Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9113

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/1850 WWB-T1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam om eisers WWB-uitkering met ingang van 1 oktober 2010 te verlagen gedurende drie maanden met 100%, omdat eiser niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het traject is verwijtbaar vroegtijdig beëindigd.

De rechtbank is van oordeel dat eisers gedrag heeft geleid tot beëindiging van het traject dat hem volledig te verwijten is. Van een situatie waarin vanwege het ontbreken van alle verwijtbaarheid moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel dan wel vanwege een beperkte mate van verwijtbaarheid de vastgestelde verlaging moet worden gematigd, is derhalve geen sprake.

Aangezien eisers beroepsgronden aangaande de omvang en duur van de maatregel zich beperken tot de mate van zijn verwijtbaarheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 2011, LJN: BP6843.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/1850 WWB-T1

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [Y], eiser,

gemachtigde mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2010 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 26 april 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van Gent.

2 Overwegingen

Eiser ontvangt sinds 17 juli 2004 een uikering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Op 28 oktober 2009 heeft in opdracht van verweerder een medisch en arbeidsdeskundig belastbaarheidsonderzoek plaatsgevonden door A-REA, waarbij eisers beperkingen zijn vastgesteld. Eiser is vervolgens aangemeld bij BGS Arbeidsintegratie voor het volgen van de training CZM van ‘First Train’ (hierna: het traject). Het traject is op 30 maart 2010 gestart, waarbij aan eiser het verzuimreglement BGS en de huisregels BGS zijn uitgereikt.

Voor het traject heeft eiser zich op 29 april 2010 en 3 mei 2010 ziek gemeld. Beide keren is eiser na bezoek door de bedrijfsarts per direct beter verklaard. Op 19 mei 2010 is eiser zonder bericht niet verschenen, waarna aan hem een waarschuwingsbrief is gestuurd.

Op 21 juni 2010 is eiser niet verschenen en heeft zich pas later op de dag telefonisch ziek gemeld. Na bezoek door de bedrijfsarts is eiser per 22 juni 2010 beter verklaard. Eiser is op 22 en 23 juni 2010 evenmin verschenen, waarbij hij telefonisch niet bereikbaar was. Op 23 juni 2010 is de bedrijfsarts op huisbezoek geweest, maar eiser was niet thuis. Hierop is wederom een waarschuwingsbrief aan eiser verstuurd. Op 25 juni 2010 was eiser niet aanwezig tijdens een huisbezoek op twee verschillende tijdstippen, waarna hij is uitgenodigd voor een gesprek op 29 juni 2010. Bij dit gesprek heeft eiser zijn gezondheidsklachten besproken. Eisers verzoek om een nieuwe keuring is afgewezen, omdat het A-REA advies van 1 november 2010 nog geldig was. Hierbij is gemeld dat eisers klachten door de bedrijfsarts zijn beoordeeld en dat hierin geen reden voor ziekmelding is gezien. Eiser is een laatste kans geboden om zich te melden op 5 juli 2010. Tevens is aan eiser meegedeeld dat als hij zich ziek bleef melden het traject bij BGS beëindigd zou worden en dat dit consequenties zou hebben voor zijn uitkering. Op 5 juli 2010 is eiser zonder bericht niet verschenen, waarna het traject per 5 juli 2010 is beëindigd.

Bij brief van 25 augustus 2010 heeft verweerder eiser het voornemen tot het opleggen van een maatregel medegedeeld. Naar aanleiding van eisers reactie heeft A-REA in opdracht van verweerder op 17 september 2010 een aanvullend (arbeids)psychologisch belastbaarheidsonderzoek verricht.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers WWB-uitkering met ingang van 1 oktober 2010 verlaagd gedurende drie maanden met 100%, omdat eiser niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het traject is verwijtbaar vroegtijdig beëindigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met overneming van het advies van zijn Bezwaarschriftencommissie van 28 maart 2011, zijn primaire besluit gehandhaafd.

