Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU7978

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
1131989
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak inzake een geschil over de overgang van leaseverhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiseres],

hierna te noemen: [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2010,

gemachtigde: mr. G.J. Schras,

tegen

[gedaagde],

hierna te noemen: [gedaagde],

gevestigd te Nieuwerkerk aan de IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.A. Jaarsma.

1. Het verdere verloop van de procedure

Op 3 december 2010 is een tussenvonnis gewezen waarbij [eiseres] is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan [A-Rent] door de eigenaren van de in het geding zijnde auto’s de bevoegdheid is verstrekt om deze auto’s te verhuren aan [gedaagde], zulks op basis van de met de eigenaren gesloten leaseovereenkomst, dan wel anderszins.

[eiseres] heeft een akte opgave getuigen genomen en daarbij een productie overgelegd en voorafgaande aan de getuigenverhoren heeft [eiseres] bij brieven schriftelijke verklaringen in het geding gebracht ter voorbereiding op de getuigenverhoren.

De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 23 februari 2011. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

[eiseres] heeft een akte overlegging producties genomen en vervolgens een conclusie na enquête.

[gedaagde] heeft daarop voor antwoord na enquête geconcludeerd, onder overlegging van producties.

Vervolgens heeft [eiseres], onder overlegging (van eerder in het geding gebrachte) producties, met toestemming van de kantonrechter, bij akte een reactie op de conclusie van [gedaagde] gegeven, nu die conclusie nieuwe elementen bevatte en [eiseres] daarop wenste te reageren.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Alvorens in te gaan op de vraag of [eiseres] in haar bewijslevering is geslaagd, is eerst aan de orde de door [gedaagde] opgeworpen stelling dat aan die bewijslevering voorbij gegaan moet worden, nu er volgens [gedaagde] sprake is van een bij eindvonnis te corrigeren misslag in het vonnis van 3 december 2010. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat – kort gezegd – bij vervreemding van operational lease, waarvan in dit geval sprake is, hetzij (feitelijke) overdracht van de leaseobjecten (de auto’s) door de leasegever ([B-Rent]) aan de derde ([A-Rent]) moet plaats vinden, in welk geval artikel 7:226 BW toepassing kan vinden, hetzij, wanneer sprake is van alleen overdracht van de rechtsverhouding, dient te worden voldaan aan de vereisten van artikel 6:159 BW. Volgens [gedaagde] valt uit de stellingen van [eiseres] af te leiden, dat in casu slechts sprake was van overdracht van de rechtsverhouding, waarbij niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:159 BW (overgang moet schriftelijk plaats vinden én de medewerking van de wederpartij is vereist). Daarom is in de visie van [gedaagde] niet van belang of [A-Rent] bevoegd was om de auto’s aan [gedaagde] te verhuren, nu vast staat dat [gedaagde] haar medewerking aan de rechtsovergang van [B-Rent] naar [A-Rent] niet heeft verleend.

Daarenboven heeft [gedaagde] nog opgeworpen dat er geen rechtsgeldige cessie heeft plaats gevonden, alsook dat [gedaagde] een verrekenbare vordering heeft, op welke beide verweren in het tussenvonnis, naar [gedaagde] aanvoert ten onrechte, niet is ingegaan.

2.2 Als reactie op de weergegeven standpunten van [gedaagde] heeft [eiseres] verwezen naar hetgeen door haar eerder bij repliek is aangevoerd en gesteld dat artikel 7:226 BW opgeld doet, nu sprake is van een overgang van de auto’s met instemming van de leasemaatschappij van [B-Rent] naar [A-Rent]. Voor zover dat niet zo is, meent [eiseres] dat de contractsoverneming op grond van artikel 6:159 BW tot stand is gekomen. Daartoe voert [eiseres] aan tussen [A-Rent] en [B-Rent] over die contractsovername overeenstemming was, bekrachtigd door de curator, waarmee sprake is van overname van de leaseverhoudingen en –overeenkomsten. [eiseres] stelt dat dit ook aan [gedaagde] is gecommuniceerd en dat [gedaagde] de facturen ontving van [A-Rent], waartegen zij nimmer heeft geprotesteerd. In dat verband heeft [eiseres] zich beroepen op HR 23 april 1999, NJ 1999, nr. 497. [eiseres] stelt dat [gedaagde] er geen belang bij heeft om een beroep te doen op het ontbreken van een schriftelijke akte.

