Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU4297

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
381429 / JE RK 11-1745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeder ongeschikt of onmachtig haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen; geen perspectief dat de doelstelling van de ondertoezichtstelling kan worden gerealiseerd.

De minderjarige is een kind dat zoekt naar duidelijkheid en grenzen. Moeder blijft de minderjarige in verwarring brengen door haar onvoorspelbaarheid op het gebied van het onderhouden van contact met hem en zij is onvoldoende bereikbaar voor de stichting waardoor er risico’s zijn voor wat betreft het nemen van beslissingen die voortvloeien uit het gezag. Het is in het belang van de minderjarige dat er rust en duidelijkheid komt omtrent zijn opvoedsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht, team jeugd

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 3 oktober 2011

Zaak-/rekestnummer: 381429 / JE RK 11-1745

Beschikking in de zaak van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van dhr. [vader] en met het gezag belaste ouder,

mw. [moeder], wonende: [ ] Rotterdam.

Het verloop van de procedure

De raad heeft verzocht de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarige, met benoeming van stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes.

De minderjarige is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

De zaak is behandeld op 19 september 2011.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. C.W.M. Jansen, advocaat van de moeder;

- de stichting, vertegenwoordigd door [ ];

- de raad, vertegenwoordigd door [ ].

De ouders en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Ter terechtzitting heeft mr. C.W.M. Jansen, voornoemd, pleitnotities overgelegd.

De vaststaande feiten

De minderjarige staat sinds 13 juni 2007 onder toezicht en is sinds 7 december 2007 uithuisgeplaatst.

Juridisch kader

In artikel 1:266 BW is bepaald dat de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet. Ingevolge artikel 1:268, lid 2, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1:268, lid 2, aanhef en sub a BW leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

De beoordeling

De raad heeft verzocht de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige omdat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raad een rapportage overgelegd gedateerd 15 juni 2011.

De moeder is ter terechtzitting niet verschenen. De advocaat van de moeder heeft ter terechtzitting aangegeven dat de moeder op de hoogte is van de behandeling van de zaak, maar vandaag niet in de gelegenheid is ter zitting te verschijnen. De advocaat zal namens de moeder het woord voeren. Moeder heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, maar is per email prima bereikbaar volgens de advocaat. Moeder verzet zich tegen de ontheffing. De minderjarige verblijft bij oma vaderszijde en moeder hoopt dat de minderjarige op termijn bij haar kan komen wonen. Op dit moment is de oma bij wie de minderjarige verblijft als gevolg van een tia in het ziekenhuis opgenomen. De minderjarige is daarom geplaatst bij een kennis van de oma. De moeder is van mening dat de verderstrekkende maatregel van een ontheffing de meest verregaande inbreuk vormt op het recht op family life conform art. 8 EVRM, maar dat die inbreuk niet noodzakelijk is. De moeder betwist de plaatsing van de minderjarige niet en zij belemmert evenmin de dagelijks te nemen beslissingen voortvloeiend uit het gezag. De moeder is daarom van mening dat de maatregelen van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van de minderjarige voldoende toereikend zijn om de ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.

De stichting onderschrijft het verzoek van de raad. In het kader van de ondertoezichtstelling wordt niet gewerkt aan thuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder. De minderjarige ontwikkelt zich positief in het pleeggezin. De samenwerking tussen de gezinsvoogd en de moeder was in het begin heel moeizaam. Moeder kwam haar afspraken niet na. Tussen 2007 en 2009 was de moeder niet bereikbaar voor de gezinsvoogd. Sinds kort is er weer redelijk contact met de moeder. Op dit moment komt de moeder de afspraken na, maar het is vooralsnog onduidelijk of de moeder zich blijft houden aan de afspraken.

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de meervoudige kamer van de rechtbank als volgt.

Nu de moeder niet instemt met de ontheffing zal moeten worden beoordeeld of van een uitzondering als vermeld in artikel 1:268, lid 2, sprake is.

Ten aanzien van de minderjarige

Uit het raadsrapport blijkt dat de minderjarige verschillende opvoeders heeft gehad en is opgegroeid in verschillende opvoedsituaties. Hij heeft onvoldoende veiligheid ervaren en zich onvoldoende kunnen hechten aan één persoon. Hierdoor heeft [de minderjarige] niet geleerd om zijn opvoeder op te zoeken als veilige basis. Sinds de uithuisplaatsing in 2007 tot maart 2010 heeft [de minderjarige] geen contact meer gehad met moeder in het kader van een officiële bezoekregeling. [De minderjarige] kampt met ambivalente gevoelens jegens moeder, hij mist haar maar het feit dat moeder in zijn ogen weinig moeite heeft gedaan om ervoor te zorgen dat hij weer bij haar kan gaan wonen, heeft ertoe geleid dat hij boos is en zich in de steek gelaten voelt.

De minderjarige verblijft sinds juni 2009 in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma vaderszijde. De minderjarige is een kind dat zoekt naar duidelijkheid en grenzen. Hij doet dit naar pleegmoeder toe door in verzet te gaan en de strijd aan te gaan. Hij kan onredelijk boos worden en op zulke momenten maakt hij spullen in zijn kamer kapot. Ook verdraait de minderjarige regelmatig de waarheid, waarbij het er vaak op lijkt dat hij door middel van het verdraaien van de waarheid naar veiligheid zoekt.

