Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU7512

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/741187-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van brandstichting en bedreiging met brandstichting. Overwegingen zijn gewijd aan de voorwaardelijk opzet tot brandstichting. Door de handelswijze van de verdachte bestond geen aanmerkelijke kans dat brand zou ontstaan en voorts heeft de verdachte die aanmerkelijke kans ook niet willens en wetens aanvaard.

Bedreiging kan niet bewezen worden nu de betrokkenen het voorval niet als bedreigend hebben ervaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2011-11-04
Wetboek van Strafrecht 285, geldigheid: 2011-11-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/27

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/741187-10

Datum uitspraak: 4 november 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam,

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Grip heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij heeft gepoogd opzettelijk brand te stichten in een gebouw van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te [plaats], door in de twee flessen met brandbare vloeistoffen die hij bij zich had te knijpen, waardoor die vloeistoffen uit de flessen kwamen, en vervolgens een brandende aansteker op korte afstand van die flessen te brengen.

In het onder 2 ten laste gelegde wordt aan de verdachte verweten dat hij een aantal personen met brandstichting heeft bedreigd.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van deze beide feiten. M.b.t. de tenlastegelegde poging tot brandstichting heeft hij aangevoerd dat in ieder geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

Door en namens de verdachte is van beide feiten vrijspraak bepleit. De verdachte heeft aangevoerd dat hij door zijn handelwijze uitsluitend heeft willen afdwingen dat hij zijn klantmanager bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid te spreken zou krijgen, omdat hij deze dringend nodig had en hij al een paar maal tevergeefs contact met haar had proberen te krijgen. De verdachte heeft verklaard dat hij geen brand wilde stichten en ook niemand heeft willen bedreigen.

Uit het dossier en het verdere onderzoek op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op 25 mei 2010 bij de receptie van het gebouw van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stond met in zijn handen twee aan elkaar getapete flessen met daarin de vloeistoffen bio-ethanol en lampenolie. Tevens had de verdachte een aansteker in zijn handen. De verdachte riep dat hij de boel/het kankergebouw in brand zou steken, in ieder geval woorden die op hetzelfde neerkomen. Daarbij heeft de verdachte op enig moment zijn aansteker aangestoken en het vlammetje van die aansteker korte tijd laten branden. De aansteker hield hij daarbij op ongeveer 40 cm afstand van de twee flessen met ethanol en lampenolie. Deze flessen waren niet afgesloten. De verdachte had de doppen er af gedaan voordat hij het gebouw van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnenging. Door toedoen van de verdachte is er vloeistof uit de flessen met ethanol en lampenolie gekomen en zijn er enkele druppels van die vloeistof terecht gekomen op de mat die ter plaatse op grond lag.

Die mat bestond voor een belangrijk deel uit metalen strips.

Uit onderzoek door het NFI naar de brandbaarheid van de in de flessen aanwezige ethanol en lampenolie blijkt dat niet deze vloeistoffen zelf, maar alleen de damp van de vloeistoffen brandbaar is. Voorts blijkt uit het verrichte onderzoek dat ten aanzien van de

lampenolie geldt dat zolang deze vloeistof in een (onafgesloten) fles blijft de dampen die dan vrijkomen te gering zijn om met een aansteker aan te steken. Wanneer de lampenolie echter fijn wordt verdeeld, bijvoorbeeld over textiel, verdampt er door oppervlaktevergroting meer vloeistof. Dit kan zo veel zijn dat er wel voldoende vloeistof verdampt om een brand te onderhouden. Met betrekking tot ethanol wordt uit het rapport van het NFI afgeleid dat wanneer deze vloeistof zich in een onafgesloten fles bevindt wel voldoende damp vrijkomt om deze damp met een aansteker aan te steken.

Anders dan door de officier van justitie is aangevoerd, kan uit voornoemde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid dat de verdachte opzet dan wel voorwaardelijk opzet had om brand te stichten. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Gelet op de ontkenning door de verdachte blijkt van gewoon opzet sowieso niet. Om voorwaardelijk opzet aan te nemen is nodig dat door de handelwijze van de verdachte er een aanmerkelijke kans bestond dat brand zou ontstaan en voorts dat de verdachte die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard.

De dampen van ethanol en lampenolie moeten, om tot ontbranding te komen, (in ieder geval) met open vuur in aanraking worden gebracht. Uit het rapport van het NFI kan niet worden afgeleid op welke afstand dat open vuur (in dit geval een aansteker) moet worden gehouden om die ontbranding (van in dit geval: de in geopende flessen aanwezige ethanol en lampenolie dan wel de druppels van die vloeistoffen die op een op de grond liggende mat waren gevallen) tot stand te brengen. De verdachte heeft de aansteker op ongeveer 40 centimeter afstand van de flessen met ethanol en lampenolie gehouden. De afstand tot de grond was nog groter. Mede gelet op wat de algemene ervaring op dit punt leert is de rechtbank van oordeel dat deze afstand in dit geval onvoldoende was om de dampen van de ethanol en lampenolie vlam te laten vatten. Dit blijkt ook uit het feit dat het aansteken van de aansteker door de verdachte niet tot de ontbranding van de ethanol en/of lampenolie heeft geleid. Een aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand kan dus niet worden aangenomen. De omstandigheid dat een bewaker heeft ingegrepen en de verdachte naar buiten heeft geleid doet daar niet aan af, nu dit ingrijpen van de bewaker plaatsvond nadat de verdachte de aansteker had gedoofd en niet aannemelijk is dat dit wegleiden van de verdachte heeft voorkomen dat hij anders de aansteker wel dichter bij de flessen had kunnen houden.

Ook indien wel aangenomen zou moeten worden dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van een brand en de verdachte hiervan moet hebben geweten, wordt niet bewezen geacht dat de verdachte die kans op de koop toe heeft willen nemen. De door de verdachte verrichte handelingen, zoals hiervoor beschreven, kunnen niet worden aangemerkt als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm als zo zeer gericht op het plegen van brandstichting moeten worden aangemerkt, dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Op grond van het voorgaande wordt de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd.

De onder 2 ten laste gelegde bedreiging wordt evenmin wettig en overtuigend bewezen geacht. Ook daarvan zal de verdachte worden vrijgesproken.

De bedreiging zou zijn gepleegd jegens een drietal in de tenlastelegging met namen genoemde personen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]), alsmede jegens een of meer onbekend gebleven personen. De verdachte zou heb hebben toegevoegd: “ik steek de boel in brand” en/of “ik ga dit kankergebouw in brand steken”.

Zoals hiervoor al is aangegeven staat vast dat de verdachte deze woorden, althans woorden van gelijke strekking, heeft geschreeuwd toen hij in het gebouw van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanwezig was. Tevens staat vast dat op dat moment in het gebouw meerdere personen aanwezig waren, onder wie [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

Voor de beoordeling of de door de verdachte geschreeuwde woorden een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht opleveren is van belang of de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen de vrees konden opwekken dat de verdachte zijn woorden in daden zou omzetten. Hierbij is van belang hoe de direct betrokkenen het voorval hebben ervaren.

[Getuige 1], de bewaker, heeft op de zitting verklaard dat hij direct op de verdachte is toegelopen toen deze zich met de twee getapete flessen meldde bij de ingangsbalie. Hij heeft de verdachte aangesproken en zijn arm om de schouder van de verdachte gelegd en voorgesteld samen naar buiten te gaan. De verdachte is daarop direct, zonder verzet, mee naar buiten gelopen. Eenmaal buiten heeft de bewaker de verdachte gevraagd plaats te nemen op een bankje voor het gebouw van de Sociale Dienst. Aan dit verzoek heeft de verdachte gehoor gegeven. De bewaker heeft de verdachte toen meegedeeld dat hij zou kijken of hij alsnog een gesprek voor de verdachte kon regelen met diens klantmanager. De bewaker vond de situatie niet zo bedreigend dat het noodzakelijk was om bij de verdachte te blijven totdat de politie zou arriveren. De bewaker is daarop naar binnen gegaan en heeft het voorval gemeld aan zijn teamchef. Terwijl de bewaker naar binnen liep heeft hij, conform protocollaire voorschriften, zijn collega’s gevraagd de deuren te sluiten. De bewaker heeft op de zitting verklaard dat hij zich op geen enkel moment bedreigd heeft gevoeld in de zin dat hij vreesde dat de verdachte daadwerkelijk het gebouw in de brand zou steken. De verdachte was al enkele jaren cliënt bij de Sociale Dienst en de bewaker heeft de verdachte in de loop van de jaren leren kennen. De bewaker wist dat de verdachte zich nog nooit zo dreigend had opgesteld en had daarom ook niet de vrees dat de verdachte op enig moment daadwerkelijk tot uitvoering van zijn bedreiging zou overgaan. Ook de collega’s hebben zich volgens de bewaker niet bedreigd gevoeld.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die beiden op het moment van het onderhavige incident eveneens in het gebouw van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkzaam waren, blijkt evenmin dat zij bevreesd zijn geweest dat de brandstichting waarmee de verdachte heeft gedreigd daadwerkelijk door hem zou worden uitgevoerd.

Verklaringen van andere aanwezigen ontbreken in het dossier.

Gelet op de ontbrekende vrees voor brandstichting bij deze direct betrokkenen en voorts gezien de verdere omstandigheden van dit geval is onvoldoende komen vast te staan dat de vrees voor brandstichting in zijn algemeenheid wel hadden kunnen worden opgewekt.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Van Barneveld en Kernkamp-Maathuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Casteleijns, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2011.

Bijlage bij vonnis van 4 november 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een gebouw (waarin de publieke instelling Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gevestigd) gelegen aan [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was, met dat opzet in twee, althans één, plastic fles(sen) met daarin de brandbare vloeistof(fen) ethanol en/of lampenolie, althans een brandbare vloeistof, heeft geknepen, waardoor die brandbare vloeistof uit die fles(sen) is gespoten en/of (vervolgens) een brandende aansteker, althans open vuur, op korte afstand van die brandbare vloeistof heeft gebracht, terwij1 hij, verdachte, zich in dat gebouw bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 157 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 25 mei 2010 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of één of meer onbekend gebleven personen die zich bevonden in een gebouw (waarin de publieke instelling Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gevestigd) gelegen aan [adres] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd:"ik steek de boel in brand" en/of "ik ga dat kankergebouw in brand steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)