Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9628

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
333098 / HA ZA 09-1686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jegens gemeente aanspraak op exclusief gebruik van parkeervakken in Vinexwijk? Verhouding tot bestuursrechtelijke procedure. Gelijkheidsbeginsel. Onduidelijke vorderingen en grondslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 333098 / HA ZA 09-1686

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

1. [eiser 1]

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

wonende te Berkel en Rodenrijs,

eisers,

advocaat mr. A.H.F. Beiboer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LANSINGERLAND,

zetelend te Berkel en Rodenrijs,

gedaagde,

advocaat mr. F.P. van Galen.

Partijen zullen hierna [eisers] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 juni 2010 en de daaraan ten grondslag liggende stukken

- conclusie na tussenvonnis tevens akte wijziging van eis

- conclusie na tussenvonnis tevens akte uitlating wijziging van eis van de gemeente

- nadere conclusie tevens akte overlegging stukken zomede wijziging/aanpassing eis

- nadere conclusie tevens akte uitlating stukken en uitlating wijziging eis van de gemeente.

1.2. In de onderhavige procedure waren aanvankelijk naast de gemeente nog drie andere partijen als gedaagden betrokken. Op de rol van 23 maart 2011 zijn de zaken tegen die drie gedaagden doorgehaald.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Deze procedure handelt, kort gezegd, over de vr[eisers] jegens de gemeente aanspraak kunnen maken op het exclusieve gebruik van parkeervakken in de buurt van hun woningen. De achtergrond van dit geschil is dat de desbetreffende nieuwbouwwoning[eisers] – die naast elkaar zijn gelegen – anders dan de overige in die buurt gelegen woningen niet bereikbaar zijn met de auto en ook niet beschikken over een parkeervak op eigen grond. Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank hieromtrent verschillende beslissingen genomen en overigens partijen gelegenheid gegeven zich over een aantal resterende punten nader uit te laten.

2.2. De rechtbank stelt voorop dat d[eisers] bij conclusies na tussenvonnis ingenomen stellingen het zicht op de zaak niet hebben verhelderd. Dit lijkt onder meer te worden veroorzaakt door de omstandighe[eisers] niet helder zijn over hetgeen zij (primair, subsidiair en meer subsidiair) nu precies vorderen, mede als gevolg van de diverse eiswijzigingen bij de laatstelijk genomen conclusies. Naar het oordeel van de rechtbank wijst de gemeente terecht op deze onduidelijkheid (nadere conclusie onder 26). De rechtbank brengt de vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de vermeende aanspraak op een parkeerrecht, als volgt in kaart. Dit laat overigens onverl[eisers] ook over de grondslag(en) van hun vorderingen niet helder zijn, waarover later in dit vonnis meer.

2.3. Bij dagvaarding (onder 2 van het petitum) [eisers] de volgende vordering geformuleerd:

“de gemeente te gebieden tot nakoming van de aan kopers gedane toezegging inhoudende dat zij een exclusief parkeerrecht aan [adres 1] gelegen aan de achterzijde van de w[adres 2]adres 2] verkrijgen, welk gebruik onlosmakelijk verbonden zal blijven aan de betreffende woning en mitsdien overdraagbaar is, zonder dat daarvoor enige vergoeding door kopers is verschuldigd aan de gemeente;”

Bij nadere conclusie na tussenvonnis [eisers] hun eerder al bij conclusie na tussenvonnis opgenomen subsidiaire vordering als volgt geherformuleerd:

“Zodra na de bestuursrechtelijke procedures onherroepelijk komt vast te staan dat de Gemeenteraad ten onrechte het besluit tot onttrekking van de litigieuze parkeerplaatsen aan de openbare weg heeft geweigerd, de Gemeente wordt veroordeeld tot het aanbrengen van markeringstegels, markeringsbord en een parkeerbeugel op de litigieuze parkeerplaatsen aan [adres 1] ten behoeve van Kopers […] en deze tekens en beugels te handhaven totdat de gerechtigde Koper zijn woning heeft verkocht en overgedragen aan een derde […].”

En de meer subsidiaire vordering:

“[…] de gemeente te veroordelen tot het treffen van een parkeervoorziening voor Kopers als de Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tot gevolg hebbend dat Kopers de beschikking verkrijgen over een voor hen gereserveerde parkeerplaats aan [adres 1] – achterzijde [adres 2] – te Berkel en Rodenrijs.”

2.4. De rechtbank ziet niet in wat het materiële verschil is tussen het primair en het meer subsidiair gevorderde. Ee[eisers] “gereserveerde parkeerplaats” kan immers niet anders worden begrepen dan als een “exclusief parkeerrecht”, a[eisers] hebben niet toegelicht waarin relevante verschillen zouden schuilen. Uit de stelling[eisers] volgt voorts dat zij dat exclusieve (of gereserveerde) parkeerrecht feitelijk gerealiseerd wensen te zien door middel van een parkeerbeugel, omdat, anders dan in geval van louter een tegel of bord, op die wijze wordt gewaarborgd dat anderen niet van die parkeervakken gebruik maken. In zoverre valt ook niet in te zien wat het materiële verschil is tussen de primaire en de subsidiaire vordering. (Op het in de subsidiaire vordering gelegde verband met “de bestuursrechtelijke procedures” gaat de rechtbank hierna in.)

2.5. Voor zover de vordering[eisers] zijn gebaseerd op toezeggingen door de gemeente heeft tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene het volgende te gelden.[eisers] beroepen zich onder meer op een brief en e-mail van ambtenaren van de gemeente van 4 juni 2004 en 1 april 2005. Ten aanzien van deze berichten heeft de rechtbank bij tussenvonnis onder meer geoordeeld dat deze berichten een toezegging (aan Dubbeling) inhouden waaraan de gemeente is gebonden. Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank ook de reikwijdte van deze toezegging uitgelegd. Volgens de brief van 4 juni 2004 gaat het om “een eenvoudige indicatie per parkeerplaats”, de e-mail van 1 april 2005 spreekt van een “huisnummer in een tegel die in het parkeervak wordt opgenomen”. Tot meer dan nakoming van die toezegging is de gemeente (in beginsel) niet gehouden, zo heeft de rechtbank bij tussenvonnis geoordeeld. Meer specifiek kan uit de berichten niet worden afgele[eisers] aanspraak hebben op een “exclusief en overdraagbaar parkeerrecht”, een “gereserveerde parkeerplaats” of de plaatsing van een parkeerbeugel, waarop de vordering[eisers] betrekking hebben. De rechtbank heeft overwogen en beslist dat de vordering in zoverre dus in elk geval niet toewijsbaar is (5.27 van het tussenvonnis).

2.7. Bij conclusie na tussenvonnis (vanaf 27) [eisers] deze uitleg bestreden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding op haar beoordeling terug te komen. Niet gezegd kan worden dat aan de door de desbetreffende ambtenaren gebruikte bewoordingen in redelijkheid d[eisers] bepleite ruimere strekking moet worden gegeven. Feiten die alsnog tot die uitleg aanleiding geven [eisers] niet gesteld. Bij nadere conclusie na tussenvonnis (onder 25) [eisers] getuigenbewijs aangeboden voor wat betreft de gestelde exclusiviteit van het parkeerrecht. Wat er verder ook zij van dat bewijsaanbod, de rechtbank ziet geen aanl[eisers] tot bewijs toe te laten. Niet alleen is het aanbod te laat gedaan (de rechtbank heeft dit punt al beslist), ook ziet het aanbod niet op de kennelij[eisers] gewenste parkeerbeugel en laat dit bewijsaanbod de kwestie van de overdraagbaarheid van het parkeerrecht onverlet. Bewijsvoering kan dus niet tot toewijzing van de vordering leiden.

2.8. Bij conclusie na tussenvonnis (onder 33) [eisers] voorts te kennen gegeven dat, voor zover de rechtbank blijft bij haar oordeel dat de hiervoor bedoelde toezegging niet ziet op een exclusief en overdraagbaar parkeerrecht, zij zich beroepen op het door de gemeente bij brief van 14 november 2006 aangeboden gebruiksrecht. Gelet op het hiervoor overwogene is aan d[eisers] gestelde voorwaarde voldaan. Dat betekent per saldo dat de berichten uit 2004 en 2005 en de daarin vervatte toezegging niet als grondslag kunnen dienen voor toewijzing van de vordering. Die berichten kunnen dus verder buiten beschouwing blijven. Dat geldt ook voor de in dit verband door partijen over en weer nog ingenomen stellingen (bijvoorbeeld over de geadresseerde van de toezegging uit 2004 en 2005 en over het al dan niet zorgvuldige gebruik van de “parkeerindicatie”).[eisers] beroepen zich als gezegd op de brief van het college van B&W van de gemeente van 14 november 2006. De brief behelst het voornemen van het college om aan de gemeenteraad voor te stellen de onderhavige parkeervakken aan de openbare parkeergelegenheid te onttrekken en tegen een vergoedi[eisers] in gebruik te geven. In de brief wordt een voorbehoud gemaakt ter zake het door de gemeenteraad te nemen onttrekkingsbesluit. Bij brief van 29 november 2006 heeft [eisers] aan de gemeente bericht akkoord te gaan met het voorstel, “echter met uitdrukkelijk protest tegen de hoogte van de huurprijs”.

2.10. Vast staat inmiddels dat de gemeenteraad (na de nodige formele bestuursrechtelijke perikelen) bij besluit van 10 mei 2010 heeft besloten geen onttrekkingsbesluit te nemen. Het daartege[eisers] ingediende administratieve beroep is door het college van gedeputeerde staten ongegrond verk[eisers] hebben onbetwist gesteld dat zij tegen dat besluit in beroep zijn gegaan bij de rechtbank Den Haag. Het beroep zou op 15 augustus 2011 worden behandeld,[eisers] in hun nadere conclusie na tussenvonnis.

2.11. De rechtbank is niet op de hoogte van de huidige stand van zaken in de bestuursrechtelijke procedure. Gelet op het tijdsverloop (dit vonnis wordt met enige vertraging uitgesproken), kan niet worden uitgesloten dat de rechtbank Den Haag inmiddels uitspraak heeft gedaan. Partijen kunnen de rechtbank omtrent die uitspraak en eventueel ingesteld appel informeren bij gelegenheid van de comparitie die de rechtbank zal gelasten.

2.12. Is de bestuursrechtelijke procedure nog niet definitief geëindigd, dan kan de rechtbank dus niet uitgaan van de formele rechtskracht van het oorspronkelijke besluit en de beschikking op het administratieve beroep. In een zodanig geval kunnen de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat de rechtbank – om mogelijk tegenstrijdige beslissingen te voorkomen – haar uitspraak aanhoudt totdat in het bestuursrechtelijke traject een onherroepelijke beslissing is gegeven. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad zal voor een dergelijke aanhouding met name grond bestaan als te verwachten valt dat bij die beslissing het bestreden besluit zal worden vernietigd. Of vernietiging valt te verwachten, dient de burgerlijke rechter summierlijk te onderzoeken. Ter comparitie kunnen partijen zich uitlaten over de vraag of, gelet op dit toetsingskader, aanleiding bestaat de zaak aan te houden.

2.13. Is de beslissing op het administratieve beroep inmiddels door de bestuursrechter vernietigd, dan is de vraag wat de huidige stand van zaken is in het bestuurlijke traject. Niet gezegd is immers dat het gevolg van zodanige vernietiging steeds is dat de gemeenteraad alsnog een onttrekkingsbesluit dient te nemen. Dat hangt mede af van de inhoud van de uitspraak van de bestuursrechter.

2.14. Blijft de beslissing op het administratieve beroep bij de bestuursrechter in stand, dan staat daarmee, ook voor deze rechtbank, vast dat de gemeenteraad op goede gronden heeft geweigerd de onderhavige parkeervakken aan de openbare ruimte te onttrekken. De rechtmatigheid van dat besluit is in dat geval voor de rechtbank een gegeven. Aan het bero[eisers] op het gelijkheidsbeginsel komt in dat kader geen betekenis toe, in verband waarmee de rechtbank opmerkt dat het college van gedeputeerde staten blijkens zijn beslissing op bezwaar dat beroep in zijn overwegingen heeft betrokken.

2.15. In het hier bedoelde geval (de weigering een onttrekkingsbesluit te nemen blijft in stand) [eisers] ook overigens aan de brief van 14 november 2006 geen aanspraken meer ontlenen. Het daarin neergelegde aanbod is immers uitdrukkelijk gedaan onder voorbehoud van een door de gemeenteraad te nemen onttrekkingsbesluit. Aan die voorwaarde is dan niet voldaan.

2.16. De rechtbank begrijpt het beto[eisers] echter aldus dat zij menen dat een onttrekkingsbesluit in het geheel niet nodig is om hun het exclusieve (of gereserveerde) gebruik van een parkeerplaats te verlenen. Zij beroepen zich op het advies dat het college van gedeputeerde staten (kennelijk ten onvervloede) aan de gemeente heeft gegeven, dat het volgende inhoudt:

“[D]e kamer adviseert verweerder, mede gelet op de voorgeschiedenis om de oude situatie te herstellen, door aan reclamanten een exclusief parkeerrecht te verlenen op grond van de Wegenverkeerswetgeving of te verhuren. Hiervoor is een onttrekking aan de openbaarheid niet noodzakelijk want de parkeerplaats wordt dan niet fysiek afgesloten (HR 07-04-2000, AB 2000, 438). Het recht zou bij de overdracht van de woning overdraagbaar moeten zijn, mits het algemeen belang zich hier niet tegen verzet.”

2.17. Het is de rechtbank niet duideli[eisers] met dit betoog precies beogen. Voorop gesteld moet immers worden dat de gemeente niet gehouden is een “advies” van het college van gedeputeerde staten over te nemen, a[eisers] hebben ter zake niets aangevoerd. Ook overigens roept het beto[eisers] op dit punt vragen op. Het huren van een parkeerrecht is al eerder tussen partijen ter sprake geweest[eisers] hebben het daartoe strekkende aanbod van de gemeente niet aanvaard (5.28 van het tussenvonnis). Evenmin is duideli[eisers] beogen met hun verwijzing naar de opmerking van het college in zijn advies over een parkeerrecht op grond van de Wegenverkeerswetgeving. Zo rijst de vraag of ter zake van maatregelen op grond van die wetgeving niet evenzeer bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan, met gevolgen voor de ruimte die de civiele rechter nog heeft.

2.18. Wat hier van zij, voor een civielrechtelijke aanspraak op een in het advies van het college bedoelde maatregel zou ofwel sprake moeten zijn van een toezegging van de gemeente, ofwel de weigering van de gemeente een dergelijke maatregel te nemen zou geacht moeten worden onrechtmatig te zijn. Een toezegging ter zake de hier bedoelde aanspraken is er niet, zo volgt uit het hiervoor overwogene. Van onrechtmatig handelen (meer concreet: handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel) is v[eisers] wel sprake, in verband waarmee zij verwijzen naar het feit dat bewoners van woningen aan [adres 3], die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, wel een exclusief parkeerrecht door middel van borden en parkeerbeugels hebben gekregen (conclusie na tussenvonnis, 12 en 26). Voor[eisers] aldus willen betogen dat zij, net als de bewoners van [adres 3], aanspraak hebben op plaatsing van een parkeerbeugel, lijkt dat betoog op gespannen voet te staan met hun standpunt dat voor bepaalde maatregelen geen onttrekkingsbesluit nodig is. Voorshands is de rechtbank immers, met de gemeente, van oordeel dat plaatsing van een parkeerbeugel een fysieke beperking is die op grond van de Wegenwet niet zonder onttrekkingsbesluit kan worden aangebracht (zie het door het college aangehaalde arrest van de Hoge Raad). Voor[eisers] menen dat dit anders is, kunnen zij zit ter comparitie nader uiteenzetten.

2.19. Voor wat betreft het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel (als grond voor de opvatting dat de gemeente onrechtmatig handelt door geen parkeerrecht te verlenen op een wijze waarvoor geen onttrekkingsbesluit nodig is) geldt overigens het volgende. Bij hun conclusies na tussenvonnis [eisers] het volgende aangevoerd:

- de ligging van de woning[eisers] is vergelijkbaar met die van de desbetreffende woningen aan [adres 3];

- de parkeervakken liggen net als die bij de woning[eisers] niet op eigen terrein, zij bevinden zich op openbaar terrein;

- de parkeervakken zijn door de gemeente kosteloos voorzien van borden, markeringstegels en parkeerbeugels.

De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat van gelijke gevallen geen sprake is. Ter onderbouwing heeft zij bij nadere conclusie na tussenvonnis onder meer gesteld dat de grond waarop de parkeervakken bij [adres 3] liggen nooit tot openbare weg is bestemd (vergelijk artikel 4 III Wegenwet), zodat een onttrekkingsbesluit niet nodig was. Ook heeft zij aangevoerd dat die parkeervakken niet langs een doorgaande weg maar op een binnenterrein liggen en voorts is de geografische ligging wezenlijk anders. Op al deze punten verschilt de situatie van [adres 3] wezenlijk van die van de straat waarover h[eisers] gaat, aldus de gemeente.

2.20. Op de hier weergegeven stellingen van de gemeente h[eisers] nog niet kunnen reageren. Zij kunnen dat alsnog ter comparitie doen. Bij die gelegenheid kunnen zij ook reageren op de stelling van de gemeente dat, als zou blijken dat de parkeervakken aan [adres 3] ten onrechte zonder onttrekkingsbesluit zijn voorzien van een parkeerbeugel, dit hooguit betekent dat de gemeente in strijd met de Wegenwet heeft gehandeld, maar dat dit nog geen aanspraa[eisers] op een gelijke behandeling oplevert (nadere conclusie na tussenvonnis, 13).

2.21. Ter comparitie z[eisers] ook duidelijkheid moeten verschaffen over de strekking van hun beroep op een onrechtmatige daad. Bedoelen zij dat de gemeente bij wijze van schadevergoeding (in natura?) gehouden is in de desbetreffende parkeervakken alsnog voorzieningen aan te brengen die ook aanwezig zijn in de parkeervakken in [adres 3]? Of heeft de grondslag van onrechtmatige daad geen betrekking op de onder 2.3 weergegeven vorderingen, maar louter op de vordering tot schadevergoeding (onder 3 van het petitum). De rechtbank wijst erop dat eventuele resterende onduidelijkheid in he[eisers] vorderen uiteraard voor hun risico komt.

2.22. Ten slotte merkt de rechtbank nog het volgende op. De vraag rijst of niet een andersoortige oplossing van het onderhavige geschil mogelijk is, dus los van de vraag welke juridische aanspraken (civielrechtelijk en bestuursrechte[eisers] nu precies zouden kunnen doen gelden. Die vraag komt op omdat de gemeente zich van aanvang af het onderhavige probleem heeft aangetrokken. Waar mogelijk strikt juridisch niet van (verstrekkende) aanspraken gesproken kan worden, kan wellicht wel op andere wijze een bevredigende oplossing voor het probleem gevonden worden. De rechtbank wil hierover met partijen ter comparitie van gedachten wisselen, zodat wellicht een minnelijke oplossing van het geschil bereikt kan worden. De rechtbank nodigt partijen uit zich op mogelijke andere oplossingen te beraden. Daarbij d[eisers] zich te realiseren dat hun eventuele nadeel als gevolg van de omstandigheid dat zij, anders dan zij op basis van de met de projectontwikkelaar gesloten koopovereenkomst mochten verwachten (5.12 van het tussenvonnis), geen parkeervakken in eigendom geleverd hebben gekregen, niet voor rekening van de gemeente gebracht kan worden.

2.23. Als een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank

- sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de komende vier maanden.

2.24. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank

beveelt part[eisers] in persoon en de gemeente vertegenwoordigd door een deugdelijk gevolmachtigde functionaris die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden, te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Th. Veling, op maandag 23 januari 2012 van 11.00 tot 13.00 uur ter zake de in 2.12-2.22 bedoelde onderwerpen;

beveelt dat partijen eventuele aanvullende stukken uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij zullen toezenden.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.(

1980/1694