De cessie was volgens [eiseres] rechtsgeldig en zij bestrijdt het standpunt van [gedaagde] dat er sprake zou zijn van antedatering van de akte van cessie.

[eiseres] stelt dat, zoals de curator van [B-Rent] in zijn verslag heeft aangegeven, de leaseovereenkomsten zijn overgegaan naar [A-Rent] per 1 november 2009, tegen welke overname de curator (eveneens volgens zijn verslag) geen bezwaar heeft gemaakt.

2.3 Het standpunt van [gedaagde], dat er sprake is van een misslag in het tussenvonnis, wordt verworpen op grond van de navolgende overwegingen.

[eiseres] heeft gesteld en aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [A-Rent] tegen betaling het klantenbestand van [B-Rent] had overgenomen, als ook dat [A-Rent] de auto’s uit hoofde van een leaseovereenkomst in de periode van 2 november 2009 tot 30 december 2009 ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde]. Omdat [gedaagde] de daarvoor verschuldigde leasetermijnen niet aan [A-Rent] heeft betaald en [eiseres] die vorderingen op grond van cessie heeft overgenomen, maakt [eiseres] aanspraak op voldoening aan haar van de openstaande leasetermijnen.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] en daartoe onder meer aangevoerd hetgeen in rechtsoverweging 4 van het vonnis van 3 december 2010 is samengevat.

[gedaagde] heeft met name het bestaan van een leaseovereenkomst tussen haar en [A-Rent] betwist. Vast staat dat er geen door [gedaagde] ondertekende leaseovereenkomst met [A-Rent] bestaat. [gedaagde] heeft ook ontkend ooit van [A-Rent] leasecontracten ter tekening ontvangen te hebben, zoals door deze gesteld. Zij heeft ook betwist vóór de inlevering van de auto’s de facturen, waarvan thans betaling wordt verlangd, van [A-Rent] te hebben ontvangen.

2.4 Omdat de (kanton)rechter de aan de feitelijke stellingen van partijen ten grondslag liggende rechtsgronden heeft te onderzoeken en zo nodig aan te vullen, diende de vraag beantwoord te worden of de overdracht van het klantenbestand door [B-Rent] aan [A-Rent] met de onderliggende leaseovereenkomsten, zoals uit de stellingen van [eiseres] (impliciet) viel af te leiden, tot gevolg heeft gehad dat daardoor een lease/huurovereenkomst is ontstaan tussen [A-Rent] en [gedaagde], zonder dat [gedaagde] daaraan haar medewerking behoefde te geven. Dit zou zo kunnen zijn wanneer er in dit geval tussen [B-Rent] en [A-Rent] sprake was van een overdracht van de huurobjecten, de auto’s, op grond van artikel 7:226 BW. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.5 [B-Rent] als huurder had ten aanzien van de onder 2.1 van het vonnis van 3 december 2010 genoemde auto’s met de eigenaren daarvan als verhuurder lease/huurovereenkomsten gesloten. [B-Rent] op haar beurt optredend als verhuurder heeft die auto’s op basis van leaseovereenkomsten vervolgens onderverhuurd als bedoeld in artikel 7:221 BW en feitelijk ter beschikking gesteld van [gedaagde], als huurder, tegen betaling van de lease/huurtermijnen.

2.6 Voor de overdracht van de leasecontracten met de eigenaren van de auto’s door [B-Rent] aan [A-Rent], waarmee [A-Rent] als huurder in de plaats van [B-Rent] wordt gesteld, heeft te gelden dat de medewerking en toestemming van de eigenaren van de auto’s noodzakelijk is om die overdracht tot stand te brengen. Die medewerking en toestemming viel niet uit de stukken af te leiden en het ontbreken daarvan kon aan de rechtsgeldigheid van de overdracht in de weg staan.

