Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU7514

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/690105-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gewapende overval op woning; bewijskracht DNA-materiaal; alibiverweer verdachte verworpen; recidive ex artikel 43a Sr bewezenverklaard; vastbinden slachtoffers om tenlasteleggingstechnische redenen niet bewezen geacht, maar wel meegewogen bij bepaling straf; bij strafbepaling in beperkte mate meegewogen dat slachtoffers drugsdealers zijn

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2011-11-23
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2011-11-23
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2011-11-23
Wetboek van Strafrecht 43a, geldigheid: 2011-11-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/690105-11

Datum uitspraak: 23 november 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [land],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel,

raadsman mr. M. van Dam, namens mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van den Berg heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 08 maart 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning aan [adres] heeft weggenomen een mobiele telefoon merk Blackberry, type Bold toebehorende aan [slachtoffer 1]

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]en [slachtoffer 4] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

-die woning betreden met bivakmutsen over het hoofd en

-duwen van die [slachtoffer 2] ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is gevallen en

-tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en

-richten van een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en[slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]

terwijl er nog geen vijf jaren verlopen zijn sedert een vroegere in kracht van gewijsde gegane veroordeling waarbij aan de verdachte wegens diefstal met geweld gevangenisstraf is opgelegd;

2.

hij op 08 maart 2011 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Walther, model PPK/S, kaliber 9mm kort en daarbij voor dat wapen geschikte munitie te weten zeven kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De reden dat hetgeen onder 1, vijfde tot en met achtste gedachtestreepjes, is ten laste gelegd niet bewezen wordt geacht is gelegen in het feit dat de telefoon reeds was gestolen toen deze handelingen plaatsvonden en niet is komen vast te staan dat de verdachte en zijn mededader deze handelingen pleegden om - zoals is ten laste gelegd - het bezit van de telefoon te verzekeren dan wel de vlucht mogelijk te maken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Namens de verdachte is door de raadsman aangevoerd dat hij op geen enkele wijze betrokken kan zijn geweest bij de ten laste gelegde overval op 8 maart 2011 zodat algehele vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft daartoe naar voren gebracht dat de verdachte aan het werk was en zich niet in de buurt van de plaats van de overval bevond. Ten tijde van de overval was de verdachte met een bedrijfsauto op weg naar België om daar voor zijn werkgever goederen af te leveren. Voorts is betoogd dat De DNA-sporen van de verdachte op de nabij de plaats van het delict aangetroffen bivakmuts, handschoen en vuurwapen, niet kunnen bijdragen tot het bewijs dat de verdachte de overval heeft gepleegd.

Het verweer wordt verworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de onderhavige overval is gepleegd in een portiekwoning. De twee daders droegen bivakmutsen en handschoenen. Een van de daders had een vuurwapen bij zich en heeft daarmee de slachtoffers bedreigd. Na hun vlucht uit de woning hebben de daders bivakmutsen, handschoenen en een vuurwapen weggegooid. Op of nabij de vluchtroute van de daders zijn deze goederen aangetroffen. De bivakmuts die in het trappenhuis is gevonden, is door de slachtoffers herkend als de bivakmuts die gedragen is door de dader die het vuurwapen bij zich had. Op die bivakmuts en op één van de aangetroffen handschoenen is het volledig DNA-profiel van de verdachte aangetroffen. Ook het vuurwapen bevatte DNA-sporen van de verdachte.

De verdachte heeft verklaard dat hij enige tijd voor de overval aan [medeverdachte 1], die heeft bekend bij de overval betrokken te zijn geweest, winterkleren heeft gegeven, waaronder mogelijk de bivakmuts en de handschoen die nabij de plaats delict zijn aangetroffen en waarop DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen. Volgens de verdachte betroffen de kleren die hij aan [medeverdachte 1] gaf kleren die eerder door hem waren gedragen en is zijn DNA tijdens dat dragen op deze kledingstukken terechtgekomen. Het meest waarschijnlijke scenario is volgens de verdachte dat [medeverdachte 1] dan wel de andere dader de handschoen en de bivakmuts met daarop zijn reeds aanwezige DNA tijdens de overval hebben gedragen. Het DNA-materiaal van de verdachte op het vuurwapen is daarop, nog steeds volgens de verdachte, waarschijnlijk via de handschoenen terechtgekomen.

Deze verklaring van de verdachte staat echter niet in de weg aan de bruikbaarheid voor het bewijs van de DNA-sporen van de verdachte op de door de daders achtergelaten bivakmuts, handschoen en vuurwapen om de volgende redenen.

Door het NFI is gerapporteerd dat er in de bemonstering van de bivakmuts en de handschoen enkele additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar zijn die kunnen duiden op de aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze zwak aanwezige DNA-kenmerken zijn echter te gering in aantal en intensiteit om te betrekken bij een vergelijkend DNA-onderzoek. Als het alternatieve scenario van de verdachte juist zou zijn, dan had het voor de hand gelegen dat op de bivakmuts en de handschoen ook (volledig) DNA was aangetroffen van [medeverdachte 1] of de andere dader van de overval. Daarvan is echter geen sprake.

Het verweer dat het DNA dat is aangetroffen op het vuurwapen niet kan worden gebruikt voor het bewijs omdat sprake is van een DNA-mengprofiel wordt eveneens verworpen. Op zichzelf is juist dat de bewijswaarde van een DNA-mengprofiel in het algemeen een geringere bewijskracht heeft, maar niet valt in te zien waarom daaraan, bezien in samenhang met ander bewijsmateriaal, geen enkele bewijswaarde zou kunnen worden ontleend.

Het voorwaardelijke gedane verzoek van de raadsman om nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van het op het vuurwapen aangetroffen DNA-mengprofiel wordt, gelet op het vorenstaande, afgewezen.

Met betrekking tot het alibiverweer van de verdachte wordt het volgende overwogen.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ten tijde van de overval elders bevond. De zich in het dossier bevindende werkbrief van de werkgever van de verdachte en een pakbon uit welke beide stukken zou blijken dat de verdachte op het tijdstip van de overval met de bedrijfsauto op weg was naar [land] om goederen af te leveren, bieden daarvoor onvoldoende steun om de volgende redenen. De verdachte had een grote vrijheid bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden als chauffeur. Hij hoefde ook geen rittenboek bij te houden waaruit blijkt op welk moment door hem bestellingen werden geleverd of opgehaald. Voorts zijn de afleverdatum en het tijdstip op een pakbon volgens de werkgever van de verdachte slechts indicaties waarop en wanneer een levering verwacht werd. Het feit dat de bedrijfsauto die de verdachte van zijn werkgever in gebruik had gekregen om 10:59 uur geregistreerd is op de [plaats], biedt ook onvoldoende steun voor het alibi van de verdachte. Uit het dossier blijkt namelijk dat de verdachte niet gezien kan worden als de exclusieve gebruiker van de bedrijfsauto. De bedrijfsauto is zowel de dag voor de overval als de dag van de overval bij herhaling op andere locaties gesignaleerd/geregistreerd dan de locaties van de zendmasten die door de telefoon van de verdachte omstreeks de geregistreerde tijdstippen van de bedrijfsauto zijn aangestraald. Op de dag van de overval heeft de telefoon van de verdachte tot tweemaal toe een zendmast aangestraald in de buurt van de overval, eenmaal voor de overval en eenmaal na de overval, terwijl de auto die dag niet in de buurt van de overval is geregistreerd.

Al het vorenstaande alsmede het feit dat de verdachte niet eerder bij de diverse politieverhoren een verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de bivakmuts en handschoen en eerst pas op de zitting met deze verklaring is gekomen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van de uitkomsten van de aangehaalde DNA-onderzoeken, bezien in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen, buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte, anders dan hij zelf beweert, als dader betrokken is geweest bij de ten laste gelegde overval.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een mededader een gewapende overval gepleegd in een woning. De daders zijn met geweld het huis binnengedrongen en droegen bivakmutsen, hetgeen extra bedreigend overkomt. De personen die in de woning aanwezig waren zijn ernstig bedreigd, niet alleen met het vuurwapen, maar ook met woorden. Ook zijn de slachtoffers geschopt en geslagen. Tevens zijn twee van de vier slachtoffers vastgebonden. Dit is om tenlastelegging-technische redenen weliswaar niet bewezen, maar wordt niettemin bij de strafoplegging meegewogen als omstandigheid waaronder de bewezen feiten zijn gepleegd. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt bij slachtoffers voorts lange tijd gevoelens van onveiligheid en brengt in de samenleving onrust teweeg. De verdachte heeft zich hieraan niets gelegen laten liggen en was uitsluitend uit op eigen winstbejag. De verdachte was degene die tijdens de overval alle geweldshandelingen heeft uitgevoerd en het vuurwapen hanteerde.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 oktober 2011 reeds diverse malen en ook tot zeer langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Die straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Tevens is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij op het moment dat hij de delicten pleegde in het eindtraject zat van een eerder opgelegde gevangenisstraf en sinds oktober 2010 in een zogeheten “open kamp” verbleef om voorbereid te worden op een toekomst buiten de gevangenis. Ook is rekening gehouden met het feit dat door de bewezenverklaarde recidive als bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht een hoger strafmaximum geldt.

Gelet op de leidende rol die de verdachte heeft gehad bij de overval en met in achtneming van het recidivegevaar, wordt thans opnieuw een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk geacht. Een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden is passend en geboden. Die straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en voorts gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval. Daarbij is meegewogen dat op de terechtzitting naar voren is gebracht dat een aantal van de in de woning aanwezige slachtoffers drugsdealers zijn en daarom geen willekeurige slachtoffers betreffen; de verdachte en zijn mededader waren in de veronderstelling dat er cocaïne in de woning aanwezig was en de bedoeling van de beroving was het “rippen” van die cocaïne. Dit wordt niet onaannemelijk geacht. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf zal daarmee rekening worden gehouden, zij het slechts in geringe mate. De omstandigheid dat een aantal van de slachtoffers mogelijk betrokken zijn bij drugshandel, maakt niet dat het handelen van de verdachte en zijn mededader gerechtvaardigd is. Voor zover de verdediging dit heeft willen betogen wordt dit verweer verworpen.

Het (voorwaardelijk gedane) verzoek van de verdediging tot het horen van de slachtoffers omtrent de vraag of zij nu wel of niet betrokken zijn bij drugshandel wordt, gelet op het vorenstaande, afgewezen.

VORDERING BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

vorderingen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

[slachtoffer 2], wonende aan [adres], terzake van de feiten 1 en 2. Zij vordert als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 2.100,- en als vergoeding van materiële schade een bedrag van € 23,04, bestaande uit reiskosten.

[slachtoffer 1], wonende aan de [adres], terzake van de feiten 1 en 2. Hij vordert als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 2.100,- en als vergoeding van materiële schade een bedrag van € 148,63, bestaande uit reiskosten en reparatiekosten voor de “cover” van de weggenomen Blackberry;

[slachtoffer 4], wonende aan [adres], terzake van de feiten 1 en 2. Zij vordert als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 2.100,- en als vergoeding van materiële schade een bedrag van € 93,12, bestaande uit reiskosten;

[slachtoffer 3], ten tijde van de overval tijdelijk verblijvende aan [adres], terzake van de feiten 1 en 2. Hij vordert als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 2.100,- en als vergoeding van materiële schade een bedrag van € 14,88, bestaande uit reiskosten.