De ontwikkeling van de minderjarige verloopt op dit moment echter erg positief. De naschoolse opvang is gestopt omdat de minderjarige is uitgeleerd en alle werkdoelen geheel of gedeeltelijk zijn behaald. Hij lijkt zich veilig te voelen bij pleegmoeder en laat, mede door de begeleiding die hij bij Lucertis krijgt, in de thuissituatie een vooruitgang zien. In het netwerkpleeggezin krijgt hij de zorg, betrokkenheid en stimulans die hij nodig heeft om zich positief te blijven ontwikkelen.

Lucertis heeft te kennen gegeven dat wil de therapie die de minderjarige wordt aangeboden kans van slagen hebben, het voor de minderjarige duidelijk moet zijn bij wie hij woont en voorlopige blijft wonen, wie hem opvoedt en wie wat over hem te zeggen heeft.

Ten aanzien van de moeder

Er is bij de moeder sprake van schuldenproblematiek en een gebrek aan inzicht in haar eigen handelen. Moeder heeft in het verleden wanneer zij niet thuis was de zorg voor haar kinderen overgelaten aan haar zwakbegaafde en drugsverslaafde partner. De minderjarige had veel klachten als buikpijn, hoofdpijn, was veel ziek en huilde veel, terwijl de persoonlijke hygiëne van de kinderen te wensen overliet. Moeder negeerde de zorgsignalen van de kinderen. Vanwege schulden is moeder haar woning kwijtgeraakt. Moeder is geruime tijd niet bereikbaar geweest voor de hulpverlening en heeft zich lange tijd zich niet gehouden aan de afspraken met de stichting en daarmee de belangen van de minderjarige geschaad. Sinds 2007 heeft zij buiten alle afspraken om, de minderjarige tweemaal stiekem opgezocht. In maart 2010 is er voor de eerste maal weer een begeleid contact geweest, hetgeen positief is verlopen. Een vervolgafspraak op 28 april 2010 is niet doorgegaan. Moeder heeft sindsdien geen contact meer opgenomen met de stichting om een andere afspraak te maken. Wel is zij stiekem contact blijven opnemen met de minderjarige, waardoor hij wederom in verwarring raakte en de irritaties bij hem hoog opliepen. Op 6 april 2011 zou er uiteindelijk weer een begeleid bezoek plaatsvinden. Moeder is zonder bericht niet verschenen.

De verblijfplaats van de moeder is voor de stichting tot voor kort onbekend geweest. Ook de raad heeft in het kader van het onderhavige verzoek geen contact met moeder kunnen krijgen.

Op grond van het vorenstaande in samenhang bezien met het rapport van de raad van 15 juni 2011 komt de meervoudige kamer tot de conclusie dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en dat er geen perspectief is dat de doelstelling van de ondertoezichtstelling, te weten dat de met het gezag belaste ouder met ondersteuning en begeleiding uiteindelijk weer in staat is zelfstandig de verzorging en opvoeding van zijn/haar kind op zich te nemen, kan worden gerealiseerd. Vast staat dat de ondertoezichtstelling tenminste zes maanden heeft geduurd, en de uithuisplaatsing ten minste een jaar en zes maanden. Het is in het belang van de minderjarige dat er rust en duidelijkheid komt omtrent zijn opvoedsituatie, zodat het hechtingsproces in het pleeggezin zo goed mogelijk kan verlopen. Nu moeder ambivalent is gebleken in het onderhouden van contact met de minderjarige en hem in verwarring blijft brengen door haar onvoorspelbaarheid op dit gebied, blijft er onrust en verwarring bij hem bestaan. Voorts loopt de samenwerking met de gezinsvoogd niet goed en zijn er risico’s voor wat betreft het nemen van beslissingen die voortvloeien uit het gezag nu moeder onvoldoende bereikbaar is voor de stichting, hetgeen ook de belangen van de minderjarige schaadt. De omstandigheid dat er sinds kort met moeder redelijk contact zou zijn en zij de afspraken nu wel zou nakomen maakt dit niet anders. Gelet op het gedrag van moeder in de afgelopen jaren en het nog heel recent niet nakomen van een zo belangrijke afspraak als een bezoek aan de minderjarige, geeft onvoldoende vertrouwen dat moeder dit positieve gedrag zal volhouden.

Gelet hierop concludeert de meervoudige kamer dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen de ontheffing van de moeder en dat gegronde vrees bestaat dat de uithuisplaatsing door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder onvoldoende is om de ernstige bedreiging als bedoeld in art. 1:254 af te wenden. Het verzoek van de raad zal derhalve worden toegewezen.

Dat de moeder zich niet verzet tegen de plaatsing van de minderjarige in het pleeggezin, staat niet in de weg aan gedwongen ontheffing. Ook het beroep van de moeder in dit verband op artikel 8 EVRM slaagt niet. Dit artikel strekt er mede toe dat in zaken als onderhavige de belangen van ouders bij de continuering van het gezag over hun minderjarige kind afgewogen dienen te worden tegen de belangen van het kind, welke zwaarder kunnen wegen. In dit geval brengt het belang van de minderjarige bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie mee dat de ontheffing wordt uitgesproken en dient aan dit belang naar het oordeel van de meervoudige kamer een zwaarder gewicht te worden toegekend dan aan het belang van de moeder om het gezag te behouden.

De stichting heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De beslissing

Ontheft de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Benoemt tot voogdes over de minderjarige:

Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. van der Laan, voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.J. van den Broek-Prins, allen rechter tevens kinderrechter, in aanwezigheid van

P. Thakoerdat, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.