Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU4360

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10/997511-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sluikhandel in de zin van artikel 26 EVOA (oud). Het begrip "mengsel". Voor de overbrenging van een mengsel van afvalstoffen is voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist, ook als de afzonderlijke afvalstoffen op de groene lijst staan vermeld (tenzij dit mengsel van een code is voorzien en als zodanig vermeld staat op de groene lijst). Overbrenging van afvalstoffen naar China zonder de benodigde toestemming van bevoegde autoriteiten en overbrenging met een door onjuiste voorstelling van zaken verkregen toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/997511-06

Datum uitspraak: 7 november 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

B.V. 1 (thans genaamd X B.V.),

gevestigd aan adres van vestiging te (postcode) (woonplaats),

ter terechtzitting vertegenwoordigd door: medeverdachte 1, die blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel namens de bestuurder van de rechtspersoon, B.V. 2, gemachtigd is om B.V. 1 in deze te vertegenwoordigen.

raadsman: mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 en 24 oktober 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. De Rijck, heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 3 (de zaak B en E) tenlastegelegde;

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder:

1 (de zaak A);

2 (de zaak B);

4 (de zaak D);

5 (de zaak F);

6 (de zaak F);

- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 150.000,-;

- de voorwaardelijke stillegging van de onderneming van de verdachte rechtspersoon gedurende zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdediging is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, dan wel dat het bewijsmateriaal - naar de rechtbank begrijpt in de zaken B tot en met F - dient te worden uitgesloten. De verdediging voert hiertoe aan dat - verkort weergegeven - de rechter-commissaris op grond van een onjuiste voorstelling van zaken aan de officier van justitie een machtiging heeft verstrekt op diens vorderingen tot verstrekking door de besloten vennootschap CCIC Europe Commodities Inspection B.V. (hierna: CCIC Europe) van bepaalde gegevens ex artikel 126ne van het Wetboek van Strafvordering (‘Sv’). Het zou gaan om gegevens ten aanzien van door de verdachte rechtspersoon na het tijdstip van de vorderingen te vervoeren containers.

De verdediging meent dat in het bij de vordering aan de rechter-commissaris gevoegde proces-verbaal ten onrechte de indruk is gewekt dat de partij afval in zaak A teveel verontreinigd was, dit terwijl de vaststelling van die verontreiniging op een onzorgvuldige wijze was verricht, namelijk door middel van een indicatieve monsterneming in plaats van een veel adequatere representatieve monsterneming. Daarnaast is in dat proces-verbaal ten onrechte vermeld dat CCIC Europe de partij had goedgekeurd op basis van foto’s van een andere partij afval. Dit standpunt is, aldus de verdediging, onhoudbaar aangezien de betreffende verbalisant 1 (buitengewoon opsporingsambtenaar van VROM) later bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat de betreffende foto’s (pagina A 23) wel degelijk afkomstig kunnen zijn van voornoemde partij afval. De rechter-commissaris dient uit te kunnen gaan van de juistheid van de inhoud van een proces-verbaal dat ten grondslag wordt gelegd aan een vordering als de onderhavige en is aldus in dit geval op het verkeerde been gezet. Door deze onjuiste voorstelling van zaken is er sprake geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte rechtspersoon, waardoor zij is tekortgedaan in haar recht op een eerlijke vervolging.

In aanvulling op het voorgaande heeft de verdediging aangevoerd dat het opstarten van een dergelijk onderzoek op basis van één container, afgezet tegen alle door de verdachte rechtspersoon correct verscheepte containers, te ver gaat. Te meer nu het verzoek is gedaan een half jaar nadat de kwestie van de container in de zaak A speelde en de opgevraagde gegevens geen betrekking hebben op deze container in de zaak A maar op in de toekomst te vervoeren containers.

Overwegingen van de rechtbank

Van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte rechtspersoon op een eerlijke behandeling van de zaak tekort zouden zijn gedaan is geen sprake. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende:

Reeds de visuele waarnemingen van de partij afval door verbalisant 1 en douanemedewerker 2 op 14 september 2005 op het terrein van medeverdachte B.V. 3 (verder: ‘B.V. 3’), in combinatie met de opmerkingen van medeverdachte 4 over de herkomst van het materiaal als neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen (p-v VI 2005/206 (A1 t/m A7 d.d. 15 november 2005) en de e-mail van 23 september 2005 van CCIC Europe over de keuring van deze partij afval op basis van de aan haar door de verdachte gezonden foto’s, leveren naar het oordeel van de rechtbank naar objectieve maatstaven een redelijk vermoeden op dat de door de verdachte rechtspersoon en/of haar medeverdachten gevolgde wijze van handelen ten aanzien van de uitvoer van afvalstoffen naar China in strijd kwam met het bepaalde in artikel 26 lid 1 van de van toepassing zijnde (oude) Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese gemeenschap (verder: ‘EVOA’). Zowel de resultaten van de monsternemingen uit de rapportages van het NFI als die van Alex Stewart International Corporation B.V. (verder: ‘Alex Stewart’) boden steun aan dat vermoeden, omdat die beide monsternemingen immers het door de waarneming ontstane vermoeden bevestigden dat er geen sprake was van de overbrenging van één enkele afvalstof (met mogelijk vervuiling), maar van een - niet van een specifieke code voorzien - mengsel van afvalstoffen. De vraag of er sprake was van een teveel van vervuiling is in dat geval - anders dan de verdediging meent - niet van belang.

Op basis van dat vermoeden was het Openbaar Ministerie gerechtigd een onderzoek in te stellen naar door de verdachte rechtspersoon vervoerde en nog te vervoeren containers in de periode nadat het vermoeden van onregelmatigheid van de container in zaak A aan het licht was gekomen. De omstandigheid dat de gegevens waarop de vordering gebaseerd is, betrekking hadden op een container waar een half jaar eerder onderzoek naar was gedaan, doet aan het vorenstaande niet af. De omstandigheid dat het de opsporingsinstanties bekend was dat CCIC Europe per e-mail van 23 september 2005 aan de medeverdachte had bericht dat gedurende zes maanden geen aanvragen in behandeling zouden worden genomen maakt deze gang van zaken verklaarbaar en verantwoord.

De rechtbank is gezien het vorenstaande evenmin van oordeel dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waaraan op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gevolgen zouden moeten worden verbonden, zoals uisluiting van het op basis van de beslissing van de rechter-commissaris verkregen bewijsmateriaal.

De beoordeling door de zittingrechter van de rechtmatigheid van de toepassing van een bevoegdheid door de rechter-commissaris houdt een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen en geconcludeerd heeft de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging ex artikel 126ne Sv kunnen afgeven.

Het verweer wordt verworpen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 2 (zaak B)

Door de raadsman wordt vrijspraak bepleit. Hij voert daartoe - verkort weergegeven - het volgende aan. De afvalstoffen mixed motorscrap en de aluminium lampenkappen waren in de containers van elkaar gescheiden door een metalen plaat. Derhalve waren deze zogenoemde groene lijst-afvalstoffen niet gemengd, zodat een kennisgeving op grond van de EVOA niet vereist was. Dat deze afvalstoffen van elkaar gescheiden waren, vindt steun in het feit dat voorafgaand aan de belading van de containers deze afvalstoffen apart zijn gewogen en gefactureerd. Uit de processtukken blijkt niet van een daadwerkelijke vermenging van motorscrap met aluminiumlappen in de containers.

Overwegingen van de rechtbank:

Ten laste is gelegd - kort weergegeven - de overbrenging van een mengsel van afvalstoffen zonder dat daarvoor de benodigde toestemming was verkregen van de bevoegde autoriteiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld, dat de afvalstoffen mixed motorscrap en de aluminium lampenkappen gemengd in de containers zijn vervoerd naar China. Op basis van de bewijsmiddelen kan immers niet worden uitgesloten dat voornoemde twee afvalstoffen gescheiden in de containers zijn vervoerd.

Het onder 2 tenlastegelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte rechtspersoon daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feit 3 (zaak B en E)

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. Dit oordeel van de rechtbank is in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging en behoeft daarom geen nadere motivering.

De verdachte rechtspersoon zal worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

Feit 6 (zaak F) (valsheid in geschrift)

Door de raadsman wordt vrijspraak bepleit, omdat - verkort weergegeven - niet kan worden vastgesteld dat het contract tussen de verdachte rechtspersoon en bedrijf 1 (verder: ‘bedrijf 1’) vals en/of vervalst is.

Overwegingen van de rechtbank:

De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon, medeverdachte 4, heeft verklaard dat hij het contract met code: (nummer) heeft ondertekend. Getuige 1 van bedrijf 1 geeft in het getuigenverhoor door de rechter-commissaris aan dat hij weliswaar de handtekening die namens bedrijf 1 op het contract is gezet niet herkent, maar dat hij daarin wel de naam herkent van medewerker 1, zijnde een medewerker van bedrijf 1. Getuige 1 verklaart niet te weten of dit de handtekening van medewerker 1 is, hetgeen derhalve de mogelijkheid openlaat dat deze handtekening wel van medewerker 1 afkomstig is. Getuige 1 verklaart voorts dat medewerker 1 niet gemachtigd is om dergelijke contracten namens bedrijf 1 te sluiten, maar dit laat onverlet de mogelijkheid dat deze medewerker 1 het contract namens bedrijf 1 (zij het in dat geval mogelijk onbevoegd) heeft getekend. Een civielrechtelijk mogelijk aantastbaar contract levert niet zonder meer een vals of vervalst contract op.

Getuige 1 geeft tijdens voornoemd verhoor aan niet met zekerheid te kunnen verklaren of de stempel van bedrijf 1 op het contract de bedrijfsstempel van bedrijf 1 is. Volgens getuige 1 lijkt de stempel er op. Ook dit levert onvoldoende bewijs op voor de valsheid of vervalsing van de stempel, laat staan van het contract.

Dit betekent dat het onder 6 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte rechtspersoon daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

De overtuiging dat de verdachte rechtspersoon het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(Zaak A)

zij op 14 september 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

immers was zij en één of meer van haar mededaders doende een container waarvan de inhoud bestond uit een mengsel van onder andere aluminium scrap en stukken hout en stukken rubber slang en spaanplaat en gelig purschuim en karton en printplaatjes en triplex en polyester en condensatoren en delen van koelcontainers en stukken ijzer, zijnde (een) (voor nuttige toepassing bestemde) afvalstoffen die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is opgenomen, over te brengen van Nederland naar China, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde/betrokken autoriteit.

4.

(Zaak D)

zij in de periode van 11 april 2006 tot en met 27 april 2006 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

immers was zij en één of meer mededaders doende, containers waarvan de inhoud bestond uit een mengsel van motorscrap en/of compressorpotten en/of hout en/of grond en/of computercomponenten en/of delen van koelcontainers en/of kabel, zijnde (een) (voor nuttige toepassing bestemde) afvalstof(fen) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, over te brengen van Nederland naar China, terwijl die overbrengingen geschiedden zonder kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde/betrokken autoriteit

5.

(Zaak F)

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, meermalen, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

hebbende zij en haar mededaders, (ongeveer) 106 containers waarvan de inhoud bestond uit kunststofgeïsoleerde (grond)kabelrestanten in ieder geval (een) afvalstof(fen) (voor nuttige toepassing) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, overgebracht van Nederland naar China, terwijl die overbrengingen telkens geschiedden met een door een onjuiste voorstelling van zaken verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit,

aangezien B.V. 1 voor de overbrengingen van die afvalstof(fen) bij beschikking met nummer NL (nummer) toestemming had verkregen van de Nederlandse autoriteiten terwijl B.V. 1 in strijd met de waarheid in het aan die toestemming ten grondslag liggende kennisgevingsformulier grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen met nummer NL(nummer) had vermeld dat bedrijf 1 de ontvanger was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken.

NADERE BEWIJSMOTIVERING/PARTIËLE VRIJSPRAAK

De rechtbank gaat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden:

De verdachte rechtspersoon werd ten tijde van de tenlastegelegde feiten bestuurd door de B.V. 2 (verder: ‘B.V. 2’). Tot 30 maart 2006 was mevrouw (betrokkene 1) formeel enig aandeelhouder en tot 31 oktober 2006 bestuurder van B.V. 2. Sinds 30 maart 2006 is haar echtgenoot, medeverdachte 4, formeel enig aandeelhouder en sedert 31 oktober 2006 bestuurder van B.V. 2. Feitelijk is medeverdachte 4 degene geweest die in de ten laste gelegde periode B.V. 2 bestuurde en directeur was van de verdachte rechtspersoon.

De bedrijfsactiviteiten van de verdachte rechtspersoon bestonden uit het recyclen en verhandelen van onder andere metalen, kabels, grondstoffen met daaronder begrepen de im- en export hiervan. De bedrijfsactiviteiten van de verdachte rechtspersoon vonden plaats op het bedrijfsterrein van B.V. 3. Deze vennootschap werd ten tijde van de tenlastegelegde feiten eveneens bestuurd door B.V. 2.

Medeverdachte 4 had feitelijk als directeur zeggenschap binnen zowel de verdachte rechtspersoon als B.V. 3. Hij had de algehele leiding en was uiteindelijk eindverantwoordelijk voor de dagelijkse bedrijfsvoering binnen deze vennootschappen. Medeverdachte 4 gaf het personeel van de verdachte vennootschap opdrachten en het personeel was aan hem verantwoording verschuldigd. Hij was degene die bevoegd was om de uitgaande facturen te tekenen en de betalingen te accorderen.

Medeverdachte 4 had als directeur van de verdachte rechtspersoon met de medeverdachte 5 een arbeidsovereenkomst gesloten in 2005. Medeverdachte 5 ontving als werknemer maandelijks salaris van de verdachte rechtspersoon. Medeverdachte 5 was daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder van medeverdachte B.V. 6 (hierna: ‘B.V. 6 ’). Deze vennootschap had van de Chinese autoriteiten een licentie verkregen voor de export naar China. Er werd tussen medeverdachte 4 en medeverdachte 5 afgesproken dat de licentie van B.V. 6 gebruikt zou worden voor de export van afvalstoffen naar China. Medeverdachte 4 had ook met medeverdachte 5 afgesproken dat hij, medeverdachte 5, verantwoordelijk werd voor de dagelijkse leiding in de verdachte rechtspersoon. Medeverdachte 5 was zelfstandig bevoegd voor alle handelingen ten aanzien van het realiseren van het transport van de afvalstoffen van Nederland naar China. Hierbij werd gebruikt gemaakt van de licentie van B.V. 6. Medeverdachte 5 kende de Chinese taal en had relevante contacten in China. Medeverdachte 5 bepaalde de marktprijs van een partij afvalstoffen voor de export naar China en medeverdachte 4 zorgde voor de inkoop van de uit te voeren partij afvalstoffen. Nadat medeverdachte 5 de markprijs had bepaald, kocht B.V. 3 een partij in, bestemd voor de export door de verdachte rechtspersoon. Medeverdachte 5 zorgde voor de contacten met CCIC Europe en voor goedkeuring van de partij afvalstoffen voor de export naar China. Op het terrein van B.V. 3 werd de partij afvalstoffen gewogen en beladen in containers voor transport per zeeschip naar China. De verdachte rechtspersoon kocht voor de export alleen afvalstoffen in van B.V. 3. Laatstgenoemde vennootschap verkocht de partij afvalstoffen en factureerde deze aan de verdachte rechtspersoon. Medeverdachte 5 zorgde namens de verdachte rechtspersoon voor het transport naar China, de facturatie naar Chinese afnemers en was verantwoordelijk voor de betaling van die afnemers. De verdachte rechtspersoon betaalde de door B.V. 3 in rekening gebrachte facturen.

Feit 1 (zaak A)

Standpunt van de verdediging - verkort weergegeven -:

De verdediging bepleit vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van een strafbaar feit. Er heeft geen overbrenging plaatsgevonden waarvoor een kennisgeving vereist is in de zin van de EVOA. Op basis van het politieonderzoek is immers niet vast te stellen dat er sprake was van een gemengde (verontreinigde) partij in juridische zin waarvoor een kennisgeving vereist is. Op basis van de monsterneming door het NFI en Alex Stewart en de door hen gepresenteerde resultaten kan niet de conclusie worden getrokken dat de partij niet voldeed aan de eisen. De samenstelling van de partij blijkt bovendien niet uit het dossier.

De CCIC-criteria zijn strenger dan die van de Nederlandse overheid en CCIC Europe had haar goedkeuring gegeven.

Blijkens het standpunt van SenterNovem uit de bijlage bij de pleitnotie hoeft er geen kennisgeving te worden gedaan bij een mengsel van ijzer, staal, aluminium en koper.

Overwegingen van de rechtbank:

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer het volgende voorop.

Als de verontreiniging inherent is aan het type afvalstroom en daar reeds (een gering) deel van uitmaakt als de afvalstof vrijkomt, kan bij de nuttige toepassing de groene lijst-procedure van de EVOA worden toegepast. In dat geval is derhalve geen toestemming benodigd van SenterNovem. Wanneer de verontreiniging niet inherent is aan deze afvalstroom, dan is sprake van een mengsel, ook als de verontreinigingen uitsluitend bestaan uit groene lijst-afvalstoffen. In dat geval dient de procedure van de rode lijst te worden gevolgd en is - kort gezegd - toestemming van SenterNovem nodig voor de overbrenging van dit mengsel, tenzij aan het mengsel een specifieke code is toegekend en op de groene lijst vermeld staat.

De rechtbank is op grond van het rapport van het NFI van 6 oktober 2005 (A47 t/m A51) en het Report of Inspection van Alex Stewart (A68 - A69), alsmede gelet op de eigen waarneming van de foto’s van de lading van de containers, van oordeel dat er geen grond is om aan te nemen dat er sprake is van één afvalstof met een aan de herkomst inherente verontreiniging. Van de overige aangetroffen stoffen (onder meer hout, piepschuim, koper, plastic en roestvrijstaal) is immers geenszins aannemelijk dat hun herkomst inherent is aan de afvalstroom aluminiumscrap. Er is aldus sprake van een mengsel van niet-gescheiden afvalstoffen dat niet met een specifieke code op de groene lijst vermeld staat. Zoals hiervoor reeds is overwogen betekent dit dat voor de overbrenging voorafgaande toestemming benodigd was van SenterNovem, welke nooit is aangevraagd, laat staan verkregen.

Nu geoordeeld wordt dat er sprake is van een mengsel (en niet van één - vervuilde - afvalstof), is de mate van vervuiling van afvalstof en dus de wijze van monsterneming van de partij afval door de deskundigen in deze kwestie niet relevant. Ditzelfde geldt voor het geconstateerde verschil in de percentages van de aanwezige stoffen als genoemd in beide deskundigenrapporten. Deze punten behoeven daarom geen bespreking meer.

Daar er geen kennisgeving is gedaan van de overbrenging van de onderhavige partij afvalstoffen door de verdachte rechtspersoon is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 26 lid 1 van de EVOA.

De stelling dat CCIC Europe strengere normen hanteert dan de Nederlandse overheid en de omstandigheid dat zij goedkeuring heeft gegeven voor de export van de partij aluminiumscrap is, anders dan de raadsman betoogt, niet relevant voor de beantwoording van de vraag of de bepalingen van de EVOA al dan niet juist zijn nageleefd.

Het ter zake gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

De raadsman beroept zich voorts op een besluit van SenterNovem (aangehecht aan zijn pleitnota) inhoudende dat voor de grensoverschrijdende overbrenging van een mengsel van ijzer, staal, aluminium en koper geen kennisgeving is vereist.

Het ging daarbij, anders dan in het onderhavige geval, om een mengsel waaraan een code was toegekend, te weten Bazel-code B 1010, waarmee het mengsel als een groen lijst-afvalstof kan worden gekwalificeerd. De vergelijking met de onderhavige zaak gaat niet op, aangezien het hier een mengsel betreft waaraan geen code is toegekend, in welk geval - het zij herhaald - wel voorafgaande kennisgeving aan SenterNovem vereist is.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Feit 4 (zaak D)

Standpunt van de verdediging - verkort weergegeven -:

De verdediging bepleit vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van een strafbaar feit. Er heeft geen overbrenging plaatsgevonden waarvoor een kennisgeving vereist is in de zin van de EVOA.

Op de foto’s van de inhoud van de containers is zichtbaar dat in de compressorpotten gaatjes zijn geboord om de eventuele olie uit de potten te laten lopen. Deze compressorpotten, waaruit de olie is verwijderd, zijn te beschouwen als motorscrap. Daarmee zijn deze compressorpotten een afvalstof als vermeld op de groene lijst en was een kennisgeving niet vereist.

Eén container is niet onderzocht, omdat de deur hiervan niet openging. Ten aanzien van deze container kan niet worden geoordeeld dat de inhoud hiervan een mengsel was voor de overbrenging waarvan toestemming van SenterNovem benodigd was.

Er is nimmer zorgvuldig onderzoek gedaan naar de samenstelling van de inhoud van de containers. Slechts is vastgesteld dat er ook andere afvalstoffen in de ladingen aanwezig waren, maar de mate waarin de betreffende ladingen waren vervuild is niet vastgesteld. Dit is relevant omdat een vervuiling van minder dan 20% is toegestaan.

CCIC Europe heeft aanvankelijk haar goedkeuring verleend, maar is daarop teruggekomen op grond van de bevindingen van de douane en VROM dat de partijen verontreinigd waren. Hier kan geen waarde aan worden gehecht omdat CCIC Europe deze mededeling deed nadat de politie haar had verteld dat sprake was van een foute, verontreinigde partij. Bovendien kan op basis van foto´s geen uitspraak worden gedaan over de vraag of dit dezelfde partij afvalstoffen betreft die CCIC Europe eerder had goedgekeurd.

Overwegingen van de rechtbank:

Partiële vrijspraak

De compressorpotten, voor zover deze niet vervuild zijn met olie, kunnen worden aangemerkt als onderdelen van motorscrap. Op de foto’s gemaakt van de ladingen is zichtbaar dat in elk geval enkele compressorpotten met gaatjes zijn doorboord teneinde de daarin aanwezige olie te laten wegvloeien. Dit is ook geconstateerd in het proces-verbaal van de fysieke controle van 8 containers d.d. 1 juni 2006 (D31-D34). In de bevindingen van de verbalisanten staat weliswaar vermeld dat er compressoren olie of een substantie bevatten, maar dit is niet verder onderzocht. Bedacht zij in dit verband, zoals door de verdediging nog is aangevoerd, dat de partij voorafgaand aan de belading enige tijd in de buitenlucht had gelegen, zodat er ook sprake kan zijn van wegstromend regenwater. Dit betekent dat niet valt uit te sluiten dat de compressorpotten als motorscrap kunnen worden beschouwd en dat de containers waarin naast motorscrap uitsluitend compressorpotten aanwezig waren zonder kennisgeving aan en toestemming van SenterNovem mochten worden overgebracht naar China. Het betreft in ieder geval de containers CGMU (nummer) en IPXU (nummer). De verdachte rechtspersoon dient derhalve van het tenlastegelegde ten aanzien van deze containers te worden vrijgesproken.

Nu één container niet is geopend, kan ten aanzien van de inhoud van deze container niet worden vastgesteld dat sprake is van een mengsel van afvalstoffen. Nu hiervan niet kan worden uitgegaan, kan evenmin worden aangenomen dat voor de overbrenging van deze container naar China kennisgeving aan en toestemming van SenterNovem vereist was. De verdachte rechtspersoon dient van het tenlastegelegde ten aanzien van deze container (nr. ECMU nummer) eveneens te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op grond van de bevindingen van de fysieke controles van de containers door de verbalisanten, de foto’s in het dossier en de eigen waarneming van de rechtbank van deze foto’s ter zitting kan vastgesteld worden dat in de overige containers mengsels aanwezig waren van motorscrap en daarnaast telkens een of meer van de volgende stoffen: stukken hout, kabel, grond, computercomponenten en delen van een koelcontainer. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat deze stoffen een verontreiniging zijn die inherent is aan de afvalstroom behorend bij de motorscrap. Er is aldus steeds sprake van mengsels, die niet expliciet vermeld zijn met een code op de groene lijst, zodat voor de overbrenging van deze mengsels kennisgeving aan en toestemming van SenterNovem nodig was. Gelet op dit oordeel is onderzoek naar de mate van verontreinig niet relevant en behoeft de goedkeuring of het intrekken hiervan door de CCIC evenmin nadere bespreking.

Nu er sprake is van een overbrenging van een mengsel van afvalstoffen zonder expliciete code op de groene lijst in de zin van de EVOA is er een kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten verplicht, hetgeen de verdachte rechtspersoon heeft nagelaten. Dit is aan te merken als sluikhandel en een overtreding van artikel 26 van EVOA.

Feit 5 (zaak F)

Standpunt van de verdediging - verkort weergegeven -:

De verdediging bepleit vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van een strafbaar feit.

Voor een bewezenverklaring is nodig dat vaststaat dat het contract tussen bedrijf 1 en de verdachte rechtspersoon vervalst is en dat er geen zaken zijn gedaan door de verdachte rechtspersoon met bedrijf 1 dan wel dat er geen zaken zijn gedaan tussen de verdachte rechtspersoon en bedrijven werkzaam onder de vergunning van bedrijf 1.

Dit kan niet worden vastgesteld.

De containers gingen wel degelijk naar bedrijf 1. Medeverdachte 4 wilde immers niet riskeren dat de borgsom ad € 165.000,- niet werd terugbetaald door SenterNovem. De Nederlandse overheid had bovendien een kopie van de kennisgeving gezonden aan bedrijf 1. Als bedrijf 1geen zaken zou hebben gedaan met de verdachte rechtspersoon ligt het voor de hand dat bedrijf 1 dit zou hebben gemeld. Dit is niet gebeurd. In het dossier bevinden zich diverse facturen aan bedrijf 1 en ook vracht- en weegbrieven waarop de naam van bedrijf 1 staat vermeld. Voorts is het mogelijk dat andere bedrijven onder de vergunning van bedrijf 1 zaken hebben gedaan met de verdachte rechtspersoon, hetgeen ook een verklaring is voor binnengekomen betalingen van andere bedrijven.