De benadeelde partijen vorderen daarnaast ook vermeerdering van genoemde bedragen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2011, zijnde de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Tot slot verzoeken zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

verdediging

Namens de verdachte is afwijzing van de gevorderde schadevergoedingen bepleit omdat niet althans onvoldoende vaststaat dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

beoordeling

Het is een feit van algemene bekendheid dat een beroving als de onderhavige een ingrijpende gebeurtenis is die voor de slachtoffers tot psychische schade kan leiden.

De door de benadeelde partijen ter zake van psychische schade gevorderde immateriële schadevergoeding is door elk van hen voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Vaststaat dat de gestelde psychische schade door de beroving is toegebracht en dus zogenaamde rechtstreekse schade betreft. Naar maatstaven van billijkheid zal ten aanzien van alle benadeelde partijen de omvang van de vergoeding voor deze immateriële schade in deze procedure worden vastgesteld op € 500,--. Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen; het resterende deel van de vorderingen kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De gevorderde vergoeding voor materiële schade zal ten aanzien van alle benadeelde partijen voor het geheel worden toegewezen. Ook deze schade is steeds voorzien van een deugdelijke motivering en is schade die door de beroving is toegebracht. De gevorderde vergoedingen zijn daarom, als op de wet gegrond en door de verdediging niet weersproken, toewijsbaar.

Toegewezen zal worden aan:

[slachtoffer 2], een bedrag van in totaal € 523,04;

[slachtoffer 1], een bedrag van in totaal € 648,63;

[slachtoffer 4], een bedrag van in totaal € 593,12; en

[slachtoffer 3], een bedrag van in totaal € 514,88.

Al deze toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente ingaande op 8 maart 2011.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de verdachte de bewezenverklaarde beroving, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partijen betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel is gelet op de artikelen 24c, 36f, 43a, 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf (5) jaren en zes (6) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 523,04 (zegge: vijfhonderddrieëntwintig euro en vier cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 2], wonende te [plaats] te betalen met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen van € 523,04 (zegge: vijfhonderddrieëntwintig euro en vier cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 648,63 (zegge: zeshonderdachtenveertig euro en drieënzestig cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te [plaats] te betalen met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen van € 648,63 (zegge: zeshonderdachtenveertig euro en drieënzestig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van

€ 593,12 (zegge: vijfhonderddrieënnegentig euro en twaalf cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 4], wonende te [plaats] te betalen met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen van € 593,12 (zegge: vijfhonderddrieënnegentig euro en twaalf cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van

€ 514,88 (zegge: vijfhonderdveertien euro en achtentachtig cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 3], verblijvende te [plaats] te betalen met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen van € 514,88 (zegge: vijfhonderdveertien euro en achtentachtig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman, voorzitter,

en mrs. Van Lottum en Kernkamp-Maathuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Casteleijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2011.

Bijlage bij vonnis van 23 november 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 08 maart 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Blackberry, type Bold), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- die woning betreden met bivakmutsen over het hoofd en/of

- duwen van die [slachtoffer 2] ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is gevallen en/of

- tonen en/of voorhouden van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3], en/of

- richten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3] en/of

- duwen en/of slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 3] en/of

- die [slachtoffer 1] dwingen om die [slachtoffer 3] vast te binden en/of

- vastbinden van die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of die

[slachtoffer 5] dreigend toevoegen (in het Nederlands en/of Papiaments en/of Spaans) van de woorden: "Waar is geld" en/of "Ga op de grond \'liggen” en/of "Geld of ik schiet je”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

terwijl er nog geen vijf jaren verlopen zijn sedert de verdachte een wegens diefstal (met geweld) opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan, althans de verdachte sedertdien nog geen vijf jaren in vrijheid heeft doorgebracht;

(artikel 312 en 43a Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 08 maart,2011 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de in van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool/revolver van het merk Walther, model PPK/S, kaliber

9mm kort en/of (daarbij) voor dat wapen geschikte munitie (te weten zeven kogelpatronen), voorhanden heeft gehad.

(artikel 26 juncto 55 Wet wapens en munitie en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht)