Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU4843

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
384785 / HA RK 11-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeerecht. Beperking van aansprakelijkheid. Een regresvordering wegens olie-opruimingskosten hoort niet binnen art. 2 lid 1 aanhef en onder (e) Verdrag van Londen 1976 (art. 8:752 lid 1 aanhef en onder e) maar onder (a) of (c) van dat artikellid. Uitleg art. 13 lid 2 Verdrag van Londen: teruggave andere zekerheid eerst nadat een beperkingsfonds is gevormd en nadat in de beperkingsprocedure (onder meer) de vraag of sprake is van “conduct barring limitation” in de zin van artikel 4 LLMC niet meer aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rekestnummer: 384785 / HA RK 11-191

zeeschip “Kevin S”

Beschikking op het verzoek van:

de vennootschap naar Duits recht

KEVIN S GMBH & CO K.G.,

gevestigd te Seevetal-Horst, Duitsland,

verzoekster,

advocaat: mr. E.J.L. Bulthuis,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VT MINERALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen worden hierna aangeduid als “verzoekster” en “VT”.

1. De procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar beschikking van 12 oktober 2011. Bij die beschikking is de uitspraak nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. De volgende feiten staan vast, als gesteld en niet voldoende betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

2.2. Verzoekster is de eigenaar van het zeeschip “Kevin S”. Op 3 januari 2011 is de “Kevin S” in de gemeente Amsterdam in aanvaring gekomen met het motortankschip “Vlieland”, een aan VT toebehorend binnenschip.

2.3. Verzoekster heeft op 10 januari 2011 door UniCredit Bank AG, gevestigd te Hamburg, Duitsland, een garantie (hierna: de HV-garantie) laten stellen ter opheffing of voorkoming van beslag op de “Kevin S” door VT of dier verzekeraars. De HV-garantie biedt dekking “for any and all costs and damages nothing excluded resulting directly and indirectly from the collision on 3 January 2011 with the KEVIN S”.

2.4. Verzoekster heeft op 20 januari 2011 bij deze rechtbank een procedure ingeleid tot beperking van haar aansprakelijkheid met betrekking tot vorderingen ter zake van zaakschade in verband met genoemde aanvaring, welke procedure aanhangig is onder kenmerk 371000 / HA RK 11-12. In die procedure is bij beschikking van 8 maart 2011 bepaald dat zodanige aansprakelijkheid van verzoekster voorlopig beperkt is tot 1.000.000 SDR. Verzoekster heeft voor dat bedrag een zakenfonds doen stellen. Op 8 april 2011 heeft de rechtbank verklaard dat verzoekster zodanig beperkingsfonds heeft gesteld. De rechter-commissaris heeft de datum voor het indienen van vorderingen in die beperkingsprocedure en van betwistingen van het beroep op beperking van aansprakelijkheid bepaald op 12 juli 2011. VT en een of meer andere schuldeisers hebben voorbehouden gemaakt ten aanzien van het recht tot betwisting dat verzoekster gerechtigd is tot beperking van haar aansprakelijkheid, maar geen van de schuldeisers heeft daadwerkelijk betwist dat verzoekster daartoe gerechtigd is.

3 De beoordeling

3.1. Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een bevel de HV-garantie aan verzoekster terug te geven, primair op grond van artikel 13 lid 2 van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 en 1984, 31; hierna: LLMC), subsidiair artikel 642e Rv.

3.2. Verzoekster stelt daartoe – samengevat weergegeven – het volgende. Ingevolge de LLMC behoeft verzoekster slechts een zakenfonds te stellen, ook ten aanzien van (regres)vorderingen van VT met betrekking tot kosten van opruiming van de ten gevolge van de aanvaring uit de “Vlieland” van VT gestroomde lading olie. De LLMC gaat voor op de Nederlandse regeling, zodat voor verzoekster niet de verplichting geldt om ter zake van dergelijke vorderingen een wrakkenfonds te stellen. Door de vorming van het zakenfonds is voldaan aan de in artikel 13 lid 3 LLMC genoemde voorwaarde dat het beperkingsfonds “actually available and freely transferable” is. Nu een daadwerkelijke betwisting van haar recht tot beperking van aansprakelijkheid niet voorligt en de termijn voor zodanige betwisting is verstreken, doet de toestand zich voor als bedoeld in artikel 13 LLMC, dan wel artikel 642e lid 1 Rv, zodat de rechtbank de teruggave van de HV-garantie dient te bevelen.

Anders dan VT betoogt, is artikel 2 lid 1 aanhef en onder (e) LLMC beperkt tot vorderingen betreffende lading die gestroomd is uit het schip (“cargo of the ship”) dat beperking nastreeft, in dit geval de “Kevin S” en niet de “Vlieland”. Hetzelfde geldt ten aanzien van de regeling van de artikelen 8:752 lid 1 aanhef en onder e en artikel 8:755 lid 1 aanhef en onder b BW.

3.3. VT voert – samengevat weergegeven – het volgende verweer. De LLMC gaat ervan uit dat in een beperkingsprocedure eerst wordt onderzocht of de vorderingen op de aansprakelijk gestelde partij – in dit geval: verzoekster – voor beperking in het betreffende fonds in aanmerking komen en of deze gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, en dat daarna een beperkingsfonds wordt gesteld. In dat licht dient het vereiste dat het beperkingsfonds “actually available and freely transferable” is te worden bezien, derhalve aan het einde van die procedure.

Zowel VT als schuldeiser gemeente Amsterdam hebben bij de indiening van hun vorderingen bij de vereffenaar zich het recht voorbehouden om het recht van verzoekster tot beperking van haar aansprakelijkheid te betwisten. Zodanig voorbehoud is voldoende om te bewerkstelligen dat niet de toestand ontstaat dat geen der schuldeisers het recht tot beperking heeft betwist als bedoeld in artikel 642e lid 1 Rv.

Diverse (regres)vorderingen van VT (en andere schuldeisers) vallen niet binnen het zakenfonds dat verzoekster heeft doen stellen, zodat verzoekster met slechts dat beperkingsfonds haar aansprakelijkheid ter zake van die vorderingen niet beperkt, ook indien verzoekster tot beperking van aansprakelijkheid gerechtigd is. Daarbij gaat het voornamelijk om kosten van opruiming van door de aanvaring uit de “Vlieland” gestroomde olie vervoerd met dat schip.

Deze (regres)vorderingen vormen vorderingen bedoeld in artikel 2 lid 1 aanhef en onder (e) LLMC. Nederland heeft bij toetreding tot de LLMC het voorbehoud gemaakt dat artikel 2 lid 1 aanhef en onder (e) van het verdrag niet wordt overgenomen. Daarom geldt voor die vorderingen slechts de Nederlandse regeling van artikel 8:752 lid 1 aanhef en onder e en artikel 8:755 lid 1 aanhef en onder b BW, die erin voorziet dat voor zodanige vorderingen een wrakkenfonds kan worden gesteld. Verzoekster heeft bewust nagelaten om een wrakkenfonds te stellen.

Zodanige vorderingen zijn wel gedekt onder de HV-garantie, zodat die garantie in stand dient te blijven zolang verzoekster geen wrakkenfonds heeft gesteld, afgezien van de vraag naar het recht tot beperking van aansprakelijkheid.

3.4. Het betreft hier een internationale zaak, omdat verzoekster in Duitsland is gevestigd.

Verzoekster heeft als reder van de “Kevin S” bij deze rechtbank een procedure tot beperking van haar aansprakelijkheid ingeleid.

De LLMC is per 1 december 1986 voor Nederland in rechtstreekse werking getreden (vgl.: artikelen 93 en 94 Gw). De Nederlandse regeling van thans artikel 8:750 e.v. BW en artikel 642a e.v. Rv, heeft de strekking de LLMC in de Nederlandse wetgeving te incorporeren. Om deze redenen is primair de LLMC van toepassing.

Daarmee is niet gezegd dat de Nederlandse regeling in dit geval ter zijde staat. Immers, in artikel 18 lid 1 LLMC is voorzien dat een staat bij ondertekening van of toetreding tot de LLMC de toepassing van artikel 2, lid 1 aanhef en onder (d) en (e) van dat verdrag kan uitsluiten. Nederland heeft bij toetreding tot de LLMC van die mogelijkheid gebruik gemaakt en dat voorbehoud herhaald bij toetreding tot het Protocol bij de LLMC van 1996. Ten aanzien van vorderingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 aanhef en onder (d) en (e) LLMC is dat verdrag noch het Protocol van 1996 in Nederland van kracht.

Bovendien dienen ingevolge artikel 14 LLMC procedurele vragen te worden beantwoord aan de hand van het recht van de staat waar het beperkingsfonds is gesteld, derhalve Nederlands recht.

3.5. Daargelaten de vraag naar het recht tot beperking – waarover onder 3.8 en volgende meer – twisten partijen over de vraag of de (regres)vorderingen van VT ter zake van opruiming en dergelijke van de ten gevolge van de aanvaring uit de “Vlieland” gestroomde lading olie binnen het zakenfonds horen, dan wel daarbuiten vallen. Indien die vorderingen niet in het door verzoekster gestelde zakenfonds horen, zoals VT betoogt, dient de HV-garantie (voor wat betreft zodanige vorderingen) niet te worden teruggegeven.

3.6. Voor de beoordeling van dit dispuut is uitleg van de LLMC nodig.

Uitlegging dient te geschieden aan de hand van de maatstaven van de artikelen 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 (Trb. 1972, 51; hierna: het Verdragenverdrag). Ingevolge artikel 31 lid 1 Verdragenverdrag moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. In artikel 32 Verdragenverdrag is bepaald dat een beroep kan worden gedaan op aanvullende middelen van uitlegging en in het bijzonder op de voorbereidende werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het Verdrag is gesloten.

In artikel 2, lid 1 LLMC worden de vorderingen opgesomd waarvoor beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, behoudens de artikelen 3 en 4 LLMC. In artikel 2 lid 1 LLMC, behoudens in onderdeel (d), gaat het – kort gezegd – over vorderingen betreffende de exploitatie van c.q. ongevallen met een schip, dat in dat artikel telkens als “the ship” wordt aangeduid. Mede gelet op het in de considerans beschreven doel van de LLMC, een uniforme regeling betreffende de beperking van aansprakelijkheid voor zeerechtelijke vorderingen, en artikel 1 LLMC, waarin de tot beperking gerechtigde personen worden behandeld, ligt het voor de hand het begrip “the ship” in artikel 2 LLMC uit te leggen als het schip ten aanzien waarvan beperking wordt gezocht. Dus ook ten aanzien van vorderingen bedoeld in onderdeel (e) van lid 1. Deze uitleg vindt steun in de travaux préparatoires van de LLMC (Official Records of the International conference on the limitation of liability for maritime claims, 1976, IMO Londen 1983, LEG/CONF.5/C.1/SR.4, blz. 236, 237, 241 en 243). In gelijke zin de Memorie van toelichting op de wijziging van de regeling in het Wetboek van koophandel ter invoering van de LLMC ten aanzien van artikel 740c, eerste lid, onder d en e, punt 4 (Kamerstukken Tweede Kamer 1986-1987, 19 768, nr. 3, blz. 8).

