Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU6118

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/816
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag kinderbijslag, omdat eiseres op de eerste dag van het betreffende kwartaal niet verzekerd was in de zin van de AKW.

Rb.: In zijn arresten van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 (LJN BP1466 respectievelijk BP6285) heeft de Hoge Raad naar aanleiding van cassatieberoepen tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep omtrent het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten, waaronder de AKW, geoordeeld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Acht slaand op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval – in het bijzonder het langdurige eerdere verblijf in Nederland, de nationaliteit van eiseres en de diverse persoonlijke banden van eiseres en haar kinderen met Nederland – en bij gebreke van omstandigheden die in een andere richting wijzen, is de Rb. van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat op 1 april 2010 geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen eiseres en Nederland en dat eiseres om die reden op die datum geen ingezetene en derhalve niet verzekerd was voor de AKW. Hierbij neemt de Rb. in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat eiseres niet langer wordt tegengeworpen dat zij niet werkt.

Bestreden besluit wegens strijd met art. 3, eerste lid, van de AKW vernietigd. Ter zitting is met partijen besproken dat wanneer de Rb. tot dit oordeel zou komen, nog nader onderzoek door verweerder naar, in elk geval, het inkomen van de kinderen noodzakelijk zou zijn om het recht op kinderbijslag van eiseres vast te kunnen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/816 AKW-T2

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. D. de Heuvel, advocaat te Dordrecht,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (vestiging Rotterdam), verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 24 januari 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 november 2010 ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2011. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

2 Overwegingen

2.1 Ter beoordeling staat of verweerder de door eiseres op 18 oktober 2010 aangevraagde kinderbijslag voor haar minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] terecht met ingang van het tweede kwartaal van 2010 heeft afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres op de eerste dag van dat kwartaal niet verzekerd was in de zin van de Algemene kinderbijslagwet (hierna: AKW), omdat zij toen geen ingezetene was als bedoeld in artikel 2 van de AKW.

2.2 Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van de wet degene die in Nederland woont. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW wordt waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze beoordeling in het bestreden besluit heeft plaatsgevonden aan de hand van inmiddels achterhaald beleid en in zoverre niet meer klopt, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, gelet op verweerders nieuwe en nog niet gepubliceerde beleid terzake, voorshands neergelegd in de brief aan de rechtbank van 10 augustus 2011 (hierna: het beleid), welke brief ter zitting in afschrift aan eiseres is verstrekt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3 In zijn arresten van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 (LJN BP1466 respectievelijk BP6285) heeft de Hoge Raad naar aanleiding van cassatieberoepen tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep omtrent het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten, waaronder de AKW, geoordeeld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands juridische, sociale of economische binding met een land, aldus de Hoge Raad.

2.4 In verweerders beleid, dat tot stand is gekomen naar aanleiding van de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, is onder meer het volgende opgenomen:

“Hoewel de vraag waar iemand woont moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden, blijkt uit de jurisprudentie en het OESO Modelverdrag voor Belastingen naar Inkomen en Vermogen dat aan het kunnen beschikken over een duurzame woning veel belang moet worden gehecht. De SVB acht de aanwezigheid van een duurzame woning daarom doorslaggevend in situaties waarin aan de hand van het geheel van feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld waar een betrokkene woont en de betrokkene slechts over één duurzame woning beschikt. Uit de jurisprudentie en het OESO Modelverdrag blijkt dat een woning als duurzaam moet worden beschouwd als de woning permanent ter beschikking staat van betrokkene en door hem te allen tijde kan worden betrokken. Tevens moet duidelijk zijn dat de woning niets slechts bedoeld is voor korte verblijven, zoals in geval van een vakantiewoning, een pied à terre voor zakelijk gebruik, studie en dergelijke. Indien een woning permanent door anderen dan de betrokkene en de ten laste komende gezinsleden van de betrokkene wordt gebruikt rijst het vermoeden dat de woning niet geacht kan worden permanent ter beschikking te staan van de betrokkene of niet te allen tijde door hem kan worden betrokken. In dat geval neemt de SVB aan dat deze woning in ieder geval niet als duurzame woning kan worden aangemerkt, als de betrokkene elders over een duurzame woning beschikt.”

2.5 In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet als ingezetene kan worden aangemerkt, omdat zij met haar twee minderjarige kinderen inwoont bij haar meerderjarige zoon en er dus geen sprake is van een duurzame woning. Voor zover verweerder hiermee toepassing heeft willen geven aan het hiervoor aangehaalde beleid, kan de rechtbank dat niet volgen, nu niet is gebleken dat eiseres ten tijde in geding elders - buiten Nederland - over een duurzame woning beschikte. Voorts bestaat in het licht van de genoemde arresten geen aanleiding om aan het niet beschikken door eiseres over zelfstandige woonruimte het gewicht toe te kennen dat verweerder daaraan kennelijk heeft toegekend.

2.6 De onderhavige zaak wordt gekenmerkt door de volgende feiten en omstandigheden.

- Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit.

- Eiseres is in december 1999 naar Nederland verhuisd. In januari 2009 is zij vanuit Nederland naar Duitsland en later naar Groot-Brittannië verhuisd. In februari 2010 is zij naar Nederland teruggekeerd.

- Ten tijde van de verhuizing naar Duitsland was het de bedoeling van eiseres Nederland definitief te verlaten. Zij verkeerde in de veronderstelling dat het – ondanks haar vijf in Nederland achtergebleven andere kinderen – voor [kind 1] en [kind 2] beter was om bij haar broer in Duitsland of bij een andere broer van eiseres in Groot-Brittannië te wonen.

- Eiseres woont sinds februari 2010 met [kind 1] en [kind 2] bij haar zoon in[plaats] en betaalt daarvoor huur. Zij staat ingeschreven als woningzoekende. Blijkens verklaringen van haar huisarts van 10 november 2010 en 15 december 2010 heeft eiseres een medische indicatie om met urgentie een woning aangeboden te krijgen in Krimpen aan den IJssel, waar zij voorheen ook heeft gewoond.

- Eiseres ontvangt sinds september 2010 een bijstandsuitkering. Zij is bij besluit van 25 november 2010 op grond van medische/psychische redenen tot 1 november 2011 ontheven van de arbeidsplicht.

- Eiseres heeft familieleden in Nederland wonen en haar kinderen gaan hier naar school, in klassen met dezelfde leerlingen als voor het vertrek naar Duitsland.

- Direct na terugkomst naar Nederland is eiseres actief lid geworden van een sportschool en van een stichting in Krimpen aan den IJssel; [kind 1] en [kind 2] zijn lid van een voetbalvereniging respectievelijk een fitnessclub.

2.7 Acht slaand op al deze in aanmerking komende omstandigheden van het geval – in het bijzonder het langdurige eerdere verblijf in Nederland, de nationaliteit van eiseres en de diverse persoonlijke banden van eiseres en haar kinderen met Nederland – en bij gebreke van omstandigheden die in een andere richting wijzen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat op 1 april 2010 geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen eiseres en Nederland en dat eiseres om die reden op die datum geen ingezetene en derhalve niet verzekerd was voor de AKW. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat eiseres niet langer wordt tegengeworpen dat zij niet werkt.

2.8 Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3, eerste lid, van de AKW moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Ter zitting is met partijen besproken dat wanneer de rechtbank tot dit oordeel zou komen, nog nader onderzoek door verweerder naar, in elk geval, het inkomen van de kinderen noodzakelijk zou zijn om het recht op kinderbijslag van eiseres vast te kunnen stellen. Gelet hierop zal de rechtbank aan verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.9 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 874,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 7,50 aan op het formulier proceskosten verzochte reiskosten. Een ook op dat formulier vermelde post van € 10,- aan verschotten is, ondanks een verzoek daartoe op dat formulier, niet gespecificeerd en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 881,50 en bepaalt dat, nu aan eiseres een toevoeging is verleend, de hierin begrepen € 874,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. M.C. Woudstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier.

De griffier:          De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 17 november 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: