Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU5000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
10/950666-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leerplichtzaak. Vrijspraak in verband met vrijstelling. Niet gezegd kan worden dat de bedenkingen van verdachte (op grond van de levensovertuiging gebaseerd op het objectivisme) niet (ook) de richting van het onderwijs betreffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer 10/950666-11

Uitspraak d.d. 17 november 2011

Vonnis

van de kantonrechter te Rotterdam

in de strafzaak tegen

[NAAM VERDACHTE],

geboren [GEBOORTEDATUM] 1969 te [GEBOORTEPLAATS] (Suriname),

wonende te [WOONADRES],

raadsman drs. P.J. van Zuidam.

1. Terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

d.d. 4 november 2011.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is verdachte verschenen, bijgestaan door zijn raadsman drs. P.J. van Zuidam. Verder was aanwezig de heer [NAAM], leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in de maand juni 2011, in ieder geval op 21 juni 2011 te Rotterdam, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere genaamd [NAAM JONGERE], geboren [GEBOORTEDATUM] 2006, althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van de jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school in de zin van artikel 1 van genoemde wet was ingeschreven, zulks terwijl de jongere op 1 april 2011 de leeftijd van vijf jaar had bereikt.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. Dubbelman heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 280,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis. Waar nodig wordt hierna nader op het standpunt van de officier van justitie ingegaan.

4. Het standpunt van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken op grond (samengevat) dat deze een rechtmatig beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 heeft gedaan, daardoor van zijn verplichting tot inschrijving van zijn dochter is ontheven en mitsdien het ten laste gelegde feit niet heeft gepleegd. Hij heeft daarbij behalve op de tekst van de Leerplichtwet 1969 ook een beroep gedaan op artikel 9 EVRM, artikel 2 Eerste Protocol EVRM en op artikel 1 Twaalfde protocol EVRM.

Waar nodig wordt hierna nader op het standpunt van de (raadsman van de) verdachte ingegaan.

5. Wettelijke regeling

De ten deze relevante wettelijke bepalingen luiden (voor zover van belang) als volgt:

Artikel 2. Verantwoordelijke personen

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt(…)

Artikel 5. Gronden voor vrijstelling van inschrijving

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

(…)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

(…)

Artikel 6. Kennisgeving

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht,(…).

Artikel 8. Bedenkingen tegen richting van school

1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

(…)

6. Inschrijving van de jongere als leerling van een school

Verdachte heeft het gezag over zijn dochter [NAAM JONGERE]. Hij heeft haar niet ingeschreven als leerling van een school.

7. De bewijsmiddelen.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende dossierstukken:

- het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 6 juli 2011, met 11 bijlagen;

- de brief, met bijlagen, van de raadsman van verdachte d.d. 20 oktober 2011;

- de brief met de concept pleitnota van mr. Zuidam d.d. 28 oktober 2011;

- het op schrift gestelde requisitoir van de officier van justitie; - - de (aanvullende) pleitnota van mr. Zuidam; - het proces verbaal van de terechtzitting van 4 november 2011.

8. De beoordeling

8.1. De kantonrechter dient eerst te bezien of het feit naar Nederlands recht bewezen kan worden verklaard. Als dit niet het geval is komt toetsing aan de verdragsartikelen niet aan de orde.

8.2. Verdachte en zijn partner hangen het objectivisme aan. Bij brief van 2 februari 2010 hebben verdachte en zijn partner aan burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te kennen gegeven dat ze aanspraak menen te mogen maken op vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 en hebben met het oog daarop verklaard dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst kan worden, overwegende bedenkingen bestaan.

8.3. Volgens de officier van justitie betreft het bezwaar van de verdachte niet de richting van het onderwijs op de door hem genoemde scholen. Zij heeft verwezen naar de omschrijving van objectivisme in Wikipedia (2 november 2011) waaruit zij het volgende heeft geciteerd: “het objectivisme is een filosofie ontwikkeld door Ayn Rand(1905-1982) met onder andere opvattingen over de metafysica, epistemologie, ethiek, politiek en de esthetica. De mens als heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als het hoogste ethische doel, met productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige absoluut, beschrijft in essentie het objectivisme; Ayn Rand zag het objectivisme ook wel als de filosofie voor het leven op aarde. Epistemologie stond volgens Ayn Rand centraal in haar filosofie. Door middel van zintuigelijke waarneming en redeneren kan, volgens objectivistische epistemologie, absolute objectieve kennis verkregen worden over dat wat is”.

8.4. De officier van justitie betoogt verder dat epistemologie een kennistheorie is die binnen de filosofie een zeer algemene leer is, die voor veel specialismen een onmisbare basis vormt. In de kennistheorie bestaan er dan weer verschillende stromingen. objectivisme past dan binnen een rij met opponerende stromingen, zoals constructivisme, interactionisme of subjectivisme. Naar de opvatting van de officier van justitie voldoet het objectivisme daarmee niet aan de omschrijving van een welbepaalde levensbeschouwing, die in Nederland breed verspreid is en een aanhang van een zekere omvang en volgelingen kent en doorwerkt in meerdere aspecten van het maatschappelijk leven. Er wordt volgens de officier van justitie daarom niet voldaan aan de omschrijving van het begrip richting, zoals dat in de rechtspraak is bepaald: een fundamentele oriëntatie en welbepaalde levensovertuiging.

8.5. Verdachte en zijn partner hebben ter adstructie van hun standpunt dat hun bedenkingen de richting van het op de door hen genoemde scholen gegeven onderwijs betreffen in hun brief aan burgemeester en wethouders van Rotterdam d.d.13 april 2010 het volgende aangevoerd:

- “De term objectivisme is niet hetzelfde als objectivisme zoals dat wordt gebruikt in de website Http://:www.competentonderwijs.nl/anderslerenandersorganiseren.htm.

(De verdachte doelt hier kennelijk op de passage in deze website die als volgt luidt: “Onderwijs is in al zijn tradities geënt op een volledig andere visie op leren. Deze visie op leren wordt wel aangeduid als objectivisme. In de objectivistische visie is leren het vergaren van kennis. Die kennis wordt beschouwd als een op zichzelf en onafhankelijk van het menselijk verstand bestaand fenomeen. Kennis kan, volgens het objectivisme dan ook aangeboden en overgedragen worden en zelfs in boeken gevat” ktr.).

- Het gaat hier echter om de levensbeschouwing, zoals de romanschrijfster Ayn Rand deze heeft beschreven. Om dit toe te lichten zal ik antwoorden van Ayn Rand en William Thomas bijvoegen: (…) My philosophy, in essence, is the concept of man as a heroic being, with his own happeniness as the moral purpose of his life, with productive achievement as his noblest activity, and reason as his only absolute” ( - Ayn Rand, Appendix Atlas shrugged)” (…) Objectivism is the philosophy of rational individualism founded by Ayn Rand(1905-1982). In novels such as The Fountainhead and Atlas Shrugged, Rand dramatized her ideal man, the producer who lives by his own effort and does not give or receive the undeserved, who honors achievement and rejects envy. Rand laid out the details of her world-view in nonfiction books such as The Virtue of Selfishness and Capitalism: The Unknown Ideal. Objectivism holds that there is no greater moral goal than achieving happiness. But one cannot achieve happiness by wish or whim. Fundamentally, it requires rational respect for the facts of reality, including the facts about our human nature and needs. Happiness requires that one live by objective principles, including moral integrity and respect for the rights of others. Politically, Objectivists advocate laissez-faire capitalism. Under capitalism, a strictly limited government protects each person's rights to life, liberty, and property and forbids that anyone initiate force against anyone else. The heroes of Objectivism are achievers who build businesses, invent technologies, and create art and ideas, depending on their own talents and on trade with other independent people to reach their goals. Objectivism is optimistic, holding that the universe is open to human achievement and happiness and that each person has within him the ability to live a rich, fulfilling, independent life. This idealistic message suffuses Rand's novels, which continue to sell by the hundreds of thousands every year to people attracted to their inspirational storylines and distinctive ideas.”

8.6. In een verklaring van 30 juni 2011 heeft verdachte het volgende aangevoerd:

“Verder wil ik verklaren dat ik van een school eis dat deze mijn levensovertuiging actief uitdraagt bijvoorbeeld in de vorm van een gebed in de ochtend, een overdenking of overweging. Ik wil dat de school een kind leert nadenken hoe het leven volgens mijn overtuiging, het gedachtengoed van het objectivisme, in elkaar zit. Ik heb veel schoolgidsen en schoolstatuten doorgelezen. Ik heb geen school gevonden die aan deze overtuiging of visie voldoet. Ik geef thuisonderwijs. Dat betekent dat ik veel geld en tijd investeer in het onderwijs van mijn kind ".

8.7. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter, indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969, te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen, met dien verstande dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van genoemde bepaling de wetgever niet heeft gewild dat de rechter het gewicht van zulke bezwaren beoordeelt.

8.8. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de in de bewuste bepaling opgenomen vrijstellingsgrond in het leven is geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren (Kamerstukken II 1897-1898, 160, nr. 3, p. 4). De kantonrechter verstaat -in navolging van andere rechters- onder ‘richting’ een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (oftewel -in de woorden van de officier van justitie- een fundamentele oriëntatie en welbepaalde levensovertuiging). Wanneer een dergelijke fundamentele oriëntatie en welbepaalde levensovertuiging in Nederland ook nog breed verspreid is en een aanhang van een zekere omvang en volgelingen kent en doorwerkt in meerdere aspecten van het maatschappelijk leven, zijn dat omstandigheden die mede bij de beoordeling een rol kunnen spelen, maar als die omstandigheden zich niet voordoen betekent dat nog niet dat van een richting in de zin van de Leerplichtwet 1969 geen sprake zou zijn.

8.9. Onder ‘overwegende bedenkingen’ tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Dat betekent dat de verdachte dient aan te geven welke de bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of dit bezwaar de richting van het op die scholen gegeven onderwijs betreft.

8.10. Volgens de officier van justitie is niet duidelijk welke wezenlijke bedenkingen verdachte nu precies koestert tegen de richting van het voor verdachtes kind beschikbare onderwijs, bijvoorbeeld tegen de richting van een openbare school. Op openbare scholen wordt lesgegeven los van godsdienst of levensbeschouwing. Waarom daarbij sprake zou zijn van strijdigheid met beginselen van het objectivisme of waarom dit andere bedenkingen oplevert is niet duidelijk geworden, aldus de officier van justitie. Volgens haar lijkt het bij het objectivisme vooral te gaan om de wijze van kennis vergaren en is er dan eerder sprake van een verschil van inzicht omtrent de wijze van lesgeven of het soort onderwijs dan omtrent de richting van het onderwijs.

8.11. Op zichzelf is wel duidelijk dat de bedenkingen van verdachte inhouden dat op geen van de door hem genoemde scholen het onderwijs vanuit objectivistische principes wordt gegeven. Ook de officier van justitie gaat er blijkens het verhandelde ter zitting vanuit dat op geen van de binnen een redelijk afstand van de woning van verdachte gelegen scholen onderwijs vanuit objectivistische principes wordt gegeven. De te beantwoorden vraag is in dit geval of verdachtes bedenkingen wel de richting van het onderwijs betreffen en niet veeleer de soort van het onderwijs of de wettelijke inrichting ervan.

8.12. Een redelijke wetstoepassing brengt, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van genoemde bepaling waaruit blijkt dat de wetgever niet heeft gewild dat de rechter het gewicht van bedenkingen tegen de richting van het in de buurt beschikbare onderwijs beoordeelt, met zich mee dat de rechter bij de beoordeling van deze vraag grote terughoudendheid betracht.

8.13. De verdachte heeft aangevoerd dat hij wil dat de school een kind leert nadenken ‘hoe het leven volgens zijn (verdachtes, ktr.) overtuiging, het gedachtengoed van het objectivisme, in elkaar zit’ en dat hij geen school heeft gevonden die aan deze overtuiging of visie voldoet (en dat hij om die reden thuisonderwijs geeft). Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden gezegd dat bedenkingen zoals die door verdachte zijn geuit slechts de soort van het onderwijs of de wettelijke inrichting ervan betreffen en niet (ook) de richting van het onderwijs betreffen, althans niet met de voor een bewezenverklaring vereiste stelligheid.

8.14. Een en ander betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

9. De beslissing

De kantonrechter,

spreekt de verdachte vrij van hem ten laste gelegde.

Aldus gewezen door de kantonrechter mr. P.H. Veling en op 17 november 2011 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.