In onderdeel (d) van het eerste lid van artikel 2 LLMC wordt daarentegen gesproken over “a ship” en “such ship”. In dit geval gaat het niet alleen om het schip ten aanzien waarvan beperking van aansprakelijkheid wordt verlangd, maar ook om een ander schip dat in een in dat onderdeel bedoelde toestand is geraakt, ter zake waarvan de partij die haar aansprakelijkheid wenst te beperken wordt aangesproken. Opmerkingen in de travaux préparatoires van de LLMC waaruit een andere uitleg zou voortvloeien zijn gesteld noch anderszins aan de rechtbank gebleken.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een vordering als de betreffende (regres)vordering van VT niet valt binnen het bereik van artikel 2 lid 1 onder (e) LLMC, maar binnen dat van artikel 2 lid 1 onder (a) of (c).

Artikel 740c (oud) WvK, thans artikel 8:752 lid 1 BW, vormt een vrijwel letterlijke vertaling van artikel 2, lid 1 LLMC. In dat artikel wordt telkens over “het schip” gesproken, behoudens in lid 1 onder d. Gelet op de in 3.4 genoemde strekking van de Nederlandse regeling en op de hiervoor genoemde toelichting op de artikel 740c, eerste lid, onder d en e WvK, ligt het daarom in de rede dat begrip ook uit te leggen als slechts het schip ten aanzien waarvan beperking wordt gezocht.

3.7. Toegepast op het onderhavige geval betekent het vorenstaande dat artikel 2 lid 1 aanhef en onder e LLMC en artikel 8:752 lid 1 aanhef en onder e BW niet zien op de lading van de “Vlieland” die ten gevolge van de aanvaring uit dat schip is gestroomd. Vorderingen in verband met opruiming van de uitgestroomde lading van de “Vlieland” die geldend worden gemaakt ten aanzien van verzoekster als reder van de “Kevin S” vallen binnen de kaders van artikel 2 lid 1 aanhef en onder (a) of (c) LLMC. Voor zodanige vorderingen heeft verzoekster het zakenfonds gesteld.

De aard van de vorderingen brengt daarom niet mee dat de HV-garantie in stand dient te blijven.

3.8. De rechtbank overweegt het volgende over het betoog van verzoekster dat, bij gebreke aan daadwerkelijke betwisting van haar recht tot beperking van aansprakelijkheid in de brief waarbij VT haar vorderingen bij de vereffenaar heeft ingediend, dan wel binnen de door de rechter-commissaris gestelde termijn voor indiening van de vorderingen, de toestand is ontstaan als bedoeld in artikel 13 lid 2 LLMC dan wel artikel 642e lid 1 Rv.

3.9. Hier is uitleg van artikel 13 lid 2 LLMC nodig. Artikel 13 LLMC bepaalt voor zover in dezen van belang het volgende:

“1. Where a limitation fund has been constituted in accordance with Article 11, any person having made a claim against the fund shall be barred from exercising any right in respect of such claim against any other assets of a person by or on behalf of whom the fund has been constituted.

2. After a limitation fund has been constituted in accordance with Article 11, any ship or other property, belonging to a person on behalf of whom the fund has been constituted, which has been arrested or attached within the jurisdiction of a State Party for a claim which may be raised against the fund, or any security given, may be released by order of the Court or other competent authority of such State. [..]

3. The rules of paragraphs 1 and 2 shall apply only if the claimant may bring a claim against the limitation fund before the Court administering that fund and the fund is actually available and freely transferable in respect of that claim.”

3.10. Artikel 13 maakt deel uit van het derde hoofdstuk van de LLMC, getiteld “The Limitation Fund” (artikelen 11 tot en met 14). In die artikelen zijn de wijze van vorming en de behandeling van de beperkingsfondsen geregeld, alsmede – in artikel 13 – de teruggave van (andere) zekerheden en – in artikel 14 – een verwijzingsregel voor het op procedurele vragen toepasselijke recht.

De bewoordingen van artikel 13 lid 2 lijken op het eerste gezicht duidelijk: After a limitation fund has been constituted in accordance with Article 11, [..] security given, may be released by order of the Court or other competent authority of such State.

Zoveel is duidelijk dat het betreffende beperkingsfonds daadwerkelijk gevormd dient te zijn. Niet is aanstonds duidelijk vanaf welk tijdstip gestelde zekerheden dienen te worden vrijgegeven, met andere woorden: wat wordt precies bedoeld met het begrip “After”?

In het eerste lid van artikel 13 wordt evenmin een duidelijk tijdstip aangeduid (“Where”).

De travaux préparatoires geven bij de uitleg hiervan geen houvast.

De rechtbank acht bij de uitleg van belang dat de LLMC in artikel 10 toelaat beroep op beperking van aansprakelijkheid te doen zonder dadelijk een beperkingsfonds te vormen, maar aan de lidstaten de mogelijkheid heeft geboden om in hun nationale wetgeving te bepalen dat, indien in die lidstaat een vordering is ingesteld, beperking van aansprakelijkheid slechts mogelijk is door het stellen van een beperkingsfonds. Nederland heeft bij de toetreding tot de LLMC van die mogelijkheid gebruik gemaakt. In Nederland behoeft dientengevolge voordat wordt overgegaan tot het vormen van het beperkingsfonds niet te worden beslist over de vragen of de partij die een beroep op beperking doet daartoe gerechtigd is, of vorderingen binnen de categorieën van artikel 2 LLMC horen, dan wel of sprake is van “conduct barring limitation” in de zin van artikel 4 LLMC (in tegendeel: zie artikel 642c lid 1 Rv). In Nederland kan eerst een beperkingsfonds gevormd worden en pas daarna over die vragen worden beslist.

Het antwoord op de vraag naar het tijdstip (“After”) hangt dus mede samen met de in de betreffende lidstaat geldende beperkingsprocedure. Derhalve is sprake van een aangelegenheid die binnen het kader van artikel 14 LLMC valt: “rules relating to the constitution [..] of a limitation fund, and all rules of procedure in connection therewith, shall be governed by the law of the State Party in which the fund is constituted”.

Daarom dient in dit geval gekeken te worden naar het interne Nederlands recht.

3.11. Bij de invoering van de LLMC heeft Nederland de alhier bestaande regeling van de beperkingsprocedure gehandhaafd met enige aanpassingen. Zoals gezegd, komt in de Nederlandse beperkingsprocedure de vraag naar doorbreking van beperking in beginsel niet eerder aan de orde dan nadat een beperkingsfonds is gesteld (zie artikel 642c lid 1 Rv en vgl.: HR 4 november 1994; LJN ZC1522; NJ 1996, 534 – “Vertrouwen” - TX 68).

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 320e (oud) Rv de strekking heeft artikel 13 LLMC in de Nederlandse procedure in te voeren (Kamerstukken Tweede Kamer, 1986-1987, 19 768, nr. 3, blz. 1 en 15). Daarbij werd in artikel 320e (oud) Rv gehandhaafd dat doorbreking van aansprakelijkheid niet meer aan de orde kon zijn, met de formulering “Indien [..] geen der schuldeisers binnen de in artikel 320g genoemde termijn betwist heeft dat de schuldenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken, dan wel omtrent een zodanige beperking onherroepelijk afwijzend is beslist”. Uit het Voorlopig verslag van de bijzondere commissie Nieuw Burgerlijk Wetboek van de Eerste Kamer van 4 oktober 1988 blijkt dat het de bedoeling was pas “wanneer [..] het beroep op beperking van aansprakelijkheid onherroepelijk is toegelaten, [..] beslagen [..] kunnen worden [..] opgeheven” (Kamerstukken Eerste Kamer, 1988-1989, 19 768, 19 769 en 19 770, nr. 28, blz. 4).

Het huidige artikel 642e Rv vormt de praktisch gelijkluidende opvolger van artikel 320e (oud) Rv.

De rechtbank concludeert daaruit dat de Nederlandse regeling ter invoering van artikel 13 LLMC de strekking heeft dat pas wanneer de doorbreking van het recht tot beperking van aansprakelijkheid niet meer aan de orde is gestelde zekerheid in de zin van artikel 13 lid 2 LLMC dient te worden teruggegeven.

Derhalve dient (het begrip “After” in) artikel 13 lid 2 LLMC voor het onderhavige geval dienovereenkomstig te worden uitgelegd: nadat een beperkingsfonds is gevormd en nadat in de beperkingsprocedure (onder meer) de vraag of sprake is van “conduct barring limitation” in de zin van artikel 4 LLMC niet meer aan de orde is.

3.12. Uit de travaux préparatoires blijkt dat de bewoordingen van het derde lid van artikel 13 LLMC, met name “actually available and freely transferable in respect of that claim”, te maken hebben met regelingen van monetaire aard en niet met vrijgave van gestelde zekerheden (zie: LEG/CONF.5/C.1/SR.16, blz. 338 – 340).

3.13. Hoewel aan verzoekster kan worden toegegeven dat in artikel 642e Rv voor het bepalen van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde toestand slechts naar betwisting van het recht tot beperking binnen de termijn van artikel 642g Rv wordt verwezen, is in het licht van het vorenstaande de door verzoekster voorgestane uitleg, dat een eventuele betwisting van het recht tot beperking binnen die termijn moet zijn gedaan en nadien geen gevolg meer kan hebben ten aanzien van de teruggave van gestelde zekerheden, te beperkend. Daarbij neemt de rechtbank tevens het volgende in aanmerking.

In artikel 642q Rv, dat over de verificatievergadering gaat die na het indienen van vorderingen wordt gehouden, is sprake van “betwisting ter zitting van [..] het beroep op beperking van aansprakelijkheid”, welke bewoordingen erop duiden dat ook nog op de verificatievergadering het recht tot beperking kan worden betwist.

Artikel 642o Rv bevat een voorziening voor het indienen van vorderingen na de afloop van de in artikel 642g Rv bedoelde termijn. Zou de uitleg van verzoekster worden gevolgd, dan zou een betwisting van het recht tot beperking door een schuldeiser die ingevolge artikel 642o Rv wordt toegelaten alsnog een vordering in te dienen, voor wat betreft de teruggave van gestelde zekerheden in de zin van artikel 642e Rv niet van belang kunnen zijn. Die uitkomst acht de rechtbank niet aanvaardbaar.

In de wetsgeschiedenis heeft de rechtbank geen steun voor de opvatting van verzoekster kunnen vinden.

3.14. Derhalve kan, nu VT zich bij indiening van haar vordering(en) bij de vereffenaar het recht heeft voorbehouden om het recht van verzoekster tot beperking te betwisten, niet geconcludeerd worden dat zij niet meer het recht heeft over te gaan tot daadwerkelijke betwisting.

Daarom concludeert de rechtbank dat thans nog niet het stadium in de beperkingsprocedure is bereikt waarin de vraag of sprake is van “conduct barring limitation” in de zin van artikel 4 LLMC niet meer aan de orde is als bedoeld in artikel 13 LLMC, respectievelijk artikel 642e Rv.

Daarop stuit toewijzing van het verzoek, zowel op de primaire als op de subsidiaire grond, in dit stadium van de beperkingsprocedure af.

3.15. Verzoekster heeft niet verzocht haar verzoek aan te houden, voor het geval het thans niet wordt toegewezen. Derhalve dient de rechtbank het verzoek af te wijzen. Dat laat onverlet dat verzoekster het verzoek in een later stadium van de beperkingsprocedure opnieuw kan instellen.

3.16. Waar geen van partijen om een kostenveroordeling heeft verzocht en beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk worden gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank,

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 oktober 2011. 1928/010