Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU8302

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
381920 / HA RK 11-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over aansprakelijkheid van scheepswerf voor ongeval tijdens evacuatieoefening op schip. Onrechtmatig gevaarzettend handelen dat tot letsel heeft geleid. Vergelijking met sport- en spelsituatie en belangeloos hulpbetoon gaat mank.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/39
S&S 2012/49
Prg. 2012/144 met annotatie van P. Abas
JA 2012/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 381920 / HA RK 11-152

Beschikking van 14 december 2011

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te Krimpen aan den IJssel,

verzoekster,

advocaat mr. H. Solstad,

tegen

de naamloze vennootschap VAN DER GIESSEN-DE NOORD N.V.,

gevestigd te Schiedam,

verweerster,

advocaat mr. H.S. Snijders.

Partijen blijven hierna aangeduid als [verzoekster] respectievelijk Van der Giessen-De Noord.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van 19 oktober 2011 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- het verweerschrift van Van der Giessen-De Noord, met één bijlage.

De behandeling van het verzoekschrift vond in eerste instantie plaats op 5 oktober 2011. Omdat Van der Giessen-De Noord niet op deze zitting is verschenen, is de zitting aangehouden en voortgezet op 30 november 2011. Daarbij waren beide partijen (vertegenwoordigd) aanwezig.

2. De vaststaande feiten

2.1 Van der Giessen-De Noord heeft (in haar toenmalige hoedanigheid van scheepswerf) op 23 oktober 2002 een evacuatieoefening gehouden op een door haar gebouwd schip genaamd de Mont St. Michel. Van der Giessen-De Noord heeft middels een op 21 oktober 2002 verspreide flyer inwoners van Krimpen aan den IJssel uitgenodigd om aan deze evacuatieoefening mee te werken. Deze flyer luidt - onder meer - als volgt:

“Met spoed gevraagd:

Kandidaten t.b.v. evacuatieoefening Veerboot 23-Oktober.

Voor de oplevering van de “Mont st. Michel”, een 175 meter lange Veerboot gebouwd door Scheepswerf Van der Giessen-de Noord, zal op 23 Oktober aanstaande een evacuatieoefening uitgevoerd worden.

Het gaat hierbij om een oefening waarbij men vanaf het sloependek middels een glijbaan naar beneden glijdt in een groot opblaasbaar reddingvlot.

Van der Giessen-de Noord NV is voor deze oefening nog op zoek naar kandidaten in de leeftijd van 18-45 jaar die hieraan willen meewerken.

Vergoeding: € 50.”

2.2 [verzoekster] heeft (samen met haar echtgenoot) deelgenomen aan de evacuatieoefening. Behalve de onder 2.1 genoemde flyer heeft [verzoekster] van Van der Giessen-De Noord een uitleg over de evacuatie ontvangen, waarin onder meer het dagprogramma en de veiligheidsvoorschriften waren opengenomen. In dit stuk is - onder meer - het volgende bepaald:

“GN Veiligheidsvoorschriften

- Deelnemende kandidaten hebben zich officieel aangemeld en zijn geregistreerd op de dag zelf

- Kandidaten doen vrijwillig mee en hebben het recht om op elk moment af te zien van deelname.

- Kandidaten zullen zich nimmer onbegeleid op het GN terrein en schepen bevinden en dienen binnen de door het GN-personeel aangegeven ruimten te blijven.

- De evacuatie oefeningen worden tevens begeleid door “Brittany Ferries”- personeel te herkennen aan groene overalls/jacks met “BF” opdruk.

- Instructies en procedues van het GN- en “Brittany Ferries”-personeel dienen te allen tijde opgevolgd te worden.

- Kandidaten wordt de mogelijkheid geboden om waardevolle en kwetsbare bezittingen (zoals brillen/mobiele telefoon) af te geven, hiervoor is inmiddels een envelop verstrekt die na afloop van de oefening geretourneerd wordt. GN aanvaardt geen aansprakelijkheid voor niet-afgegeven bezittingen.

De kandidaten hebben de bovenomschreven veiligheidsvoorschriften gelezen en aanvaard. GN (Van der Giessen-De Noord; opmerking rechtbank) kan niet aansprakelijk worden gehouden voor enigerlei materiële en/of immateriële schade ten gevolge van het niet- of onvoldoende opvolgen door de kandidaten van de GN-veiligheidsvoorschriften.”

2.3 Bij brief van 5 januari 2005 heeft [verzoekster] Van der Giessen-De Noord aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van een verwonding aan haar enkel, ontstaan tijdens de evacuatieoefening.

2.4 Van der Giessen-De Noord heeft een bedrag van € 413,70 aan vervoerkosten en een aantal rekeningen van de zorgverzekeraar van [verzoekster], Trias Zorgverzekeraar, vergoed. Zij heeft geen aansprakelijkheid erkend.

3. Het geschil

3.1 [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht te beslissen dat Van der Giessen-De Noord aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het haar op 23 oktober 2002 overkomen ongeval, onder begroting van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv en veroordeling van Van der Giessen-De Noord tot betaling van deze kosten aan [verzoekster].

Ter zitting heeft [verzoekster] haar verzoek uitgebreid aldus dat zij de rechtbank voorts verzoekt Van der Giessen-De Noord te gebieden bekend te maken bij welke (evenementen)verzekeraar, op welke datum en onder welk kenmerk het ongeval in 2002 is gemeld.

3.2 [verzoekster] heeft aan haar verzoek, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten, het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekster] heeft tijdens de evacuatieoefening op 23 oktober 2002 bij het naar beneden glijden van een hoogte, vergelijkbaar met circa acht verdiepingen, van een glijbaan in een groot opblaasbaar reddingsvlot haar linkerenkel verwond. [verzoekster] heeft hierbij een trimalleoliare enkelluxatiefractuur opgelopen. Van der Giessen-De Noord is aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval, die zich - nog steeds - uiten in klachten en beperkingen. Van der Giessen-De Noord heeft de oefening niet zodanig zorgvuldig georganiseerd dat letsel als aan [verzoekster] toegebracht voorkomen kon worden. Voorts heeft Van der Giessen-De Noord [verzoekster] niet geïnformeerd over de risico’s van deelname aan de evacuatieoefening. Van der Giessen-De Noord heeft dan ook onzorgvuldig gehandeld jegens [verzoekster], met enkelletsel als gevolg. De schade die [verzoekster] door het ongeval heeft geleden bestaat onder meer uit medische kosten, kosten voor huishoudelijke hulp en verlies van arbeidsvermogen.

[verzoekster] heeft er belang bij te weten bij welke (aansprakelijkheids)verzekeraar Van der Giessen-De Noord het ongeval heeft gemeld vanwege het mogelijke rechtstreekse vorderingsrecht van [verzoekster] op deze verzekeraar.

3.3 Het verweer van Van der Giessen-De Noord strekt tot afwijzing van het verzoek, onder verklaring voor recht dat Van der Giessen-De Noord niet aansprakelijk is voor het door [verzoekster] opgelopen letsel en de in dat verband door haar geleden schade, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.4 Van der Giessen-De Noord heeft - verkort weergegeven - het volgende verweer gevoerd. De stelling van [verzoekster] is kennelijk dat Van der Giessen-De Noord iets heeft gedaan of nagelaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk zou zijn. Daarvan is geen sprake. Van der Giessen-De Noord heeft voldoende zorg betracht bij het organiseren en uitvoeren van de evacuatieoefening. Aan de criteria van het Kelderluik-arrest, op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat gevaarzettend is gehandeld, is niet voldaan. De situatie waarin het ongeval is ontstaan moet gelijk gesteld worden met een sport-en-spel-situatie, waarin de deelnemers vrijwillig en willens en wetens meer risico’s accepteren dan in het normale maatschappelijk verkeer. Ook kan de situatie vergeleken worden met die van het belangeloos hulpbetoon. In ieder geval was sprake van een afwijkende omgeving waarin andere ongeschreven regels en normen gelden dan in het normale maatschappelijk verkeer en waarin andere risico’s worden gelopen. [verzoekster] heeft deze risico’s vrijwillig voor lief genomen. Aansprakelijkheid is in een dergelijke situatie niet aan de orde.

4. De beoordeling

4.1 [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure in letsel- en overlijdensschadezaken opgenomen.

4.2 In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.3 Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Met andere woorden: de rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.4 Een verzoek als het onderhavige, dat er toe strekt dat aansprakelijkheid wordt vastgesteld, leent zich voor behandeling in het kader van een deelgeschillenprocedure. Dat er tussen partijen na de vaststelling van aansprakelijkheid nog andere geschilpunten zijn en dat de beslechting van dit deelgeschil niet meebrengt dat direct een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten, is niet relevant. Aannemelijk is immers dat de beslechting van dit deelgeschil de weg kan openen voor verdere onderhandelingen die uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst kunnen leiden. De rechtbank zal het verzoek dan ook inhoudelijk behandelen.

4.5 Aangezien Van der Giessen-De Noord dat ter zitting niet langer heeft betwist, staat in rechte vast dat [verzoekster] bij het uitvoeren van de evacuatieoefening letsel heeft opgelopen aan haar linkerenkel. [verzoekster] heeft dat letsel opgelopen bij het landen in de reddingsboot, nadat zij het schip per glijbaan had verlaten. Van der Giessen-De Noord heeft bevestigd dat [verzoekster] van het terrein is afgevoerd met een ambulance, op kosten van Van der Giessen-De Noord. Evenmin betwist is dat de linkerenkel van [verzoekster] is gebroken, hetgeen een trimalleoliare enkelluxatiefractuur bleek te zijn.

Ter voorkoming van misverstand wordt het volgende opgemerkt. Dat in rechte vast staat dat [verzoekster] genoemd letsel heeft opgelopen bij de uitvoering van de evacuatieoefening, betekent niet dat ook vast staat dat [verzoekster] daardoor, voor vergoeding door Van der Giessen-De Noord in aanmerking komende, schade heeft geleden en/of nog lijdt, laat staan om welk bedrag het dan zou gaan. De vraag of het letsel blijvend is en tot schade heeft geleden is in dit deelgeschil niet aan de orde. In dit deelgeschil is uitsluitend de aansprakelijkheid voor het tot het letsel leidende ongeval aan de orde.

4.6 De vraag die aldus beantwoord moet worden is of Van der Giessen-De Noord aansprakelijk is voor het [verzoekster] op 23 oktober 2002 overkomen letsel aan haar linkerenkel. Naar het oordeel van de rechtbank is Van der Giessen-De Noord aansprakelijk voor de gevolgen van het bedoelde ongeval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.6.1 Op grond van artikel 6:162 BW levert (onder meer) een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt een onrechtmatige daad op. Tot deze categorie van de onrechtmatige daad behoort het gevaarzettend handelen, dat onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn.

Aannemelijk is dat Van der Giessen-De Noord met de evacuatieoefening een situatie in het leven heeft geroepen die gevaren teweeg bracht. Het onderdeel van de evacuatieoefening waarbij het letsel is ontstaan, bestond uit het verlaten van het schip via een opblaasbare glijbaan, om op die wijze van grote hoogte - de achtste etage - van het schip te belanden in een reddingsboot op waterniveau. Dat is een activiteit die vanwege haar aard gevaren meebrengt. Of het gevaarzettend handelen van Van der Giessen-De Noord hier jegens [verzoekster] onrechtmatig is, moet worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria (zogenaamde Kelderluik-criteria):

1. de mate van voorzienbaarheid dat derden niet voldoende zorgvuldig zijn;

2. de mate van waarschijnlijkheid dat er zich ongevallen voordoen;

3. de ernst van de gevolgen indien zich een ongeval voordoet;

4. de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen maatregelen ter opheffing van het gevaar.

Wanneer de rechtbank deze criteria hier toepast, constateert zij als volgt.

ad 1. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij een oefening als de onderhavige verwacht worden dat deelnemers niet steeds de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zullen nemen. Het gaat hier om een activiteit, het glijden van een glijbaan in een reddingsboot, die normaal niet wordt verricht en waarmee de deelnemers aan de evacuatieoefening in de regel en, ten aanzien van [verzoekster], in dit geval geen ervaring hebben. Deze onervarenheid kan ertoe leiden dat deelnemers niet voldoende voorzichtig zijn. Daarbij speelt mee dat een groot aantal, circa 200, mensen aan de oefening meededen, waardoor de kans dat één of meer deelnemers onvoorzichtig zou(den) zijn, toenam. Overigens acht de rechtbank daarbij niet van belang dat de totale capaciteit van het schip veel groter was, zij het dat evident is dat de test met méér deelnemers nog riskanter geweest zou zijn. De omstandigheid dat gevraagd is om deelnemers boven de 18 jaar doet daaraan niet af. Een dergelijke test met kinderen zou in elk geval onverantwoord riskant zijn.

ad 2. Het letsel als opgetreden bij [verzoekster] viel in hoge mate te verwachten bij het uitvoeren van een activiteit als hier aan de orde. [verzoekster] is over een glijbaan van tientallen meters lang naar beneden gegleden in een reddingsboot. Wanneer over een relatief lange afstand via een glijbaan naar beneden wordt gegleden, valt te verwachten dat de voeten en de enkels, die het eerste beneden zijn, bij het landen in de reddingsboot een zekere klap krijgen. Letsel aan de enkels is daarbij waarschijnlijk.

ad 3. De ernst van de gevolgen zijn hier niet onaanzienlijk. Het gaat in ieder geval niet om louter zaakschade of financieel nadeel, maar om letselschade die naar zijn aard zwaar weegt en in voorkomend geval blijvend letsel kan inhouden.

ad 4. Aannemelijk is dat er redelijkerwijs maatregelen genomen hadden kunnen om letsel als opgetreden bij [verzoekster] te voorkomen. Volgens [verzoekster] is het letsel (mede) ontstaan door het bewegen van de reddingsboot waarin zij belandde en/of een uitstekende rand. Tegen het bewegen van de reddingsboot ten opzichte van het schip en het uitsteken van een rand had Van der Giessen-De Noord in beginsel in redelijkheid iets moeten en kunnen doen. Van der Giessen-De Noord heeft niet gesteld dat dat niet mogelijk was. Gesteld noch gebleken is dat Van der Giessen-De Noord iets heeft gedaan tegen het bewegen van de reddingsboot. Over de precieze plaats van randen is van beide kanten niets concreets gesteld. In elk geval had Van der Giessen-De Noord concrete waarschuwingen en precieze instructies (al dan niet vergezeld van een demonstratie) kunnen geven. Van der Giessen-De Noord is zeer vaag geweest op dit punt. Aangenomen moet worden dat is volstaan met de onder 2.2 genoemde schriftelijke instructies en het inzamelen van kostbaarheden etcetera en het aanraden van sportieve kleding (welke maatregelen niet strekken ter voorkoming van letselschade). Overigens heeft Van der Giessen-Noord onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke maatregelen zij heeft getroffen om de veiligheid van de deelnemers aan de evacuatieoefening te waarborgen. Het had op de weg van Van der Giessen-De Noord gelegen om onderbouwd en concreet aan te geven wat zij in dat kader heeft gedaan. Zo had van Van der Giessen-De Noord verwacht mogen worden dat zij onder meer had aangegeven wat de (mondelinge) instructies waren aan de deelnemers van de evacuatieoefening, op welke wijze en door wie deze instructies zijn gegeven, of (ook) instructies zijn gegeven over de wijze waarop van de glijbaan in de reddingsboot diende te worden gegleden en wat exact de rol was van de begeleiders van de evacuatieoefening. Van der Giessen-De Noord heeft hierover onvoldoende concrete stellingen naar voren gebracht. De stelling van Van der Giessen-De Noord is dat zij hiertoe niet in staat is omdat zij in feite niet meer aan het verkeer deelneemt (maar haar liquidatie voorbereidt) en de documentatie over de evacuatieoefening zich bevindt in een container waaraan waterschade is opgetreden rechtvaardigt dat niet. Nog daargelaten dat dit een omstandigheid is die voor risico van Van der Giessen-De Noord komt, Van der Giessen-De Noord moet als (voormalige) scheepswerf in staat worden geacht om in ieder geval in het algemeen duidelijk te maken op welke wijze zij in de regel vorm gaf aan evacuatieoefeningen als de onderhavige, die plaatsvonden met als doel het verkrijgen van een certificaat voor een nieuw schip en dus meer dan eens voorgekomen zullen zijn. Ook dat heeft Van der Giessen-De Noord onvoldoende gedaan. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank er vanuit dat Van der Giessen-De Noord hier (nadere) voorzorgsmaatregelen had kunnen treffen die letsel als dat door [verzoekster] geleden hadden kunnen voorkomen, die voor haar niet bijzonder bezwarend waren en die zij niet getroffen heeft.

Onder deze omstandigheden is het gevaarzettend handelen van Van der Giessen-De Noord naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens [verzoekster].

4.6.2 Anders dan Van der Giessen-De Noord heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier zwaardere eisen voor het aannemen van aansprakelijkheid toe te passen zoals dat wel gebeurt in sport- en spelsituaties. In dergelijke situaties wordt aansprakelijkheid minder snel aangenomen omdat de deelnemers aan een sport of spel tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar hebben te verwachten. De deelnemers van de sport of het spel worden geacht zich van deze mogelijkheid tot gevaarlijke situaties tevoren rekenschap te hebben gegeven. De onderhavige situatie laat zich niet vergelijken met de omstandigheden waarvan bij sport- en speldeelname sprake is. Immers, de evacuatieoefening had voor Van der Giessen-De Noord een zuiver commercieel doel: het schip diende gekeurd te worden alvorens het mocht uitvaren. Vanuit de noodzaak om voor het schip een certificaat te krijgen, heeft Van der Giessen-De Noord tegen betaling deelnemers geworven voor de evacuatieoefening. Ook het doel van [verzoekster] was commercieel: zij zou € 50,- verdienen. De vergelijking met ongevallen in een speeltuin gaat vanwege het genoemde commerciële doel en belang van Van der Giesen-De Noord en het ontbreken van een vermaaksdoel bij [verzoekster] eveneens mank.

4.6.3 Van der Giessen-De Noord heeft tot slot aangevoerd dat een parallel moet worden getrokken met de jurisprudentie ten aanzien van belangeloos hulpbetoon. Uit deze jurisprudentie volgt dat er onder omstandigheden plaats kan zijn om minder snel aansprakelijkheid aan te nemen indien schade ontstaat in het kader van een vorm van dienstverlening buiten een contractuele verhouding en zonder tegenprestatie.

De achtergrond daarvan is dat schade als gevolg van een goedbedoelde vriendendienst niet te gemakkelijk tot onrechtmatigheid aan de zijde van de schadeveroorzakende partij mag leiden. In dit geval is geen sprake van belangeloos hulpbetoon in de vorenbedoelde zin. Van der Giessen-De Noord heeft de deelnemers een vergoeding geboden, zodat sprake was van een tegenprestatie en deels een, zij het beperkte, contractuele verhouding. Dat het om een relatief kleine vergoeding van € 50,- gaat is daarbij niet van belang. Aangenomen moet worden dat deze financiële vergoeding voor de deelnemers de drijfveer was om mee te doen aan de evacuatieoefening. Dat daarbij de mogelijkheid om deel te nemen aan een niet alledaagse activiteit op een schip waartoe men normaliter geen toegang heeft heeft meegewogen is ten aanzien van [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt en ook overigens niet van belang. Niet in te zien valt dat de deelnemers handelden uit welwillendheid of genegenheid voor en in het belang van Van der Giessen-De Noord.

4.6.4 Voor zover Van der Giessen-De Noord zich heeft verweerd met de stelling dat er weinig details over het ontstaan van het letsel bekend zijn en dat het verzoek om die reden niet toewijsbaar is, miskent zij de systematiek van het (proces)recht op dit punt. [verzoekster] heeft voldoende gesteld; het was aan Van der Giessen-De Noord om die stellingen gemotiveerd te betwisten.

4.6.5 De conclusie van het voorgaande is dan ook dat het verzoek van [verzoekster] voor zover dit strekt tot een verklaring voor recht dat Van der Giessen-De Noord voor de gevolgen van het ongeval op 23 oktober 2002 aansprakelijk is, voor toewijzing vatbaar is. Het verzoek zal in zoverre dan ook worden toegewezen.

4.7 [verzoekster] heeft voorts verzocht om bekendmaking door Van der Giessen-De Noord van de gegevens van de verzekeraar bij wie het ongeval toentertijd is gemeld. Op zichzelf is aannemelijk dat [verzoekster] bij de verstrekking van deze gegevens belang heeft vanwege een mogelijk direct vorderingsrecht. Ter zitting heeft Van der Giessen-De Noord aangegeven niet over de betreffende informatie te beschikken, doch te zullen trachten deze te achterhalen via haar verzekeringsmakelaar. In overleg met partijen zal de rechtbank dit onderdeel van het verzoek gedurende acht weken aanhouden, teneinde Van der Giessen-De Noord in staat te stellen met de verzekeringsmakelaar in contact te treden om de bedoelde informatie boven tafel te krijgen.

4.8 Van der Giessen-De Noord heeft aangevoerd dat zij feitelijk geen activiteiten meer ontplooit en (bijna) in staat van liquidatie verkeert. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat zij overleg zullen voeren over de mogelijkheid om de (mogelijke) vordering van [verzoekster] over te dragen aan een andere Nederlandse vennootschap van het Van der Giessen-concern die nog wel actief is. Op deze wijze kan voorkomen worden dat de liquidatie van Van der Giessen-De Noord open moet worden gehouden vanwege de (mogelijke) vordering van [verzoekster]. Dat is echter voor de thans te nemen beslissing niet van belang.

4.9 [verzoekster] heeft veroordeling van Van der Giessen-De Noord in de door haar gemaakte juridische kosten gevorderd. Volgens de opgave van [verzoekster] (productie 14) zijn tot aan de eerste zitting op 5 oktober 2011 9,95 uren à € 235,- exclusief BTW aan de zaak besteed. Ter zitting heeft [verzoekster] aangevoerd dat hierbij nog 1 uur voor de behandeling ter zitting van 5 oktober 2011, 2 uren ter lezing van het verweerschrift en 2,5 uren voor de voortgezette zitting, derhalve in totaal 5,5 uren dienen te worden opgeteld. Van der Giessen-De Noord heeft dit onderdeel van de vordering van [verzoekster] niet betwist, zij acht het uurtarief en het aantal uren redelijk. De rechtbank zal de juridische kosten dan ook begroten op 15,45 uren (9,95 plus 5,5) à 230,- exclusief BTW, neerkomend op € 3.553,50. Vermeerderd met 19% BTW is dat € 4.228,66. Rekening houdend met het bij [verzoekster] in rekening gebrachte griffierecht ad € 71,- , zal derhalve een bedrag worden toegewezen van in € 4.486,66.

5. De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat Van der Giessen-De Noord aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] lijdt als gevolg van het ongeval op 23 oktober 2002;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.486,66 en veroordeelt Van der Giessen-De Noord tot betaling aan [verzoekster] van deze kosten;

houdt het verzoek strekkende tot het verschaffen door Van der Giessen-De Noord van informatie aan [verzoekster] over de melding van het ongeval bij de verzekeraar gedurende acht weken aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.?

1861/106