Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU9028

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/241 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door middel van op 16 juni 2008 en 18 juli 2008 gedateerde aanvraagformulieren zijn ten behoeve van gekwalificeerde deelneming in eiseres verklaringen van geen bezwaar aangevraagd door negen aanvragers. DNB heeft verklaringen van geen bezwaar verleend aan de aanvragers. Het besluit van 18 februari 2009, waarbij de heffingen voor de kosten die samenhangen met de negen aanvragen om verklaringen van geen bezwaar zijn vastgesteld op negen maal € 1.000,-, is gericht tot eiseres. Uit de tekst van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbft volgt dat DNB eenmalig een bedrag in rekening brengt aan de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de factuur, dan wel de facturen, gericht moet(en) zijn tot de negen aanvragers van de verklaringen van geen bezwaar (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2011, LJN BR4191). De rechtbank stelt vast dat het besluit van 18 februari 2009 ten onrechte is gericht tot eiseres in plaats van tot de aanvragers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2012/22
JONDR 2012/491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/241 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A B] & Partners Vermogensbeheer B.V., gevestigd te [C], eiseres,

gemachtigden mr. [A] en [B], bestuurders van eiseres,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (hierna: DNB),

gemachtigde mr. P.L. Reeser Cuperus, advocaat te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft DNB aan eiseres heffingen wegens eenmalige individuele toezichthandelingen opgelegd uit hoofde van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Deze heffingen zijn vastgesteld op in totaal € 9.000,-.

Bij besluit van 6 januari 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Roemer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.L. Cuperus, die werd vergezeld door [D], medewerkster van DNB.

2 Overwegingen

2.1 In artikel 1:40, eerste lid, van de Wft is bepaald dat de toezichthouder de kosten van de werkzaamheden die hij verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet in rekening brengt bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die werkzaamheden worden verricht, voorzover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.

Ingevolge het zesde lid worden bij ministeriële regeling de tarieven vastgesteld op basis waarvan de kosten, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden doorberekend.

Ingevolge artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wft is het verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat een bovengrens als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, wordt bereikt of overschreden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een beleggings¬onderneming met zetel in Nederland.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het op artikel 1:40, vijfde lid, van de Wft gebaseerde Besluit bekostiging financieel toezicht (hierna: Bbft) brengt de toezichthouder eenmalig een bedrag in rekening aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening of wijziging van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van de Wft.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder d, van de op artikel 1:40, zesde lid, van de Wft gebaseerde Regeling van de Minister van Financiën tot vaststelling voor 2008 van de bedragen voor eenmalige toezichthandelingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Bbft (Stcrt. 2008, nr. 11, pag. 8) wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Bbft vastgesteld op € 1.000,- voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, van de wet.

2.2 Door middel van op 16 juni 2008 en 18 juli 2008 gedateerde aanvraagformulieren zijn ten behoeve van gekwalificeerde deelneming in eiseres verklaringen van geen bezwaar aangevraagd door [E], [F], [B], [A], [G] B.V., [H] BV, [A] BV, [I] BV en [J] BV (hierna: de aanvragers). In deze formulieren zijn bij ‘Gegevens van de persoon aan wie de factuur in het kader van de behandeling van deze aanvraag kan worden gezonden’ bij ‘Naam contactpersoon’ [B] en [A] vermeld en bij ‘Naam rechtspersoon’ de naam van eiseres met als postadres het adres van eiseres.

Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft DNB verklaringen van geen bezwaar verleend aan de aanvragers.

Het besluit van 18 februari 2009, waarbij de heffingen voor de kosten die samenhangen met de negen aanvragen om verklaringen van geen bezwaar zijn vastgesteld op negen maal € 1.000,-, is gericht tot eiseres, ten aanzien van dhr. [B].

2.3 Uit de tekst van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbft volgt dat DNB eenmalig een bedrag in rekening brengt aan de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de factuur, dan wel de facturen, gericht moet(en) zijn tot de negen aanvragers van de verklaringen van geen bezwaar (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2011, LJN BR4191). De rechtbank stelt vast dat het besluit van 18 februari 2009 ten onrechte is gericht tot eiseres in plaats van tot de aanvragers. Dat er gebruik is gemaakt van een in het aanvraagformulier vermelde contactpersoon dan wel rechtspersoon aan wie de factuur in het kader van de behandeling van de aanvraag kan worden gezonden neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de aanvragers, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving, zelf gefactureerd dienen te worden, al dan niet via de in dit formulier vermelde gegevens.

Hieruit volgt dat het besluit van 18 februari 2009 ten onrechte is gehandhaafd bij het bestreden besluit en dat dit besluit in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving is genomen.

2.3.1 Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om op de voet van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2009 gegrond te verklaren en het besluit van 18 februari 2009 te herroepen.

2.4 Ter zitting is door eiseres gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat zij daarom aanspraak maakt op schadevergoeding.

2.4.1 Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Voor de beantwoording van deze vraag zijn factoren van betekenis als de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de belanghebbende.

2.4.2 Naar het oordeel van de rechtbank is in zaken als de onderhavige, de redelijke termijn in beginsel niet overschreden indien de totale procedure niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Uitgangspunt hierbij is dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep eveneens ten hoogste één jaar mag duren, waarbij een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling (vergelijk de uitspraken van de Hoge Raad van 10 juni 2011, LJN BO5087 en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleden van 3 maart 2009, LJN BH2681). Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

2.4.3 Sinds de ontvangst op 24 februari 2009 van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 18 februari 2009 tot aan deze uitspraak is meer dan twee en een half jaar verstreken. Daarbij is de maximale behandelingsduur in bezwaar met het besluit op bezwaar van 6 januari 2011 met bijna een jaar overschreden. De behandeling bij de rechtbank heeft vervolgens tien maanden geduurd. Hoewel eiseres niet heeft aangedrongen op een voortvarende behandeling, wordt de lange behandelingsduur in beroep in deze zaak niet gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de zaak of het processuele gedrag van eiseres. Het bij de rechtbank bestreden besluit is voorts voor eiseres belastend nu de heffing tot haar was gericht. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van de immateriële schade worden verondersteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de behandeling van het bezwaar te lang heeft geduurd en dat de redelijke termijn is geschonden. Deze schending dient aan verweerder toegerekend te worden.

Dit leidt tot een door DNB aan eiseres te betalen schadevergoeding van twee maal € 500,-.

2.5 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit,

verklaart het bezwaar gegrond en herroept het besluit van 18 februari 2009,

veroordeelt DNB om aan eiseres als schadevergoeding een bedrag van € 1.000,- te betalen,

bepaalt dat DNB aan eiser het betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. D. Haan, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 1 december 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en DNB kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: