Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU6142

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
10/600105-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor skimmen. Criminele organisatie die zich bezig houdt met skimmen met behulp van gemanipuleerde kaartidentificatielezers (e-dentifiers). Rechtsmacht voor in het buitenland gepleegde feiten op grond van (jurisprudentie over) artikel 2 Wetboek van Strafrecht. Uitleg geautomatiseerd werk in de zin van de artikelen 80sexies, 139c en 139d Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/600105-09

Datum uitspraak: 28 november 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte 2],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Roemenië),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres]

raadsman: mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7, 8 en 14 november 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Deze vordering is op de terechtzitting van 8 oktober 2010 toegewezen. De tenlastelegging is vervolgens op de terechtzitting van 7 november 2011 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd.

De tekst van de tenlastelegging, zoals deze luidt na de nadere omschrijving en de wijziging, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Zwieten heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar met aftrek van voorarrest.

RELATIEVE BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK

De verdediging heeft betoogd dat uitsluitend de recht¬bank Leeuwarden bevoegd is van de ten laste gelegde feiten kennis te nemen, gelet op artikel 2, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat een regeling bevat ter zake van de relatieve bevoegdheid van de rechtbanken in geval van gelijktijdige vervolging bij meer rechtbanken.

De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de beschikking van het gerechtshof ’s Gravenhage van 29 september 2010 (LJN: BN8609). De relatieve bevoegdheid van de rechtbank dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop een zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt. Dit is in de onderhavige zaak gebeurd door het uitbrengen van de dagvaarding voor deze rechtbank, die is gedateerd op 9 april 2010. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank te Leeuwarden van 15 februari 2010 blijkt dat op die datum de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, is toegewezen. Door die toewijzing is de op de tenlastelegging vermelde feiten betreffende skimactiviteiten komen te vervallen. Zo die skimactiviteiten al dezelfde zijn als de feiten waarvoor de verdachte thans vervolgd wordt, is op 15 februari 2010 aan die vervolging in elk geval een einde gekomen. Van een gelijktijdige vervolging was op 9 april 2010 dus geen sprake, zodat artikel 2, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is. Nu de dagvaarding in deze zaak is uitgebracht door de officier van justitie bij het landelijk parket, is deze recht¬bank bevoegd.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet

Ten aanzien van feit 2 en een gedeelte van feit 3 (voor zover het de vervalsing betreft) heeft de verdediging aangevoerd dat de Nederlandse strafwet niet van toepassing is, zodat de recht¬bank zich onbevoegd moet verklaren. Dit verweer, dat bij aanvaarding overigens niet tot onbevoegdheid van de recht¬bank, maar tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou leiden, wordt verworpen.

De tenlastelegging vermeldt bij alle feiten dat deze zijn gepleegd op plaatsen in Nederland “en/of” in het buitenland. Hierin verschilt de tenlastelegging van die in het door de verdediging aangehaalde vonnis van deze recht¬bank van 27 augustus 2008 (LJN: BF3274), waarin uitsluitend pleegplaatsen in het buitenland waren vermeld.

Indien naast in, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Deze vaste rechtspraak van de Hoge Raad is onder andere te vinden in zijn arrest van 2 februari 2010 (LJN: BK6328). Uit hetzelfde arrest blijkt dat de rechter dit dient te beoordelen op grondslag van de tenlastelegging.

Op grondslag van de tenlastelegging, die voor alle feiten vermeldt dat deze (op plaatsen) in Nederland “en/of” (op plaatsen) in het buitenland zijn gepleegd, moet dan ook worden geoordeeld dat de Nederlandse strafwet van toepassing is, zodat de officier in zoverre ontvankelijk is in de vervolging.

Mededelingen van de officier van justitie te Leeuwarden

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een goede proces¬orde, waardoor doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De verdachte was in Leeuwarden gedagvaard voor – kort gezegd – uitbuitingsfeiten en skimactiviteiten. De officier van justitie te Leeuwarden heeft ter terechtzitting van 22 september 2009 meegedeeld dat het onderzoek naar de skimactiviteiten was afgerond en dat er ten aanzien van dat feit geen ernstige bezwaren meer bestonden. Deze onjuiste informatie is ter terechtzitting van 9 februari 2010 herhaald. De rechtbank is daarmee misleid met als enige doel de mogelijkheid om het onderzoek over te hevelen naar het landelijk parket. Als gevolg van dit handelen zijn de belangen van de verdachte ernstig geschaad: er was een dubbele voorlopige hechtenis die in beperkingen moest worden ondergaan. Deze druk heeft geleid tot het afleggen van bekennende verklaringen.

Zo de verdenkingen van skimactiviteiten waarover in Leeuwarden is gesproken al dezelfde feiten betreft die de verdachte thans worden verweten, oordeelt de rechtbank het volgende.

De geschetste gang van zaken verdient geen schoonheidsprijs. De officier van justitie te Leeuwarden, die wist dat de resultaten van het onderzoek [naam onderzoek] waren overgedragen aan het landelijk parket te Rotterdam, heeft de rechtbank Leeuwarden op 22 september 2009 misleidende informatie gegeven om een lopend onderzoek af te schermen.

Op het moment echter dat de rechtbank Leeuwarden moest beslissen op de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, die ter terechtzitting van 9 februari 2010 werd gedaan en op 15 februari 2010 is toegewezen, was de rechtbank op de hoogte van het feit dat een onderzoek onder verantwoordelijkheid van het landelijk parket tegen de verdachte liep met betrekking tot skimmen. De ernst van de misleidende voorlichting van 22 september 2009 wordt daarmee gerelativeerd. Verder valt niet in te zien in welke belangen de verdachte is geschaad door de misleidende voorlichting. Dat op hem later dwangmiddelen zijn toepast in het kader van het onderzoek waarvoor hij thans terechtstaat is niet het rechtstreeks gevolg van de mededelingen die door de officier van justitie te Leeuwarden zijn gedaan. Bovendien hadden deze dwangmiddelen - indien daartoe aanleiding zou worden gezien - ook in het reeds lopend onderzoek in Leeuwarden kunnen worden toegepast. De rechtbank is niet gebleken dat met de toepassing van dwangmiddelen op de verdachte onaanvaardbare druk is uitgeoefend. Van zodanig ernstige inbreuken op de beginselen van een goede procesorde dat dit thans zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, is dan ook geen sprake.

Evenmin is het vertrouwensbeginsel geschonden. Uit de mededelingen van de officier van justitie te Leeuwarden kan, wat daarvan ook zij, niet worden afgeleid dat er geen nader onderzoek meer zou (kunnen) plaatsvinden, noch dat het openbaar ministerie de resultaten daarvan zou negeren. De rechtbank constateert voorts dat de dagvaarding in deze zaak is uitgebracht op 9 april 2010 en dat het dossier toen onderzoeksresultaten bevatte die op 22 september 2009 nog niet bekend waren.

Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat het standpunt van de officier van justitie dat het hier preliminaire verweren betreft die, nu ze eerst bij pleidooi worden gevoerd, vanwege ontijdigheid daarvan buiten behandeling zouden moeten blijven, geen steun vindt in het recht.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 2

Feit 2 behelst kort gezegd – in het eerste deel van de tenlastelegging het verwijt dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, technische hulpmiddelen die zijn bestemd om vertrouwelijke gegevens af te tappen of op te nemen heeft vervaardigd, verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid, ter beschikking heeft gesteld of voorhanden heeft gehad. De rechtbank heeft geconstateerd dat bij de – met het woord “immers” ingeleide - feitelijke specificering van dit verwijt slechts is opgenomen een nadere uitwerking van het in artikel 139d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel “vervaardigen”. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de steller van de tenlastelegging beoogd heeft uitsluitend dit onderdeel van artikel 139d Sr aan de verdachte ten laste te leggen. Aldus bezien is het onder 2 ten laste gelegde, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Immers, niet is komen vast te staan dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, de in de tenlastelegging genoemde technische hulpmiddelen heeft vervaardigd, noch dat hij deze in het kader van dit vervaardigen voorhanden heeft gehad.

Feit 5

Feit 5 behelst kort gezegd - het verwijt dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, een geldbedrag van in totaal € 1.509.601,75 voorhanden heeft gehad en aldus heeft witgewassen. Dit bedrag komt overeen met het door de ABN AMRO Bank N.V. in haar aanvullende aangifte ter zake van skimming genoemde schadebedrag. Weliswaar is komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachten in de ten laste gelegde periode geldbedragen voorhanden hebben gehad die zij door gebruikmaking van valselijk opgemaakte betaalpassen hebben verkregen, doch niet is komen vast te staan dat de verdachte op enig moment of op enigerlei wijze, al dan niet samen met anderen, over het bedrag van de door de bank geclaimde schade feitelijk heeft kunnen beschikken. Voor zover de steller van de tenlastelegging tevens heeft beoogd het witwassen van enig aanzienlijk minder dan het uitdrukkelijk genoemde geldbedrag, ten laste te leggen, moet worden geconcludeerd dat dit verwijt te onbepaald is. Aldus bezien is het onder 5 ten laste gelegde, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 7 maart 2009

in Nederland en in Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens

opzettelijk en wederrechtelijk met technische hulpmiddelen gegevens heeft afgetapt en heeft opgenomen die niet voor hem, verdachte, en zijn mededaders bestemd waren en die werden verwerkt of werden overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, immers hebben verdachte en zijn mededaders met behulp van zogenaamde downloadpassen en aangepaste kaartidentificatielezers van de ABN AMRO Bank een grote hoeveelheid rekeningnummers en bijbehorende gegevens afgetapt en opgenomen.

3.

hij in december 2008 in Nederland, en in Italië,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte betaalpassen, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten magneetstripkaarten van de ABN AMRO bank, als waren deze echt en onvervalst.

4.

hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 7 maart 2009

in Nederland en in Groot-Brittannië, en in Italië, heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk - het aftappen of opnemen van gegevens die niet voor hem/hen bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk (art. 139e Wetboek van Strafrecht)

en

- het plaatsen van technische hulpmiddelen voor het aftappen en/of opnemen van gegevens die worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk (artikel 139d Wetboek van Strafrecht)

en

- het valselijk opmaken van betaalpassen, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, alsmede het gebruik van deze passen als waren deze echt en onvervalst (art. 232 Wetboek van Strafrecht)

en

- het voorhanden hebben van geldbedragen terwijl hij/zij wist(en), dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf (art. 420bis Wetboek van Strafrecht).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Bruikbaarheid verklaringen [medeverdachte]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, (op die elementen die door de verdachte worden betwist) van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aangezien de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

In het onderhavige geval heeft de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid gehad om [medeverdachte], die voor de verdachte belastende verklaringen tegenover de politie heeft afgelegd, te (doen) ondervragen.

[medeverdachte] is door de officier van justitie opgeroepen om op de terechtzitting van 7 november 2011 een getuigenverklaring af te leggen, doch is bij die gelegenheid niet verschenen. Op 7 november 2011 heeft de rechtbank de hernieuwde oproeping van [medeverdachte] bevolen en zijn medebrenging gelast ter terechtzitting van 8 november 2011, bij welke gelegenheid hij evenmin is verschenen. De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 8 november 2011 medegedeeld over sterke aanwijzingen te beschikken dat [medeverdachte] in Thailand is gedetineerd en dat het naar verwachting minstens een half jaar zal duren eer deze getuige in Thailand kan worden gehoord. Gelet hierop heeft de rechtbank afgezien van een hernieuwde oproeping van [medeverdachte], aangezien het onaannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.

Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) staat aan het gebruik tot het bewijs van een ten overstaan van de politie afgelegde verklaring echter niet in de weg, als de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (vgl. HR 30 maart 2004, LJN: AO2601). In het onderhavige geval is voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde voldoende steun te vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaringen van [medeverdachte], zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, van het bewijs uit te sluiten.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Feiten 1 en 2 - aftappen of opnemen van gegevens die werden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de feiten 1 en 2 moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat er - anders dan de officier van justitie heeft gesteld - niet sprake is geweest van het aftappen of opnemen van gegevens die werden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk. Een kaartidentificatielezer (e-dentifier) zou niet als een geautomatiseerd werk als bedoeld in de artikelen 139c en 139d Sr en gedefinieerd in artikel 80sexies Sr, kunnen worden aangemerkt, omdat in dat apparaat geen verwerking of overdracht van gegevens plaatsvindt.

Dit verweer wordt verworpen.

Vaststaat in dit geval dat met behulp van speciaal daartoe bewerkte e dentifiers en downloadpassen bankpasgegevens en pincodes werden afgetapt en opgenomen. Deze e dentifiers en downloadpassen moeten worden aangemerkt als technische hulpmiddelen. De met die middelen afgetapte en opgenomen bankpasgegevens en pincodes zijn gegevens die verwerkt en overgedragen worden in het computersysteem van de bank, zijnde een geautomatiseerd werk in de zin van de wet. Aldus moet bewezen worden geacht hetgeen onder 1 en 2 aan de verdachte is ten laste gelegd.

Voor strafbaar aftappen of opnemen van gegevens stellen de artikelen 139c Sr en 139d Sr niet de eis dat dit aftappen of opnemen plaatsvindt op het moment dat de betreffende gegevens in een geautomatiseerd werk worden verwerkt of overgedragen.

Feit 4 - Criminele organisatie

Vastgesteld kan worden dat er in dit geval sprake is geweest van een grootscheepse fraude met valse bankpassen, over welke passen men de beschikking kreeg door middel van het zogeheten skimmen. Met behulp van gemanipuleerde identificatiekaartlezers, ook wel e dentifiers genoemd, van de ABN-AMRO werden grote aantallen bankpasgegevens en bijbehorende pincodes opgevangen. Deze e dentifiers waren vanuit Nederland naar Engeland gebracht om daar te worden voorzien van skimelektronica. De aldus gemanipuleerde e dentifiers werden terug naar Nederland gebracht, waar ze in bankfilialen, verspreid over het hele land, werden geplaatst. Na verloop van tijd werden de in de e dentifiers opgeslagen gegevens uitgelezen en opgeslagen op speciaal voor dat doel in Engeland gemaakte downloadpassen. Met behulp van de op de downloadpassen opgeslagen gegevens werden in Engeland valse bankpassen gefabriceerd. Met deze valse passen, die in Engeland moesten worden opgehaald, werden vervolgens in verschillende landen, verspreid over de hele wereld geldopnames gedaan.

Alleen al het bestaan van een dergelijke geraffineerde, professionele werkwijze - waarbij meerdere personen strafbare handelingen pleegden die noodzakelijkerwijs in elkaars verlengde lagen en alle uiteindelijk tot doel hadden het op onrechtmatige wijze verkrijgen van grote geldbedragen - rechtvaardigt de conclusie dat sprake moet zijn geweest van een georganiseerd, gestructureerd samenwerkingsverband. De verdachte wist waar hij mee bezig was. Hij was op de hoogte van de doelstelling van de organisatie. Hij kende, in ieder geval in grote lijnen, haar wijze van opereren en hij heeft welbewust zijn bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de doelstelling van de organisatie.

Een en ander overziend wordt bewezen geacht dat in dit geval sprake is geweest van een criminele organisatie zoals ten laste gelegd en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, meermalen gepleegd;

3. medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De feiten zijn strafbaar.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is er ten aanzien van de feiten 1 en 3 enerzijds en feit 4 anderzijds geen sprake van eendaadse, doch van meerdaadse samenloop, gelet op de verschillende belangen die de strafbepalingen beogen te beschermen.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op professionele en geraffineerde wijze bezig heeft gehouden met - kort gezegd - skimming. De verdachte en zijn medeverdachten hebben in verschillende bankshops van de ABN AMRO Bank gemanipuleerde e dentifiers - waarmee toegang tot het zogenaamde internetbankieren kan worden verkregen - geplaatst, waarmee pasgegevens en pincodes van betaalpassen van rekeninghouders werden afgetapt en opgenomen. Met behulp van speciaal ontwikkelde downloadpassen werden de verzamelde gegevens uitgelezen. Deze gegevens werden door de organisatie vervolgens gebruikt voor het vervaardigen van valse betaalpassen, waarmee diverse geldbedragen werden gecasht en witgewassen.

Skimming is een ernstige en hinderlijke vorm van criminaliteit die veel schade aanricht bij financiële instellingen en gebruikers van bancaire producten. Het verrichten van betalingen middels internetbankieren is een algemeen geaccepteerde betalingswijze die veelvuldig door consumenten wordt gebruikt. Het is maatschappelijk en economisch van groot belang dat consumenten hun vertrouwen in het internetbankieren behouden. Dit vertrouwen wordt ernstig geschaad als blijkt dat tijdens het internetbankieren de gegevens van een betaalpas en de pincode door derden onrechtmatig kunnen worden verkregen en daarna geldbedragen van de bijbehorende rekeningen kunnen worden opgenomen, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd. Voor de bank levert dit een forse schadepost op, omdat zij de getroffen rekeninghouders schadeloos stelt. Voor de rekeninghouders levert dit veel last en hinder op; zij moeten nieuwe betaalpassen aanvragen en kunnen in elk geval totdat de bank hen schadeloos heeft gesteld niet beschikken over de ten onrechte van hun rekeningen opgenomen gelden.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich bij het plegen van de onderhavige feiten uitsluitend heeft laten leiden door zijn verlangen naar geldelijk gewin en dat hij daarbij niet heeft gelet op de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden en het betalingsverkeer in het algemeen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een belangrijke rol heeft vervuld binnen de criminele organisatie. De verdachte was veelvuldig betrokken bij het aanleveren en plaatsen van de skimapparatuur in bankshops en het leeghalen van deze skimapparatuur door middel van downloadpassen. De verdachte gaf in dit verband instructies aan zijn medeverdachten. Ook was hij betrokken bij het met gebruikmaking van valse betaalpassen cashen van diverse geldbedragen en vervulde daarbij een coördinerende rol.

Uit het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2011 blijkt dat hij bij vonnis van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 13 juli 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens mensenhandel en valsheid in geschrift. De rechtbank zal hier, met toepassing van artikel 63 Sr, bij de strafoplegging rekening mee houden.

Voorts is in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het feit dat hij openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen e-dentifier en de betaalpassen voorzien van de codes CA002.001.001.001.002 en CA002.001.001.001.001 te onttrekken aan het verkeer en de in beslag genomen computers verbeurd te verklaren.

De in beslag genomen e-dentifier en de betaalpassen voorzien van de codes CA002.001.001.001.002 en CA002.001.001.001.001 zullen worden onttrokken aan het verkeer. De bewezen verklaarde feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan of zijn tot het begaan van de feiten bestemd en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Ten aanzien van de in beslag genomen computers van de merken HP en Acer zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Het is onvoldoende komen vast te staan dat deze computers mede zijn gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten of dat zich daarop gegevens (zoals databestanden of software) bevinden waarvan het ongecontroleerd bezit in strijd is met de wet.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1.509.601,75.

Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling van deze, door de verdachte gemotiveerd betwiste, vordering van de benadeelde partij, waar een onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die de vordering heeft ingediend, naar de omvang van de schade en naar de causaliteit deel van uitmaakt, een onevenredige belasting op van het strafgeding. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding te bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 63, 139c, 140 en 232 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten;

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de e-dentifier en de betaalpassen voorzien van de codes CA002.001.001.001.002 en CA002.001.001.001.001;

- gelast de teruggave aan verdachte van: de computers van de merken HP en Acer;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Russell-van der Hoeven en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Schut, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2011.

Bijlage bij vonnis van 28 november 2011:

TEKST GEWIJZIGDE NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 2 februari 2010

te Leeuwarden en/of Assen en/of Amsterdam en/of Alkmaar, althans in Nederland en/of

te London, althans in Groot-Brittannië, en/of in Milaan, althans in

Italië

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk en wederrechtelijk met (een) technisch(e) hulpmiddel(en) gegevens heeft afgetapt of heeft opgenomen die niet voor hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestemd waren en die werden verwerkt of werden overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van (een) geautomatiseerd(e) werk(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met behulp van zogenaamde downloadpassen en/of aangepaste kaartidentificatielezers (van onder meer de ABN AMRO Bank) een (grote) hoeveelheid rekeningnummers en/of bijbehorende gegevens (in elk geval 2354 rekeningnummers van de ABN AMRO Bank)

afgetapt en/of opgenomen;

art. 139e Wetboek van Strafrecht

art. 47 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 2 februari 2010 te Leeuwarden,althans in Nederland en/of te London, althans in

Groot-Brittannië, en/of in Milaan, althans in Italië,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal (telkens)

met het oogmerk om opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens af te tappen of op te nemen die niet voor verdachte en/of zijn mededader(s) bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk, (een) technisch(e) hulpmiddel(en) dat/die hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen was/waren tot het plegen van dat misdrijf heeft vervaardigd,

verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld of voorhanden heeft gehad, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een (grote) hoeveelheid kaartidentificatielezers (onder meer zogenaamde e.dentifiers van ABN AMRO) en/of zogenaamde downloadpassen

(gelijkend op betaal- en /of chipknippassen van onder meer ABN AMR0) dusdanig gemodificeerd en/of geprogrammeerd en/of de hiertoe benodigde software ontworpen dat met behulp van deze kaartlezers en passen rekeningnummers en bijbehorende (PIN) gegevens (van onder meer ABN AMRO klanten) afgetapt en/of opgenomen werden, dan wel konden worden;

art. 139d Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 2 februari 2010 te gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, en/of te London, althans in

Groot-Brittannië, en/of in Milaan, althans in Italië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk (een) betaalpas(sen), (een) waardekaart(en), enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten een (grote)

hoeveelheid magneetstripkaarten (betaal- althans chipknippassen (onder meer van de ABN AMR0 bank), valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst met het oogmerk zichzelf en/of zijn mededader(s) en/of (een) ander(en) te bevoordelen, en/of

dat hij gebruik heeft gemaakt van deze kaarten, passen of dragers als ware deze echt en onvervalst;

art. 232 Wetboek van Strafrecht

art. 47 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 2 februari 2010 te Leeuwarden, althans in Nederland en/of te London, althans in

Groot-Britannië, en/of in Milaan, althans in Italië, heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder andere)

- het aftappen of opnemen van gegevens die niet voor hem/hen

bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk (art. 139e Wetboek van Strafrecht)

en/of

-het plaatsen van technische hulpmiddel(en) voor het aftappen en/of opnemen van gegevens door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk (artikel 139d Wetboek van Strafrecht)

-het valselijk opmaken en/of vervalsen van betaalpassen, waardekaarten en/of andere voor het publiek beschikbare kaarten of dragers van

identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, alsmede het gebruik van deze kaarten, passen of dragers als ware deze echt en onvervalst (art. 232 Wetboek van Strafrecht)

en/of

-het voorhanden hebben van een of meer geld(bedragen) terwijlhij/zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dit/deze geldbedrag(en) afkomstig uit enig misdrijf (art. 420bis Wetboek van Strafrecht);

art. 140 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode 6 mei 2009 tot en met 2 februari 2010,

te Leeuwarden, althans in Nederland en/ofte London, althans in Groot-Brittannië, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal 1.509.601 euro en 75 eurocent), voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat geldbedrag -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art. 420bis Wetboek van Strafrecht