Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU4724

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
10/750184-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de invoer van 329 kilo cocaine. Dagvaarding is geldig, het begrip “verlengde invoer” is voldoende feitelijk. De peilers waarop de officier van justitie de wetenschap van de verdachte van de bijverpakte cocaïne baseert zijn, ook tegen de achtergrond van de overige omstandigheden, onvoldoende sterk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750184-09

Datum uitspraak: 16 november 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12, 13 en 27 januari 2011, 3 februari 2011, 15 maart 2011, 31 mei 2011, 8 augustus 2011 en 2 november 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Ekiz heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ter zake feit 1 partieel nietig is, namelijk voor wat betreft de zinsnede ‘hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet’. Deze zinsnede ziet op de verlengde invoer. De officier van justitie had voor dit deel van de tenlastelegging feitelijke uitvoeringshandelingen ten laste dienen te leggen, omdat het begrip “verlengde invoer” anders dan het begrip “invoer” onvoldoende feitelijk is. Nu de officier van justitie dit niet heeft gedaan, is onduidelijk waar de verdachte zich in dit kader tegen dient te verweren.

Dit verweer wordt verworpen.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 1989 (NJ 1989, 689) kan worden opgemaakt dat de Hoge Raad van oordeel is dat de woorden "binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in de zin van art. 1 lid 4 Opiumwet" voldoende duidelijk aangegeven wat aan de verdachte wordt verweten. Hieruit leidt de rechtbank af dat, anders dan door de verdediging is betoogd, ook de woorden “hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet” voldoende feitelijke betekenis hebben.

Dat genoemde in de tenlastelegging opgenomen woorden voldoende duidelijk zijn, wordt bovendien onderschreven door de door de verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen.

Derhalve leidt de omstandigheid dat in de tenlastelegging geen feitelijke uitvoerings-handelingen zijn opgenomen ter verduidelijking van bedoelde zinsnede, niet tot een partiële nietigheid van de dagvaarding.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Op basis van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. In reactie op hetgeen de officier van justitie in haar requisitoir hieromtrent heeft aangevoerd kan nog het volgende worden opgemerkt.

Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting volgt niet dat de verdachte wetenschap had van de omstandigheid dat de partij bananen eveneens (bruto) 329 kilo cocaïne bevatte.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, aangevoerd dat de verdachte wist dat er cocaïne zat in de partij bananen die Nederland zijn binnengekomen en waarmee de verdachte bemoeienis had. De officier van justitie leidt deze wetenschap van de verdachte in het bijzonder af uit de volgende twee omstandigheden:

a) het door de verdachte geregelde transport van een partij bananen van een gekoelde loods naar een niet gekoelde loods is zodanig opmerkelijk dat dit een belangrijke aanwijzing is voor de wetenschap van het feit dat er cocaïne in de dozen was verpakt;

b) de verdachte en [medeverdachte], de compagnon van de verdachte op dat moment, tonen bij het ophalen van de partij bananen in de loods in Dreumel bijzondere aandacht voor de rij dozen aan de linkerkant vanaf de deur gezien, en derhalve de dozen waarin de cocaïne is verpakt.

Ad a)

De verdachte heeft op de terechtzitting d.d. 12 januari 2011 gewezen op zijn jarenlange ervaring in de import en export van groente en fruit en heeft tegen die achtergrond naar voren gebracht dat de bananen in kwestie niet in een gekoelde loods behoefden te worden bewaard en (ook ongekoeld) een economische waarde vertegenwoordigden. De officier van justitie heeft desgevraagd aangegeven dat zij geen nader onderzoek heeft gedaan naar deze stelling van de verdachte. Dit leidt ertoe dat deze door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid als bewijs voor wetenschap van aanwezigheid van de bijverpakte cocaïne sterk aan kracht inboet.

Ad b)

Op de terechtzitting van 2 november 2011 is door de rechtbank op de getoonde beelden niet waargenomen dat de verdachte en zijn medeverdachte in de loods een uitzonderlijke aandacht hadden voor de kant waar de dozen met cocaïne stonden. Weliswaar hebben de verdachte en zijn medeverdachte aan deze kant iets meer aandacht besteed dan aan de andere kant, onder meer door op deze rij dozen te lopen en door aan deze kant een banaan uit een van de bovenste dozen te halen, maar dit kan ook verklaard worden door de ter zitting door de verdachte aangevoerde omstandigheid dat de rij dozen aan die kant lager was en daardoor beter benaderbaar was voor de verdachte en zijn compagnon.

Maar ook als moet worden vastgesteld dat de verdachte en zijn compagnon bijzondere aandacht hadden voor de rij dozen aan de linkerkant, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat zij dus wisten dat aan die kant de dozen stonden waarin de cocaïne had gezeten. Aan deze conclusie staat onder meer in de weg dat de verdachte uiteindelijk zijn busje laat volladen met twee pallets bananen waarin geen cocaïne heeft gezeten. De verdachte kiest ervoor de twee pallets die het dichtst bij de deur staan in zijn busje te laten laden: een scenario dat zich moeilijk laat rijmen met enige wetenschap van de concrete bergplaats van de partij cocaïne.

Concluderend zijn de peilers waarop de officier van justitie de wetenschap van de verdachte van de bijverpakte cocaïne baseert, ook tegen de achtergrond van de overige omstandigheden, onvoldoende sterk.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen motorvoertuig, gekentekend 28-BT-HS, verbeurd te verklaren en een Breitling-horloge, alsmede het onder de verdachte in beslag genomen geld (175 euro) terug te geven aan de verdachte.

Nu de verdachte integraal van de hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, zal ten aanzien van alle in beslag genomen goederen een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt: gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Personenauto 28-BT-HS (OPEL Movano);

- 1.00 STK Horloge (BREITLING);

- Geld Euro (euro 175);

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 november 2011.

Bijlage I bij vonnis van 16 november 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 11 augustus 2009 tot en met 26 augustus 2009 te

Rotterdam en/of Maarssen en/of Dreumel, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te

verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet),

een hoeveelheid van ongeveer 329 kilogram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(art. 2/A OW jo. art 47 Sr)

2.

hij

in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 26 augustus 2009,

Rotterdam en/of Maarssen en/of Dreumel en/of Guayaquil,

althans in Nederland en/of Ecuador,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

329 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de deklading welke ter maskering van de voornoemde hoeveelheid verdovende

middelen (te weten bananen) (aan)gekocht en/of

- contact onderhouden met de leverancier van de deklading en/of

- (een) aanbetaling(en) verricht aan de leverancier van de deklading en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in Ecuador (laten) verpakken in

dozen met bananen en vervolgens in de deklading en deze deklading (laten)

in(ge)laden in een container (met nummer [nummer]) met als

eindbestemming Nederland en/of

- contact onderhouden met zijn mededader(s) en/of

- de inklaring van de betreffende de container(s), waarin de cocaïne (tussen de

lading) was verborgen, (laten) regelen door [bedrijf 1] en/of

- vervoer van de container (s) (laten) regelen door [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of

- kosten van het vervoer van de container voldaan aan [bedrijf 4] en/of

- een loods en/of pand (gelegen aan de [adres]) geregeld

en/of ter beschikking gesteld ten behoeve van de op en/of overslag van

voornoemde hoeveelheid verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading

en/of

- een busje geregeld ten behoeve van het (verdere) vervoer van pallets met

dozen met bananen;

(art. 10a OW jo. art. 47 Sr)