De verklaring van getuige 1 moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de politie voorafgaand aan het verhoor van getuige 1 aan hem heeft laten weten dat als het contract vals is hij geen verdachte is. Hierdoor is getuige 1 beïnvloed. Bovendien heeft de verdediging middels de rechter-commissaris bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek aan China niet alle vragen kunnen stellen aan getuige 1. Getuige 1 laat overigens in zijn verklaring de mogelijkheid open dat andere bedrijven onder de vergunning van bedrijf 1 met de verdachte rechtspersoon hebben gehandeld.

De verdediging herhaalt het verzoek dat de rechtbank bepaalt dat getuige 1 als getuige wordt gehoord teneinde alle vragen van de verdediging, die de rechter-commissaris niet heeft gesteld, alsnog aan hem te kunnen stellen.

Overwegingen van de rechtbank:

Partiële vrijspraak

Zoals reeds eerder is overwogen kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het zich in het dossier bevindende, tussen de verdachte rechtspersoon en bedrijf 1 gesloten contract, dat mede ten grondslag is gelegd aan het Kennisgevingsformulier op basis waarvan de toestemming met nummer NL (nummer) is verkregen, vals is. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat de ten laste gelegde overbrengingen geschiedde met een door vervalsing verkregen toestemming. Voor een nadere motivering dienaangaande verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen. Dit betekent dat de verdachte rechtspersoon partieel vrijgesproken dient te worden van de in de tenlastelegging genoemde door vervalsing verkregen toestemming. Voorts acht de rechtbank om dezelfde redenen onvoldoende bewijs aanwezig voor het tenlastegelegde “door fraude verkregen toestemming” zodat de rechtbank de verdachte rechtspersoon ook voor dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de volgende feiten en omstandigheden wel wettig en overtuigend bewezen dat de onder 5 ten laste gelegde overbrengingen van in totaal (ongeveer) 106 containers zijn geschied met een door een onjuiste voorstelling van zaken verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit.

Medeverdachte 4 heeft namens de verdachte rechtspersoon een aanvraag ingediend bij SenterNovem voor de voorgenomen export van 120 transporten van kunststof geïsoleerde kabelrestanten met een gewicht van in totaal 3.600.000 kilo naar China in de periode van 1 december 2005 tot 1 december 2006. Bij deze aanvraag was het contract tussen de verdachte rechtspersoon en bedrijf 1 gevoegd en in de aanvraag stond als inrichting voor verwijdering van nuttige toepassing bedrijf 1 te plaats te China vermeld met code: “R 4” als wijze van verwerking, hetgeen inhoudt: recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen.

SenterNovem heeft bij besluit van 5 januari 2006 kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen deze voorgenomen overbrenging. In de bijlage bij dit besluit staat - voor zover relevant - vermeld dat voor elk transport de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische eigenschappen moeten hebben en op dezelfde wijze dienen te worden verwerkt als aangegeven. Elk transport vertrekt vanaf en eindigt op de opgegeven adressen, tenzij de kennisgever (te weten de verdachte rechtspersoon) schriftelijk heeft aangegeven en het bevoegd gezag schriftelijk heeft ingestemd met een voorgenomen wijziging ter zake.

Uit het dossier in de zaken F1 tot en met F27 is gebleken dat de voorgenomen verzendingen met kunststof geïsoleerde kabelrestanten niet één keer daadwerkelijk naar bedrijf 1 te plaats te China zijn vervoerd om door bedrijf 1 daar nuttig te worden verwerkt, terwijl nergens uit volgt dat de verdachte rechtspersoon aan SenterNovem heeft gemeld dat een partij naar een andere afnemer is vervoerd voor verwerking.

In plaats daarvan zijn de verzendingen naar telkens andere bedrijven in China vervoerd, hetgeen volgt uit de op de vrachtbrieven vermelde ontvanger (consignee), en uit de omstandigheid dat de facturen behorende bij de verzendingen steeds door anderen dan bedrijf 1 zijn voldaan.

Uit deze wijze van feitelijke uitvoering van het contract volgt, behoudens een plausibele andersluidende verklaring - die ontbreekt -, dat het niet anders kan zijn dan dat het van meet af aan ter zake van de overbrengingen F1 tot en met F27 nimmer de bedoeling van de verdachte rechtspersoon is geweest om de containers met kabelafval naar bedrijf 1 te vervoeren, om aldaar door bedrijf 1 nuttig verwerkt te worden.

Op grond van de hierboven vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat elk van deze overbrengingen heeft plaatsgevonden met een toestemming van SenterNovem die verkregen is op basis van een door de verdachte rechtspersoon gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Dit is aan te merken als sluikhandel en overtreding van artikel 26 van de EVOA.

De verklaring van de getuige 1 wordt door de rechtbank niet gebruikt voor het bewijs van dit feit. Daarom acht de rechtbank het niet noodzakelijk om getuige 1 opnieuw als getuige te horen en behoeft het verweer van bewijsuitsluiting van diens verklaring geen nadere bespreking. Hetzelfde geldt voor het verzoek om getuige 1 opnieuw te horen.

Daderschap van de verdachte rechtspersoon:

De handelingen van de medeverdachte 5 kunnen, gelet op zijn rol als feitelijk leidinggevende van en binnen de verdachte rechtspersoon, worden toegerekend aan de verdachte rechtspersoon. De verboden overbrengingen hebben immers plaatsgevonden in de (invloeds)sfeer van de verdachte rechtspersoon.

De verdachte rechtspersoon vermocht namelijk erover te beschikken of de verboden overbrengingen al dan niet zouden plaatsvinden en heeft deze aanvaard blijkens de feitelijke gang van zaken. Voorts hebben de verboden overbrengingen plaatsgevonden in de normale bedrijfsvoering en zijn de overbrengingen dienstig geweest voor de verdachte rechtspersoon.

Opzet:

Op het terrein van het economisch strafrecht wordt geen ‘boos’ opzet vereist. Het opzet is ‘kleurloos’. Dat houdt in dat de dader van een economisch delict strafbaar is, indien hij willens en wetens heeft gehandeld of nagelaten, zoals in de strafbepaling is omschreven. Het opzet behoeft niet op het overtreden van het verbod te zijn gericht, ook niet in die gevallen waarin de strafbepaling is geformuleerd in de vorm van opzettelijke overtreding van een wettelijk voorschrift.

Het opzet van de verdachte rechtspersoon was telkens gericht op de overbrengingen van containers met afvalstoffen vanuit Nederland naar China. Er is dus in vorenbedoelde zin sprake geweest van opzet aan de zijde van de verdachte rechtspersoon.

Medeplegen:

Op basis van het hiervoor overwogene bij de vaststaande feiten en omstandigheden en onder feit 5 en gelet op hetgeen is overwogen te aanzien van kleurloos opzet, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte vennootschap, B.V. 3, B.V. 6, medeverdachte 5 en medeverdachte 4 van de onder 1 en 4 bewezenverklaarde overbrenging van afvalstoffen en tussen de verdachte rechtspersoon, B.V. 6 en medeverdachte 5 ten aanzien van het als feit 5 bewezenverklaarde feit.

STRAFBAARHEID FEITEN

Op 12 juli 2007 is de nieuwe EVOA van kracht geworden. Ongecontroleerde uitvoer van afvalstoffen naar China is ook onder de nieuwe EVOA niet toegestaan. De aan het overbrengen van dergelijk afval naar China gestelde eisen zijn veranderd, maar uit die wijziging blijkt niet van gewijzigd inzicht van de (internationale) wetgever met betrekking tot de onderhavige handelingen, zodat er geen aanleiding bestaat om de oude regeling op het handelen van de verdachte rechtspersoon niet van toepassing te verklaren.

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 eerste lid (oud) van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

4.

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 eerste lid (oud) van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

5.

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 eerste lid (oud) van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE RECHTSPERSOON

De verdachte rechtspersoon is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte rechtspersoon heeft opzettelijk containers met mengsels, bestaande uit aluminiumscrap en motorscrap overgebracht vanuit Nederland naar China zonder de daarvoor bevoegde autoriteit in Nederland tevoren van deze afvaltransporten in kennis te stellen en toestemming daarvoor te vragen.

Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon opzettelijk een groot aantal transporten met grote partijen kunststofgeïsoleerde kabelrestanten vanuit Nederland naar diverse afnemers in China overgebracht waarbij deze overbrengingen zijn geschied met een door onjuiste voorstelling van zaken verkregen toestemming van SenterNovem.

Het bovenstaande is sluikhandel. Daarmee heeft verdachte rechtspersoon bewust gehandeld in strijd met de bepalingen van de EVOA. Deze bepalingen beogen internationale transporten van afvalstoffen te reguleren teneinde ongewenste gevolgen dan wel risico’s voor het milieu te vermijden.

Gelet op de ongewenste gevolgen of risico’s voor het milieu en de stelselmatigheid in de misleiding van de Nederlandse autoriteit door de verdachte rechtspersoon dient op deze feiten te worden gereageerd met het opleggen van een forse geldboete.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte rechtspersoon blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. (datum) niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden. Het opsporingsonderzoek heeft weliswaar lang geduurd maar de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren hebben dit onderzoek voortvarend behandeld. Het betreft een ingewikkelde zaak met een omvangrijk opsporingsonderzoek waarbij ook het nader onderzoek, dat op aangeven van de verdediging is ingesteld, tijd heeft gekost.

Wel laat de rechtbank meewegen dat de feiten al jaren geleden zijn gepleegd en dat niet is gebleken dat de verdachte rechtspersoon sindsdien strafbare feiten heeft gepleegd, terwijl voorts degene die ten tijde van het plegen van de strafbare feiten feitelijk leiding gaf aan de verdachte rechtspersoon daar thans niet meer werkzaam is. Om die reden acht de rechtbank de oplegging van de maatregel tot voorwaardelijke stillegging van de onderneming om recidive te voorkomen niet geïndiceerd.

Nu de rechtbank minder feiten heeft bewezen verklaard dan ten laste is gelegd wordt een lagere geldboete opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 23 (oud), 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a onder 1°, 2 en 6 van de Wet van de Wet op de economische delicten en artikel 15 van de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Unie (oud).

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 2, 3 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is

verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 100.000, (zegge: honderd duizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Geerars, voorzitter,

en mrs. Mentink en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2011.

Bijlage bij vonnis van 7 november 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(Zaak A)

zij op of omstreeks 14 september 2005 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

immers was/waren zij en/of één of meer van haar mededader(s) doende

een container waarvan de inhoud bestond uit een mengsel van (onder andere) aluminium scrap en/of stukken hout en/of stukken rubber slang en/of spaanplaat en/of gelig purschuim en/of karton en/of printplaatjes en/of triplex en/of polyester en/of condensatoren en/of delen van koelcontainers en/of stukken ijzer, zijnde (een) (voor nuttige toepassing bestemde) afvalstof(fen) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, over te brengen van Nederland naar China,

terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde/betrokken autoriteiten;

(artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.60 lid 1 Wet milieubeheer (oud) juncto artikel 26 lid 1 van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap)

2.

(Zaak B)

zij in of omstreeks de periode van 6 april 2006 tot en met 10 mei 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

hebbende zij en/of één of meer van haar mededader(s),

twee, in ieder geval één of meer, container(s) waarvan de inhoud bestond uit een mengsel van mixed motor scrap (electromotoren) en afval van aluminium (lampen)kappen, zijnde (een) (voor nuttige toepassing bestemde) afvalstof(fen) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, overgebracht van Nederland naar China,

terwijl die overbrenging(en) geschiedde(n) zonder kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde/betrokken autoriteiten;

(artikel la juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.60 lid 1 Wet milieubeheer (oud) juncto artikel 26 lid 1 van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap)

3.

(Zaak B en E)

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2006 tot en met

13 september 2006 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

twee, in ieder geval één of meer, valse en/of vervalste Certificate(s) Of Preshipment Inspection On Waste Materials (CCIC-certificaten),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - voorhanden heeft gehad,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren om als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een (of meer) ander(en) te doen gebruiken,

immers was/waren (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, op dat/die Certificate(s) Of Preshipment Inspection On Waste Materials (CCIC-certificaten) (documentcode: nummer, ordner 3 blz. B33 en/of documentcode: nummer, ordner 4 blz. E16) één of meer van de navolgende aantekening(en)/gegeven(s) vermeld:

- het logo van CCIC Marseille SARL en/of

- bij/als shipper bedrijf 2 en/of

- bij/als inspector 1 en/of

- een handtekening die moest doorgaan voor een handtekening door/namens CCIC Marseille SARL

(artikel lid 2 Wetboek van strafrecht]

4.

(Zaak D)

zij in of omstreeks de periode van 11 april 2006 tot en met 27 april 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

immers was/waren zij en/of één of meer mededader(s) doende

tien, in ieder geval één of meer, container(s) waarvan de inhoud bestond uit een mengsel van motorscrap en/of compressorpotten en/of hout en/of grond en/of computercomponenten en/of delen van koelcontainers en/of kabel, zijnde (een) (voor nuttige toepassing bestemde) afvalstof(fen) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, over te brengen van Nederland naar China,

terwijl die overbrenging(en) geschiedde(n) zonder kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde/betrokken autoriteiten;

(artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.60 lid 1 Wet milieubeheer (oud) juncto artikel 26 lid 1 van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap)

5.

(Zaak F)

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

meermalen, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap,

hebbende zij en/of één of meer van haar mededader(s),

(ongeveer) 106 containers, in ieder geval (telkens) één of meer container(s) waarvan de inhoud bestond uit kunststofgeïsoleerde (grond)kabelrestanten, in ieder geval kabelafval, in ieder geval (een) afvalstof(fen) (voor nuttige toepassing) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, overgebracht van Nederland naar China,

terwijl die overbrenging(en) (telkens) geschiedde(n) met een door vervalsing en/of een onjuiste voorstelling van zaken en/of fraude verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten,

aangezien B.V. 1 voor de overbrenging(en) van die afvalstof(fen) bij beschikking met nummer NL (nummer) toestemming had verkregen van de Nederlandse autoriteiten terwijl B.V. 1 in strijd met de waarheid in het aan die toestemming ten grondslag liggende Kennisgevingsformulier grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen met nummer NL (nummer) had vermeld dat bedrijf 1 de ontvanger was;

(artikel la juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.60 lid 1 Wet milieubeheer (oud) juncto artikel 26 lid 1 van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap)

6.

(Zaak F)

zij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2005 tot en met 31 december 2005 te Rotterdam en/of te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

van een of meer valse en/of vervalste contract(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - gebruik heeft gemaakt als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,

bestaande die valsheid er in dat (telkens) valselijk, immers in strijd met de waarheid, in/op dat/die contract(en) (documentnummer nummer en/of nummer , ordner 4 blz. F319 en/of documentnummer nummer ordner 4 blz. F325) één of meer van de navolgende aantekening(en)/gegeven(s) vermeld was/waren:

- bij/als buyer: bedrijf 1 en/of

- een stempel met Chinese tekens en/of een handtekening die moest(en) doorgaan voor de stempel en/of een handtekening van/namens bedrijf 1,

en bestaande dat gebruikmaken er in dat verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) dat/die contract(en) heeft aangeboden aan Senter Novem in verband met een kennisgevingsprocedure op grond van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap;

(artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht)