Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU7467

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/965050-11, UTKL-1-2011006105
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW2489, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW2489
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toegestaan. Namens de opgeeiste persoon is een beroep gedaan op het 'ne bis in idem'-beginsel en op artikel 5 van het Uitleveringsverdrag. Voorts is een beroep gedaan op een voltooide schending van artikel 3 EVRM en een dreigende schending artikel 3 EVRM. Ook is om het horen van een getuige-deskundige verzocht. Verweren en verzoeken worden afgewezen en de uitlevering wordt toelaatbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer 10/965050-11

Nummer: UTKL-1-2011006105

Datum uitspraak: 3 oktober 2011

Uitspraak

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Amerikaanse autoriteiten tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie “De Schie” te Rotterdam,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

Procedure

De Amerikaanse autoriteiten hebben bij schrijven van 27 juni 2011 aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief d.d. 28 juni 2011 dit verzoek en de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behande¬ling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 28 juni 2011, ter griffie ontvangen op 28 juni 2011, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen.

Op 19 september 2011 heeft de rechtbank ter terechtzitting met gesloten deuren gehoord:

- De officier van justitie, mr. Spoon;

- De opgeëiste persoon alsmede zijn raadsman, mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaat¬baarheid van de uitlevering. De raadsman heeft (bij wijze van primair standpunt) bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan vijf feiten omschreven in de tegen hem uitgevaardigde akte van beschuldiging (Indictment), uitgevaardigd door de Federale Grand Jury van de Amerikaanse Federale Arrondissementsrechtbank voor het Oostelijk Arrondissement van New York d.d. 22 juni 2011. Van de Nederlandse vertaling van deze beschuldiging is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111), verder te noemen: het Uitleveringsverdrag.

Identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek. De verdachte bezit de Nederlandse en de Pakistaanse nationaliteit.

In een - ter ondersteuning van het verzoek om uitlevering van de opgeëiste persoon - onder ede afgelegde verklaring van [naam], Amerikaanse federale hulpofficier van justitie voor het Oostelijk Arrondissement van New York is opgenomen dat hij - de hulpofficier -, indien de opgeëiste persoon uitgeleverd, schuldig bevonden en veroordeeld zou worden voor de beschuldigingen waarvoor deze uitgeleverd is en deze op de geschikte wijze een aanvraag indient om zijn straf in Nederland uit te zitten, zich niet zal verzetten tegen zijn overdracht voor dat doel.

Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

De stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag.

Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Amerikaans recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.

Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht straf¬baar gesteld, te weten in de na te noemen artikelen:

Feit 1:

de artikelen 46, 47, 83a, 288a, 289, 289a, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht;

Feit 2:

de artikelen 46, 47, 83a, 288a, 289, 289a, 140, 140a en 205 van het Wetboek van Strafrecht;

Feit 3:

de artikelen 45, 46, 47, 83a 288a, 289, 289a, 140, en 140a van het Wetboek van Strafrecht;

Feit 4:

de artikelen 45, 46, 47, 83a, 157, 176a, 288a, 289, 289a, 140, 140a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet wapens en munitie;

Feit 5:

de artikelen 45, 46, 47, 83a, 288a, 289, 289a, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Blijkens de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting kan hij niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Gevoerde verweren en verzoeken strekkende tot nader onderzoek

Ne bis in idem en beroep op artikel 5 van het Uitleveringsverdrag

Ter sprake is gekomen of de opgeëiste persoon in Pakistan al dan niet vervolgd is geweest of is veroordeeld ter zake dezelfde of soortgelijke feiten als waarvoor thans diens uitlevering wordt gevraagd.

Door de opgeëiste persoon is echter daarover niet zodanige informatie verschaft dat de rechtbank daaraan op het eerste gezicht vaststellingen en/of conclusies kan verbinden.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit artikel 5, aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag volgt dat een mogelijke eerdere berechting van de opgeëiste persoon in Pakistan aan een uitlevering in de weg zou staan en heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie op te dragen onderzoek te doen naar het verloop van de gestelde rechtsgang in Pakistan.

Dit verzoek wordt afgewezen. Het voorgaande brengt mee dat de informatie die met betrekking daartoe door de opgeëiste persoon is verschaft de rechtbank geen aanleiding geeft hier een zodanig onderzoek als door de opgeëiste persoon wordt verlangd in te stellen, ook omdat het karakter van de uitleveringsprocedure zich daartegen verzet (vgl. HR 5 september 2006, NJ 2007/10). Het staat de opgeëiste persoon vrij om een dergelijk verweer ten overstaan van de Amerikaanse rechter opnieuw te voeren.

Schending van artikel 3 EVRM

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon met medeweten en impliciete goedkeuring van de Amerikaanse autoriteiten in Pakistan is gemarteld. Er is sprake van een voltooide schending van artikel 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); deze omstandigheid staat zonder meer aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg. De raadsman heeft bij wijze van subsidiair standpunt verzocht omtrent de gestelde folteringen en de vraag of de Amerikaanse autoriteiten hiervan op de hoogte waren voornoemde [naam], alsmede [naam], Hoofd Consulaire zaken van de Nederlandse ambassade te Islamabad als getuigen te horen.

De rechtbank stelt voorop dat slechts indien vast komt te staan dat de opgeëiste persoon door of door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd een inbreuk op het in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet meer af te wenden is het oordeel of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd toekomt aan de uitleveringsrechter (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997/533 en HR 20 mei 2003, NJ 2004/41).

Indien en voor zover de opgeëiste persoon in Pakistan is gefolterd, is in ieder geval niet gebleken van enige directe betrokkenheid bij deze folteringen door Amerikaanse functionarissen. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon naar eigen zeggen tijdens zijn detentie in Pakistan een Engels sprekende vrouwelijke stem in een naburige kamer heeft gehoord is daarvoor onvoldoende. Door de raadsman zijn (delen van) rapporten overlegd die in algemene zin informatie over folteringen in Pakistan bevatten. Hierin staat vermeld dat Amerikaanse autoriteiten in het verleden in voorkomende gevallen kennis hebben gedragen van deze folteringen. Voor de stellingname dat dit laatste ook in het geval van de opgeëiste persoon zo was bieden de rapporten evenwel onvoldoende grond; zij zijn daarvoor te algemeen van aard. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in het kader de uitleveringsprocedure onvoldoende aanleiding om omtrent deze kwestie nader onderzoek te verrichten zoals bijvoorbeeld nadere getuigen te doen horen. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Dreigende schending artikel 3 EVRM

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een reële dreigende schending van het in artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod op foltering, gezien het gevaar dat de opgeëiste persoon loopt wanneer hij in een Amerikaanse gevangenis terecht komt. De raadsman heeft gesteld dat uitlevering van zijn cliënt mee zal brengen dat deze na diens veroordeling een aanzienlijk risico loopt te worden geplaatst in een “supermax-facility’ als de ADX te Florence (Colorado) en daar regelmatig zal worden onderworpen aan langdurige isolatie en routinematige ‘strip-searches’. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft recentelijk in een aantal vergelijkbare zaken bepaald dat de betrokkenen tot nader order niet mogen worden uitgeleverd wegens mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM na aankomst in de Verenigde Staten. De raadsman heeft voorts betoogd dat de routinematige strip-searches in het geval van zijn cliënt nog beduidend zwaarder zijn dan voor een willekeurige derde, gelet op hetgeen hij tijdens zijn detentie in Pakistan heeft moeten ondergaan.

Een oordeel over de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de Verenigde Staten van Amerika aan foltering onderworpen te zullen worden, is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank kan zich in het kader van haar beslissing over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon over de gestelde dreigende schending van artikel 3 van het EVRM niet uitlaten, met uitzondering van de situatie waarvan de rechtbank zojuist heeft geoordeeld dat deze zich in dit geval niet voordoet (vgl. genoemde arresten van de Hoge Raad van 15 oktober 1996 en 20 mei 2003). De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie van het EHRM heeft in deze bevoegdheidstoedeling geen verandering gebracht. Tot slot moet worden genoemd dat de autoriteiten van de Verenigde Staten open staan voor de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon na zijn eventuele veroordeling aldaar zijn detentie in Nederland mag ondergaan.

Verzoek om het horen van een getuige-deskundige

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, indien zij zou overwegen in haar advies als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Uitleveringswet aan de Minister van Veiligheid en Justitie te adviseren de uitlevering toe te staan, psycholoog [naam 3] als getuige (naar de rechtbank begrijpt: getuige-deskundige) te horen. Zij heeft omtrent de opgeëiste persoon reeds gerapporteerd en kan verklaren over het effect dat overbrenging naar het verzoekende land op hem kan hebben.

De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijk nader onderzoek ten behoeve van het op de voet van evengenoemd artikellid te geven advies in het kader van onderhavige procedure geen ruimte is. Het verzoek wordt afgewezen.

Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op de artikelen 1, 2 en 9 van het Uitleveringsverdrag en de artikelen 2, 4, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet,

Beslissing

De rechtbank:

VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika

van

[de opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

ter strafvervolging van de vijf feiten omschreven in de akte van beschuldiging (Indictment), uitgevaardigd door de Federale Grand Jury van de Amerikaanse Federale Arrondissementsrechtbank voor het Oostelijk Arrondissement van New York van de United States d.d. 22 juni 2011.

Deze beslissing is genomen door:

mr. Van der Groen, voorzitter,

mrs. Van Lottum en De Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Wijden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terecht¬zitting van deze rechtbank op 3 oktober 2011.