Cimcool presenteerde. Optie 1 “(supposing that Cimcool has to pay Hungarian dues after me in Hungary)” hield in dat hij werkzaam zou zijn als “Cimcool employee (which I prefer)”. De totale kosten van deze optie voor Cimcool komen volgens zijn berekeningen uit op € 5.220,- per maand exclusief bonus. De tweede optie luidde:

“If I invoice you from my company:

I make out an invoice each month form my company to you about EUR 4,000 and my company pays all the dues and taxes in Hungary. Since the company has to pay a pretty high profit tax and still pay all the dues above after me this invoice figure will bring me about to the same net income. The reason it is less is that I can operate with somewhat smaller dues as a micro enterprise in Hungary.

If you wish and think it is more flexible, we can start with option 2 and we can shift to option one after the probation period […]. I would prefer to be a Cimcool employee.”

2.7. De presentatie van deze twee opties heeft geleid tot verder overleg tussen [eiser] en [persoon 1], onder andere over de vraag of een “micro company” in Hongarije winstbelasting betaalt en over de vraag of Cimcool wel een in Hongarije woonachtige en werkzame werknemer in dienst kon hebben. Op 29 augustus 2005 (13:26) berichtte [persoon 1] onder meer het volgende:

“if you would invoice us and you would work as micro company (this we do with certain employees in non direct markets), they do not pay profit tax as far as I know (as consultant how can you really determine what is profit). […]

in any case [eiser]

we do not have a legal entity in Hungary, nor do plan to have one, so I do not know even, if I can offer your preferred construction.

[…]

However, in any case, in our books you would be our employee on our payroll in the Netherlands, with employment contract with 3 month probation, as you mentioned in your email.”

2.8. Op de eerste opmerking van [persoon 1] reageerde [eiser] diezelfde dag (19:47) door aan [persoon 1], onder meer, voor te rekenen welke “optimum mix of salary and dividends” uit zijn vennootschap nodig zou zijn om op het gewenste netto inkomen te komen. Hij eindigde deze reactie als volgt:

“So this solution is absolutely no gain for me at the end, but if this is better for you, I have no problem with it.”

Naar aanleiding van de tweede opmerking van [persoon 1] merkte [eiser] op dat dit aspect door beide partijen goed gecheckt zou moeten worden, onder meer als volgt:

“I think invoicing could be the best solution for you, but let’s fully check out the employee version before.”

2.9. Per mail van 1 september 2005 berichtte [eiser], voor zover relevant, het volgende aan [persoon 1]:

“I checked with the local authorities and I can be your employee living in Hungary, paying my dues and taxes to the Hungarian system, according to our laws. In other words, the percentages for option one are correct, and you can wire me the whole amount and I have to file and pay everything in your name and in my name as the employer is outside the country.”

2.10. Vervolgens was het tot en met december 2005 betrekkelijk rustig tussen [eiser] en Cimcool. Cimcool heeft twee mails van [eiser] aan [persoon 1] overgelegd, kennelijk verzonden in het kader van onderhandelingen over het beloningsbedrag. In beide mails heeft [eiser] het over ‘invoicing’ als de wijze waarop hij uitbetaald zal worden.

2.11. Vanaf begin januari 2006 hebben partijen meer contact gehad. Dat contact, voor zover blijkend uit de e-mails, had echter vooral betrekking op praktische afspraken in verband met een bezoek van [eiser] aan Nederland. De enige voor deze zaak relevante opmerking is die waarin [persoon 1] aan [eiser] meldt dat zij contact heeft met een advocaat in Budapest “to check what we need to write in your employment contract”.

2.12. Pas op 18 januari 2006 volgde weer een voor deze zaak relevant bericht, maar dat was direct de toezending van het definitieve contract en de daarbij behorende side letter.

2.13. Ten aanzien van de inhoud van die overeenkomst moet het volgende worden geconstateerd, deels in aanvulling op hetgeen overwogen in het tussenvonnis:

- De overeenkomst vermeldt in de kop als “Sales representative” onder elkaar de vennootschap en [eiser] zelf. Dit is een andere wijze van vermelding dan die bij de “Principal”, waarachter slechts Cimcool wordt genoemd, “Represented by” haar directeur.

- Het gaat in de overeenkomst steeds om verplichtingen en aanspraken van de sales representative, zonder onderscheid tussen [eiser] of de vennootschap, behalve waar het betreft de geheimhoudingsclausule (artikel VIII). Deze richt zich tot “the company of the sales representative, and the sales representative”.

- Sommige andere bepalingen suggereren naar hun aard een persoonlijke gebondenheid van [eiser], zoals de bepaling over de verlaging van “his monthly pay” in geval van “disablement” (artikel III) en de verplichting tot het “personally” uitvoeren van de overeenkomst (artikel VI).

- De overeenkomst voert als voettekst “Contract on Sales Representation / [eiser]”. De vennootschap wordt daar niet genoemd.

- De overeenkomst is aan de zijde van Cimcool ondertekend door haar “managing director” met uitdrukkelijke vermelding van de naam van Cimcool, terwijl de ondertekening aan de andere zijde slechts door de sales representative [eiser] heeft plaatsgevonden, zonder vermelding van de vennootschap.

- De bij de overeenkomst behorende side letter (productie C-19 van Cimcool) is gericht aan [eiser], met in de kop achter “firm:” de vermelding van de vennootschap. De brief handelt onder meer over de aan de sales representative toekomende beloning. In dat verband vermeldt een brief uitdrukkelijk een bruto salaris.

2.14. De rechtbank beoordeelt een en ander per saldo als volgt.

2.15. Buiten kijf staat naar het oordeel van de rechtbank dat het partijen er van aanvang af om te doen was dat [eiser] zelf degene zou zijn die de werkzaamheden van de sales representative zou gaan uitvoeren. Alles in de contacten tussen partijen zoals hierboven weergegeven duidt daarop. Over de precieze vormgeving van die persoonlijke betrokkenheid is echter niet reeds vanaf het begin gesproken. Uit de allereerste fase van het overleg (2.5) kan immers niet veel concreets worden afgeleid ten aanzien van de vraag of [eiser] zelf uiteindelijk mede heeft te gelden als contractspartij. Het moet er eerder voor worden gehouden dat de vraag in welke hoedanigheid [eiser] uiteindelijk het werk zou gaan doen in deze fase nog geen reëel voorwerp van overleg was. Dat veranderde toen [eiser] op 29 augustus 2005 de twee opties presenteerde. Naar het oordeel van de rechtbank moet uit die mail worden afgeleid dat [eiser] op dat moment uitging van ofwel een eigen verbintenis met Cimcool als werknemer (de variant die nadrukkelijk zijn voorkeur had), ofwel een verbintenis via de vennootschap, als twee elkaar uitsluitende opties dus. Ook [persoon 1] heeft die mail kennelijk in deze zin begrepen. In haar reactie van diezelfde dag spreekt zij immers over de optie dat “you would invoice us and you would work as micro company”.

2.16. De rechtbank begrijpt echter de daaropvolgende mail van [eiser] van 1 september 2005 aldus dat hij daarmee alsnog een soort tussenvariant heeft geopperd. Ging hij er bij de eerste optie in zijn mail van 29 augustus 2005 nog vanuit dat Cimcool als (reguliere) werkgever de verschuldigde werkgeverslasten, inclusief de loonbelasting, rechtstreeks aan de Hongaarse autoriteiten zou betalen (“which Cimcool deducts and wires to the Hungarian system”), in zijn mail van 1 september 2005 meldt hij op basis van nieuwe informatie van de autoriteiten dat hij werknemer van Cimcool kan zijn en toch zelf alle lasten, waarbij hij nadrukkelijk wijst op de in zijn mail van 29 augustus 2005 bij optie 1 genoemde bedragen, aan de autoriteiten kan afdragen. Kennelijk gaat hij er dan tegelijk nog steeds vanuit dat hij via zijn vennootschap zal declareren, nu hij immers in zijn volgende mails nog steeds spreekt over het ‘invoicen’ van de bedragen. De rechtbank staat hier zo uitvoerig bij stil, omdat [eiser] betoogt dat tussen partijen slechts sprake is geweest van twee varianten, en niet van de derde variant die Cimcool in zijn ogen bepleit. Die opvatting van [eiser] deelt de rechtbank dus in zoverre niet, dat op enig moment door hemzelf een derde variant naar voren is gebracht: behoud van werknemerschap en tegelijk declareren via de vennootschap. In elk geval heeft Cimcool de berichten van [eiser] in deze zin mogen begrijpen.

2.17. Gesteld noch gebleken is dat tot het moment van verzending van het definitieve contract op dit punt wezenlijke veranderingen in de opstelling van partijen zijn opgetreden. Veel overleg heeft kennelijk niet meer plaatsgevonden. De opmerking in de mail van [persoon 1] van 6 januari 2006 dat zij overleg heeft met een Hongaarse contract over de inhoud van het “employment contract” duidt er hooguit op dat het Cimcool er nog altijd om te doen was dat [eiser] zich persoonlijk zou verbinden.

2.18. Samenvattend geldt dat, op het moment waarop Cimcool het definitieve contract aan [eiser] toestuurde, partijen al langere tijd in overleg waren geweest over de vormgeving van het contract, gegeven het gedeelde uitgangspunt dat de werkzaamheden van sales representative feitelijk door [eiser] zouden worden verricht, en dat [eiser] zelf een variant heeft voorgesteld waarbij hij werknemer van Cimcool zou zijn (zoals hij graag wilde) en niettemin de beloning via zijn vennootschap zou declareren.

2.19. Bij deze stand van zaken (dat er in mondelinge contacten in dit verband nog relevante dingen zijn gezegd is gesteld noch gebleken) moet naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van het aan [eiser] toegezonden definitieve contract en de bijbehorende side letter worden afgeleid dat Cimcool beoogde (ook) [eiser] zelf te binden, en dat zij erop mocht vertrouwen aldus ook aan de bedoelingen van [eiser] tegemoet te komen. De rechtbank wijst op de in 2.13 opgesomde elementen, die er vrijwel allemaal op wijzen dat (ook) [eiser] zelf als contractspartij was bedoeld. Het had in deze omstandigheden op de weg van [eiser] gelegen bij Cimcool navraag te doen naar aanleiding van de inhoud van de overeenkomst, als hij zou hebben gemeend dat de tekst ten onrechte een persoonlijke gebondenheid van hemzelf suggereerde. De rechtbank wijst erop dat [eiser] niet kan worden beschouwd als een consument die op dit punt extra bescherming behoeft. Hij heeft te gelden als professional die zich bovendien intensief met de onderhandelingen heeft bemoeid, en in dat kader juist input heeft geleverd waarmee het uiteindelijke contract in overeenstemming was.

2.20. In het midden kan blijven of Cimcool eerdere concepten van de overeenkomsten nu wel of niet aan [eiser] had gestuurd en of Cimcool nu wel of niet aan [eiser] had laten weten “100% grip” op zijn doen en laten te willen hebben. Ter comparitie is dit verklaard door de directeur van Cimcool, die niet bij de onderhandelingen betrokken is geweest. Terecht wijst [eiser] erop dat deze stellingen niet op overtuigende wijze zijn gehandhaafd in de conclusie na tussenvonnis. Ook als aangenomen moet worden dat [eiser] niet van die concepten en de beweegredenen van Cimcool op de hoogte was, dan nog had van [eiser], gelet op zijn eigen berichten en op de inhoud van de overeenkomst, verwacht mogen worden bij Cimcool aan de bel te trekken.

2.21. Ook is niet van belang dat Cimcool in het verleden in ander verband met de vennootschap (en niet met [eiser] in persoon) had samengewerkt (zie 2.3 en 4.12 van het tussenvonnis). Partijen zijn immers nadrukkelijk in overleg geraakt over de wijze waarop de samenwerking met [eiser] als sales representative kon worden vorm gegeven. Een mogelijk stilzwijgende voortzetting van de vroegere samenwerking was daarmee niet meer aan de orde.

2.22. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] na ontvangst van de definitieve overeenkomst nog met Cimcool in overleg is getreden. Dat betekent dat de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat ook [eiser] zelf daarbij partij is.

2.23. Daaraan doet niet af dat de beloning van de sales representative bij Cimcool in rekening is gebracht door middel van facturen van de vennootschap. Dat is immers geheel in lijn met hetgeen tussen partijen in het najaar van 2005 was besproken. Ook is niet van belang, zoals [eiser] heeft betoogd, dat de vermelding van zowel de venootschap als [eiser] zelf als partij tot gevolg zou hebben dat alsnog een arbeidsovereenkomst zou zijn ontstaan. Dat moge misschien zo zijn, maar dat doet aan de uitleg van de overeenkomst in het licht van de voorgeschiedenis niet af. Bovendien is gesteld noch gebleken dat partijen per se geen arbeidsovereenkomst wilden sluiten. Eerder het tegendeel moet worden aangenomen. [eiser] zelf wilde het liefst employee zijn van Cimcool, terwijl [persoon 1] nog in haar mail van 6 januari 2006 sprak over een “employment contract”.

2.24. Ten slotte ziet de rechtbank zich in haar uitleg van de overeenkomst gesteund door de omstandigheid dat [eiser] de opzeggingsbrief nadrukkelijk in twee hoedanigheden heeft ondertekend: een keer als directeur van de vennootschap en een keer als sales representative.

2.25. Deze uitleg brengt mee dat ook [eiser] gehouden is aan het arbitraal beding dat in de overeenkomst is opgenomen. De vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1 onder a Rv doet zich dus niet voor. De vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis is dan ook niet toewijsbaar.

2.26. [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Het advocatensalaris zal worden begroot op basis van het tarief voor vorderingen van onbepaalde waarde (€ 452,-) vermenigvuldigd met 2,5 punten (conclusie van antwoord, comparitie en conclusie na tussenvonnis).

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Cimcool begroot op € 263,- voor vast recht en op € 1.130,- voor advocatensalaris, een en ander te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, bij gebreke waarvan [eiser] van rechtswege in verzuim zal zijn;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.(

1980/1694