Wanneer die medewerking en toestemming zou komen vast te staan, heeft te gelden dat [A-Rent] tegenover de eigenaren van de auto’s als huurder in de plaats is getreden van [B-Rent]. Met de overdracht van de leasecontracten tussen [B-Rent] en de eigenaren van de auto’s zijn tevens de daaruit voortvloeiende rechten als huurder aan [A-Rent] overgedragen, zoals het beschikkingsrecht over de auto’s. Voor die overdracht is niet noodzakelijk dat deze fysiek in de macht van [A-Rent] zouden worden gebracht. Zou dit anders zijn, dan betekende dit een inbreuk op het uit het huurrecht van [gedaagde] voortvloeiende gebruiksrecht van de auto’s, waartegen juist artikel 7:226 BW [gedaagde] bescherming biedt. Daarmee is gegeven dat de overdracht van de leasecontracten van [B-Rent] op [A-Rent], met medeweten en toestemming van de eigenaren van de auto’s, valt onder de overdracht als bedoeld in artikel 7:226 BW.

2.7 Voormelde overwegingen hebben geleid tot de bij het tussenvonnis van 3 december 2010 aan [eiseres] opgedragen bewijslevering, die aldus, in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] betoogt, ter zake dienend is.

In het tussenvonnis van 3 december 2010 is nog niet ingegaan op de al dan niet rechtsgeldigheid van de cessie van de vorderingen. De betwisting door [gedaagde] van de rechtsgeldigheid van de cessie was tevens gebaseerd op de stelling dat er tussen [A-Rent] en [gedaagde] geen leaseovereenkomst tot stand was gekomen, zodat de uitkomst van de bewijslevering ook van belang was voor de beoordeling van dit verweer van [gedaagde]. Hierna zal daarop worden teruggekomen. Ditzelfde geldt voor het verweer van [gedaagde] dat zij een verrekenbare vordering heeft. Immers aan dat verweer wordt pas toegekomen, wanneer vast staat dat [eiseres] een toewijsbare vordering op [gedaagde] heeft.

2.8 [eiseres] is geslaagd in de bewijslevering ten aanzien van de aan [A-Rent] verstrekte bevoegdheid door de eigenaren van de auto’s om deze te verhuren aan [gedaagde]. Die bevoegdheid volgt uit het bestaan van leasecontracten tussen de eigenaren van de 4 in het geding zijnde auto’s en [A-Rent] gedurende de periode dat laatstgenoemde aanspraak maakt op betaling door [gedaagde] van de leasetermijnen en de afrekening bij einde van de lease door [gedaagde]. De onderliggende leaseovereenkomsten zijn door [eiseres] in het geding gebracht en de getuigen, [C] van [X-lease] en [D] van [Y-lease], hebben ieder voor zich omtrent het bestaan van de overeenkomst ten aanzien van de in het geding zijnde auto(‘s) van hun bedrijf, verklaringen afgelegd. Ook de lease-overeenkomst met [Z-lease] is in het geding gebracht en daaromtrent heeft de getuige [E], die de boekhouding van zowel [B-Rent] als [A-Rent] een verklaring afgelegd, in die zin dat van dit bedrijf auto’s werden geleased en dat de contracten in de administratie aanwezig waren.

2.9 Het door [gedaagde] gevoerde verweer ten aanzien van het bestaan van - mogelijke - onvolkomenheden in de overeenkomsten moet worden gepasseerd. Zij was bij die overeenkomsten geen partij en haar belang strekt niet verder dan het gegeven of de overeenkomsten al dan niet hebben bestaan in de betreffende periode, de eigenaren akkoord waren met de (onder)verhuur en zij al of niet bevrijdend diende te betalen aan de verhuurder, [A-Rent], die op dat moment inningsbevoegd moest zijn. Dit laatste is met de bewijslevering vast gesteld.

2.10 Samenvattend leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat [A-Rent] heeft te gelden als wederpartij verhuurder van de in het geding zijnde auto’s, zoals genoemd onder 2.1 in het vonnis van 3 december 2010. Daarmee was [gedaagde] gehouden de door haar verschuldigde leasetermijnen, zoals deze bij de in het geding gebrachte facturen in rekening zijn gebracht en tegen de hoogte waarvan [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, aan [A-Rent] te voldoen. Vast staat dat [gedaagde] die leasetermijnen niet heeft betaald. Niet aan [B-Rent], de curator of de Fortisbank noch aan [A-Rent] en evenmin aan [eiseres]. [gedaagde] heeft dit niet gesteld, noch met bescheiden aangetoond.

2.11 [gedaagde] heeft zich, onder verwijzing naar haar schrijven van 1 februari 2010 aan de curator van [B-Rent], beroepen op verrekening met haar tegenvordering. Dit beroep op verrekening moet worden verworpen. [gedaagde] heeft blijkens haar stellingen die vordering immers al verrekend met de vordering die de curator van [B-Rent] op haar had, uit hoofde waarvan volgens haar brief nog een vordering van [gedaagde] op [B-Rent] resteerde van € 43,38, welke vordering zij kennelijk bij de curator heeft ingediend. Hoewel uit bedoelde brief zou kunnen worden afgeleid, dat het gestelde, maar niet met bescheiden gestaafde – en door [eiseres] betwiste – kosten (hetgeen op zich al aan verrekening in de weg staat) betreft, gemaakt in de periode van 2 november 2010 tot 30 december 2010, heeft [gedaagde] de verrekening volgens die brief al toegepast en een verrekende vordering moet als voldaan worden aangemerkt, wanneer de verrekening is geaccepteerd. Uit hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd, kan worden afgeleid, dat de curator deze verrekening heeft aanvaard, ook al strekt de vordering van de curator van leasetermijnen zich niet uit over de periode na 1 november 2010. [gedaagde] kan mitsdien niet wederom een beroep op verrekening doen.

2.12 [eiseres] heeft met de door haar overgelegde bescheiden genoegzaam aangetoond, dat zij van [A-Rent] de vorderingen op onder andere [gedaagde] rechtsgeldig gecedeerd heeft gekregen. Van die cessie is ook mededeling gedaan aan [gedaagde]. Nu hiervoor het bestaan van de vordering van [Rent] op [gedaagde] is vastgesteld, is deze op de juiste wijze aan [eiseres] gecedeerd en heeft [eiseres] uit dien hoofde het vorderingsrecht van de nog openstaande leasetermijnen van [gedaagde] verkregen. Dat er sprake zou zijn van een antedatering van de akte, kan niet worden vastgesteld. Eventueel bewijslevering op dit punt kan in deze procedure niet aan de orde zijn, omdat [gedaagde] geen partij is bij de akte van cessie en [A-Rent] zich daarop niet heeft beroepen, maar blijkens de schriftelijke verklaring van de heer [F], directeur van [A-Rent], akkoord is met de overdracht van de vordering van [A-Rent] aan [eiseres], zodat betaling door [gedaagde] aan [eiseres] van de vorderingen van [A-Rent] bevrijdend kan plaats vinden.

2.13 De vraag of [gedaagde] ook feitelijk nog gebruik heeft gemaakt van de geleasede auto’s, is voor haar betalingsverplichting en mitsdien voor de uitkomst van dit geschil niet van belang. [gedaagde] heeft de feitelijke beschikking over de auto’s gehad c.q. gehouden en dient daarvoor mitsdien te betalen aan degene die ten aanzien van de leasetermijnen inningsbevoegd is, te weten in casu [eiseres].

2.14 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat aan [eiseres] haar vordering van de hoofdsom kan worden toegewezen.

Nu tussen [A-Rent] en [gedaagde] geen nieuwe leaseovereenkomst is gesloten, zijn de algemene voorwaarden van [A-Rent] tussen partijen niet van kracht.

Dit heeft tot gevolg dat de contractuele rente niet kan worden toegewezen. Nu [gedaagde] eveneens heeft betwist de facturen eerder te hebben ontvangen, kan de wettelijke (handels)rente niet worden toegewezen vanaf de vervaldag en zal deze vanaf de dag der dagvaarding worden toegewezen.

2.15 [gedaagde] heeft betwist buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn en [eiseres] heeft die kosten na dit verweer niet nader onderbouwd met bescheiden. Mitsdien is onvoldoende gebleken dat de werkzaamheden die door (de gemachtigde van) [eiseres] zijn verricht, meer hebben omvat dan het versturen van een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een procedure is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

2.16 [gedaagde] moet als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, als hierna vermeld. De door [eiseres] gevorderde informatiekosten zijn niet toewijsbaar, nu niet gehandeld is overeenkomstig artikel 9 Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 5.962,07 (vijfduizendnegenhonderdtweeënzestig euro en zeven cent), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 281,89 aan verschotten en € 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Nouwt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.