In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat hij ongeschikt is om deel te nemen aan een voorziening in verband met lichamelijke en (vooral) psychische klachten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser een doorverwijzing van zijn huisarts naar een psychiater/de Riagg van 5 augustus 2010 overgelegd. Ter zitting heeft eisers gemachtigde gesteld dat bij het traject geen rekening is gehouden met eisers beperkingen en dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eisers psychische klachten bij het bepalen van de hoogte van de maatregel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiend uit deze wet, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De raad van de gemeente Schiedam heeft bij besluit van 17 december 2009 de Maatregelen-verordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren vastgesteld, waarin regels zijn gegeven voor het verlagen van de bijstand. De verordening is in werking getreden op

1 januari 2010 (hierna: de Maatregelenverordening).

In artikel 2, eerste lid, van de Maatregelenverordening is bepaald dat als de belanghebbende de verplichtingen, voorvloeiende uit de WWB of de WIJ niet of onvoldoende nakomt overeenkomstig deze verordening een maatregel wordt opgelegd. In het tweede lid is bepaald dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

In artikel 5, eerste lid, van de Maatregelenverordening is onder andere bepaald dat het college afziet van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of indien er sprake is van dringende redenen.

In artikel 8 van de Maatregelenverordening is bepaald dat het niet of onvoldoende gebruik-maken van een door het college aangeboden voorziening, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening, een gedraging betreft van de vierde categorie.

Aan een gedraging van de vierde categorie is volgens artikel 9, vierde lid, van de Maatregelenverordening een maatregel van 100% voor de duur van drie maanden gekoppeld.

Gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, ligt in dit geding uitsluitend de vraag voor of de gezondheidstoestand van eiser ten tijde hier in geding zodanig was dat het vroegtijdig beëindigen van het traject hem in het geheel niet te verwijten is, waardoor verweerder had moeten afzien van het opleggen van een maatregel, dan wel dat het verzuim hem slechts in beperkte mate te verwijten valt, zodat verweerder aanleiding had moeten zien de vastgestelde verlaging te matigen.

Uit de rapportage van 1 november 2009 van het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek van A-REA volgt dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, belastbaar is voor arbeid of deelname aan op re-integratie gerichte activiteiten voor 6 uren per dag en voor 30 uren per week. Bij het nadere (arbeids)psychologische belastbaarheidonderzoek van

17 september 2010 is geconcludeerd dat eiser geen psychische stoornis heeft en psychisch belastbaar is met arbeid en op re-integratie gerichte activiteiten. Vanwege eisers beleving van zijn draagkracht wordt een hoge werkdruk en stress afgeraden. Nu op dit punt in de rapportage van 1 november 2009 eveneens beperkingen zijn gesteld, doet dit nadere onderzoek niet af aan de juistheid van de conclusies van het eerste onderzoek.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de onderzoeken als onzorgvuldig aan te merken en de conclusies daarvan voor onjuist te houden. Daargelaten dat de door eiser overgelegde doorverwijzing naar de Riagg dateert van na de periode waarin hij in verzuim is geweest, blijkt uit die informatie niet dat eiser in de periode in geding medisch geobjectiveerde psychische en/of lichamelijke beperkingen had die zijn verzuim zouden rechtvaardigen. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat bij de aanmelding naar het traject bij First Train rekening is gehouden met de bij eiser vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft geen reden deze stelling van verweerder voor onjuist te houden. Eiser heeft niet aangegeven welke concrete activiteiten van hem werden verlangd die hij vanwege de geconstateerde beperkingen niet kon uitvoeren. De enkele aanwezigheid van collega’s op de werkvloer maakt niet dat er onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiser op het gebied van samenwerken.

Nu eiser voorts meermalen is gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet of onvoldoende medewerking verlenen aan het traject, is de rechtbank van oordeel dat eisers gedrag dat heeft geleid tot beëindiging van het traject hem volledig te verwijten is. Van een situatie waarin vanwege het ontbreken van alle verwijtbaarheid moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel dan wel vanwege een beperkte mate van verwijtbaarheid de vastgestelde verlaging moet worden gematigd, is derhalve geen sprake.

Aangezien eisers beroepsgronden aangaande de omvang en duur van de maatregel zich beperken tot de mate van zijn verwijtbaarheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 2011, LJN: BP6843.

Gelet op het voorgaande dient eisers beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, en mr. M. Schoneveld en mr. J. Bergen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 22 december 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: