Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU5268

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
1231581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Relatiebeding. Eiser is in loondienst geweest bij gedaagde. In de arbeidsovereenkomst was een relatiebeding opgenomen, inhoudend dat eiser tot twee jaar na uitdiensttreding geen zakelijk relatie mag aangaan met klanten van gedaagde. Eiser vordert dat gedaagde hem een lijst met haar relaties overlegt. Gedaagde stelt dat zij hierdoor in haar belangen zou worden geschaad en dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat gedaagde de lijst aan eiser zou verstrekken. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de lijst met haar relaties aan eiser dient te strekken, of dat zij eiser van het relatiebeding dient te ontslaan. Het is niet werkbaar voor eiser in diens nieuwe betrekking, dat hij voortdurend bij gedaagde moet nagaan of een potentiële klant een relatie van gedaagde zou zijn, zeker nu gedaagde tussen de 300 en 500 relaties heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0970
RAR 2012/35

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

woonplaats: [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 5 april 2011,

gemachtigde: mr. P.K.B. Palazzi te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

woonplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.J. de Groen te Sassenheim.

Partijen worden hierna aangeduid met “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van het proces

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

• het exploot van dagvaarding van 5 april 2011;

• de conclusie van antwoord;

• het tussenvonnis van 17 mei 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

• de brief met bijlage van 30 augustus 2011 van [eiser];

• het proces-verbaal van de op 2 september 2011 gehouden comparitie van partijen;

• de conclusie van repliek;

• de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. [eiser] is van 1 januari 2007 tot 15 december 2010 in dienst geweest bij [gedaagde] in de functie van commercieel manager. [eiser] heeft ontslag genomen. Op 15 december 2010 is de arbeidsovereenkomst geëindigd.

2.2 In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:

Artikel 11 (..) Relatiebeding

11.4 Gedurende twee jaar na het einde van arbeidsovereenkomst is het werknemer verboden zaken te doen met of werkzaam te zijn ten behoeve van relaties van werkgever. Als relaties van werkgever worden beschouwd klanten van werkgever en zij die gedurende de arbeidsovereenkomst van de werkgever een offerte hebben ontvangen.”.

11.5 Bij overtreding van één van de bepalingen van dit artikel is werknemer aan werkgever zonder voorafgaande aanmaning een direct opeisbare boete ten bedrage van € 1.000,00 voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 1.000,00 voor iedere dag – ongeacht of hierop gebruikelijk wordt gewerkt of niet – dat de overtreding voortduurt.”.

2.3 Op 28 september 2010 heeft [gedaagde] het volgende e-mailbericht aan [eiser] gezonden:

“Beste Bart

Graag het volgende bevestigen

- Dienstverband eindigt op 15/12/2010 (..)

- Jij komt met voorstel voor relatiebeding lijst”.

2.4 Op 29 september 2010 heeft [gedaagde] het volgende e-mailbericht aan [eiser] gezonden:

“Ik kom met voorstel voor relatiebeding lijst per 14 december aangezien hij op dat moment geactualiseerd is, ook kunnen door mij uitzonderingen gemaakt worden waarbij bepaalde klanten worden uitbesteed aan jouw nieuwe werkgever en wij daar inkopen en door jou de klant laten verzorgen”.

3. De vordering

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot afgifte aan [eiser] van de lijst met relaties, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, alsmede tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 37,00 aan buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding.

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag. Partijen hebben in het kader van het einde van het dienstverband afspraken gemaakt over afgifte van een lijst van relaties, welke als gevolg van het tussen partijen geldende relatiebeding niet door [eiser] benaderd mogen worden (hierna te noemen: relatielijst). [gedaagde] weigert deze afspraken na te komen. [eiser] heeft belang bij afgifte van die relatielijst.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- aangevoerd.

4.1 Partijen zijn niet overeengekomen dat [gedaagde] een relatielijst aan [eiser] afgeeft.

4.2 Ook anderszins is [gedaagde] dat niet verplicht.

4.3 [eiser] heeft geen belang bij afgifte van zo’n lijst, omdat hij te allen tijde bij [gedaagde] kan langskomen of hen kan bellen om te vragen of een bepaalde partij op deze lijst staat.

4.4 [gedaagde] heeft er belang bij om een relatielijst niet af te geven om zo haar relaties te beschermen tegen benadering door (collega’s van) [eiser].

4.5 De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten moet worden afgewezen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1. [eiser] heeft allereerst gesteld dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] aan hem een relatielijst zou afgeven. [gedaagde] heeft dit betwist. Vervolgens heeft [eiser] tijdens de comparitie van partijen gesteld dat partijen niet expliciet hebben afgesproken dat die lijst aan hem afgegeven zou worden. Uit de onder 2.3 en 2.4 geciteerde emailberichten kan evenmin worden afgeleid dat partijen expliciet hebben afgesproken dat [gedaagde] een relatielijst aan [eiser] zou afgeven. De kantonrechter is op grond hiervan van oordeel dat [eiser] - tegenover de betwisting van [gedaagde] - onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat aan [eiser] een relatielijst afgegeven zou worden. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen.

5.2 [eiser] heeft daarnaast gesteld dat hij er van mocht uitgaan dat [gedaagde] aan hem een relatielijst zou afgeven. Hij heeft dit als volgt onderbouwd. [eiser] heeft bij het uitvoeren van zijn huidige werkzaamheden belang bij duidelijkheid over welke partijen hij mag benaderen of accepteren als klant. Hij wil er zeker van zijn dat hij geen relaties van [gedaagde] benadert. [eiser] weet niet welke 300 à 500 relaties er op de relatielijst staan. Het is niet werkbaar om steeds [gedaagde] op te bellen of langs te gaan met de vraag of een bepaalde partij op de relatielijst staat. Het is gebruikelijk dat een relatielijst wordt afgegeven aan een vertrekkende medewerker. [gedaagde] moet, gelet op de belangen van [eiser], een relatielijst aan hem afgeven. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] hiermee een beroep doet op het beginsel van goedwerkgeverschap van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In zoverre vult de kantonrechter de rechtsgronden aan.

5.3 De kantonrechter stelt voorop dat, ingevolge de werking van artikel 7:611 BW, een werkgever zich als een goed werkgever moet gedragen en als zodanig de belangen van de werknemer moet meewegen bij zijn beslissingen. Deze eis kan ook gelden als het dienstverband reeds is geëindigd, temeer wanneer werkgever en werknemer ook in deze fase nog verplichtingen over en weer jegens elkaar hebben. Partijen zijn een relatiebeding overeengekomen. In de nakoming van de hieruit voorvloeiende verplichtingen is [gedaagde] dan ook gehouden zich als goed werkgever te gedragen en de belangen van [eiser] mee te wegen bij haar beslissingen.

5.4 [eiser] heeft voldoende gesteld dat hij bij de uitvoering van zijn huidige werkzaamheden belang heeft om te weten welke potentiële klanten binnen het relatiebeding vallen. Hij mag deze klanten namelijk niet benaderen en evenmin ingaan op benaderingen van deze klanten in zijn richting, terwijl zijn werk nu juist bestaat uit het werven van klanten. Tussen partijen staat vast dat 300 à 500 relaties onder het relatiebeding vallen. De stelling van [eiser], dat hij deze relaties niet allemaal bij name kent, komt de kantonrechter aannemelijk voor en is ook onvoldoende onderbouwd betwist. [eiser] is hierbij dan ook afhankelijk van informatie van [gedaagde]. [gedaagde] heeft aangeboden dat [eiser] haar kan bellen of kan langskomen met de vraag of een bepaalde klant binnen het relatiebeding valt. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat dit geen redelijke werkwijze is. Onbetwist heeft [eiser] gesteld dat hij gedurende de gehele werkdag klanten benadert en door klanten wordt benaderd. Het is onwerkbaar, indien hij steeds [gedaagde] moet bellen met de vraag of een bepaalde klant binnen het relatiebeding valt.

5.5 [gedaagde] heeft gesteld dat zij belang heeft om afgifte van een relatielijst te voorkomen. Zij is bang dat [eiser] zijn collega’s deze relaties laat benaderen of dat hij, na ommekomst van de termijn dat het relatiebeding geldt, dit zelf gaat doen. [eiser] heeft hier tegenover gesteld dat hij sowieso na ommekomst van deze termijn vrij is om dat te doen en dat het niet zijn intentie is om relaties van [gedaagde] te benaderen, maar juist via het in handen krijgen van een relatielijst er zeker van kan zijn dat hij geen “verboden” relaties benadert. Beide partijen hebben gesteld dat er ontelbare potentiële relaties zijn op het marktgebied waarop partijen zich bewegen.

5.6 [gedaagde] verlangt van [eiser] dat hij het tussen partijen overeengekomen relatiebeding naleeft. De eisen van goed werkgeverschap brengen naar het oordeel van de kantonrechter dan met zich dat [gedaagde] documenteert ten aanzien van welke relaties dat beding geldt, zeker nu tussen partijen vaststaat dat het gaat om 300 tot 500 relaties. Voldoende duidelijk is dat [eiser] in zijn nieuwe betrekking niet behoorlijk kan functioneren, wanneer hij niet weet met welke klanten hij geen zaken mag doen. Hij heeft derhalve een zwaarwegend belang bij afgifte van die relatielijst. Tegenover het zwaarwegend belang van [eiser] wegen de belangen van [gedaagde] minder zwaar en werkgeefster heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat afgifte van de relatielijst voor haar ernstige onomkeerbare gevolgen heeft.

Indien [gedaagde] ernstige bezwaren houdt tegen de verstrekking van de relatielijst, kan zij er uiteraard voor kiezen om [eiser] te ontslaan uit zijn verplichtingen voortvloeiend uit het relatiebeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is het echter van tweeën een, of [gedaagde] houdt [eiser] aan het relatiebeding, in welk geval de eisen van goed werkgeverschap met zich brengen dat zij tegenover [eiser] helderheid schept ten aanzien van welke relaties het beding geldt door hem een relatieoverzicht te verstrekken, óf zij ontslaat [eiser] uit de verplichtingen uit het relatiebeding in welk geval [eiser] uiteraard ook geen belang heeft bij de afgifte van de relatielijst.

5.7 [gedaagde] zal derhalve een lijst moeten afgeven aan [eiser] met de relaties die volgens haar onder het tussen partijen overeengekomen relatiebeding vallen, dat zijn alle klanten van [gedaagde] en de relaties die gedurende het dienstverband van [eiser] van werkgever een offerte ontvangen hebben. Het staat [gedaagde] natuurlijk vrij om, indien zij het ontslag uit de verplichtingen uit het relatiebeding wil voorkomen en desondanks geen lijst van alle klanten vrij wil geven, een lijst van de relaties af te geven tot wie zij het beding alsnog wil beperken. Bedoelde verplichting geldt niet in het geval [gedaagde] [eiser] binnen de hierna genoemde termijn schriftelijk bevestigt dat hij door haar ontslagen is uit zijn verplichtingen voortvloeiend uit het relatiebeding.

De kantonrechter ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren, zoals hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.

5.8 De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] dergelijke kosten heeft moeten maken. [eiser] heeft hiertegenover niets meer gesteld. Uiteindelijk heeft [eiser] dan ook onvoldoende gesteld dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] een lijst te verstrekken van de relaties die onder het tussen partijen overeengekomen relatiebeding vallen, tenzij [gedaagde] binnen genoemde termijn schriftelijk aan [eiser] bevestigt dat zij hem ontslaat uit zijn verplichtingen voortvloeiend uit bedoeld relatiebeding;

veroordeelt [gedaagde] - voor het geval zij [eiser] binnen genoemde termijn niet heeft ontslagen uit zijn verplichtingen voortvloeiend uit het relatiebeding - tot betaling van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft met de afgifte van de hiervoor bedoelde relatielijst en bepaalt dat [eiser] maximaal € 50.000,- zal verbeuren;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 147,31 aan verschotten en € 375,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Buizer en uitgesproken ter openbare terechtzitting.