Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU4296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
384180 / JE RK 11-2202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeder ongeschikt of onmachtig haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen; geen perspectief dat de doelstelling van de ondertoezichtstelling kan worden gerealiseerd. De moeder blijft haar wens om zelf voor de minderjarige te zorgen met hem bespreken. De samenwerking met de gezinsvoogd is niet goed, ook niet voor wat betreft het nemen van beslissingen die voortvloeien uit het gezag. Het is in het belang van de minderjarige dat er rust en duidelijkheid komt omtrent zijn opvoedsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht, team jeugd

meervoudige kamer

Datum uitspraak: 3oktober 2011

Zaak-/rekestnummer: 384180 / JE RK 11-2202

Beschikking in de zaak van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van dhr. [vader] en van de met het gezag belaste ouder,

mw. [moeder], wonende: [ ] Rotterdam.

Het verloop van de procedure

De raad heeft verzocht de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarige, met benoeming van stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes.

De zaak is behandeld op 19 september 2011.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de Raad voor de Kinderbescherming vertegenwoordigd door [ ];

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.P. Kloppenburg en [persoon 1], tolk in de Chinese taal;

- de vader, bijgestaan door [persoon 1], tolk in de Chinese taal;

- de stichting, vertegenwoordigd door [ ];

- de pleegouders, dhr. en mw. [ ].

De vaststaande feiten

De minderjarige staat sinds 2 oktober 2007 onder toezicht en is op 21 januari 2008 uithuisgeplaatst in leefgroep de Toverlantaarn van Flexus. De minderjarige verblijft sinds 29 april 2010 in een perspectiefbiedend pleeggezin.

Juridisch kader

In artikel 1:266 BW is bepaald dat de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet. Ingevolge artikel 1:268, lid 2, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1:268, lid 2, aanhef en sub a BW leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

De beoordeling

De raad heeft verzocht de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige omdat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. De moeder wordt belemmerd door haar persoonlijke problematiek om een dergelijke verantwoordelijkheid te dragen. De minderjarige is sinds begin 2008 uit huis geplaatst en ontwikkelt zich goed in het huidige perspectiefbiedend pleeggezin. De raad acht ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag noodzakelijk teneinde rust en duidelijkheid te brengen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raad een rapportage overgelegd gedateerd 27 juli 2011.

De moeder verzet zich tegen het verzoek van de raad.

De moeder is van mening dat zij thans goed in staat is de minderjarige te verzorgen en op te voeden. De moeder wil graag dat de minderjarige weer bij haar komt wonen.

De stichting onderschrijft het verzoek van de raad. In het kader van de ondertoezichtstelling wordt niet (meer) gewerkt aan thuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder. De minderjarige ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Het is in het belang van de minderjarige dat hij in het pleeggezin blijft wonen. De bezoekregeling tussen de moeder en de minderjarige geeft voor en na de bezoeken veel onrust. De minderjarige wordt ook onzeker door het gedrag en de vragen van de moeder. De moeder kan niet goed aansluiten bij zijn belevingswereld waardoor sprake is van veel spanning. De samenwerking tussen de gezinsvoogd en moeder verloopt moeizaam en moeder is niet leerbaar gebleken. Ook zijn er strubbelingen ten aanzien van sommige beslissingen ten aanzien van het gezag zoals de aanvraag van een paspoort.

De vader onderschrijft het standpunt van de moeder.

Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de meervoudige kamer van de rechtbank als volgt.

Nu de moeder niet instemt met de ontheffing zal moeten worden beoordeeld of van een uitzondering als vermeld in artikel 1:268, lid 2, sprake is.

De minderjarige

De minderjarige verblijft thans in een perspectief biedend pleeggezin. De rechtbank is met de raad van oordeel dat hij baat heeft bij een veilige, gestructureerde en stabiele opvoedingssituatie. De minderjarige heeft een instabiele thuissituatie en een chaotische en onvoorspelbare opvoedsituatie gekend, hetgeen onder meer geleid heeft tot een forse taal- en spraakachterstand en een zwakke sociaal emotionele ontwikkeling.

Sinds de plaatsing van de minderjarige in het pleeggezin maakt de minderjarige een positieve groei door. Hij voelt zich op zijn gemak en heeft zich gehecht aan pleegmoeder. Hij is zowel naar andere kinderen als naar de moeder assertiever en kan beter voor zichzelf opkomen.

De moeder

De moeder wil graag zelf de minderjarige verzorgen en opvoeden. In de afgelopen jaren zijn diverse gesprekken gevoerd door de stichting met de moeder met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarige. Deze gesprekken zijn steeds chaotisch verlopen en hebben tot op heden niet geleid tot meer inzicht bij de moeder in de situatie van de minderjarige. Moeder kan zich niet inleven in de minderjarige en handelt voornamelijk uit eigen behoeften en impulsen. De samenwerking tussen voogd en moeder verloopt moeizaam evenals de bezoekregeling tussen moeder en minderjarige.

De moeder blijft met de minderjarige bespreken dat de minderjarige weer bij moeder kan gaan wonen. De minderjarige raakt hierdoor ontregeld. De moeder is van mening dat de minderjarige door de plaatsing in het pleeggezin zijn Chinese identiteit onvoldoende ontwikkelt en probeert herhaaldelijk de Chinese indentiteit aan de minderjarige op te dringen. Zo neemt moeder Chinees eten mee tijdens het bezoekcontact met de minderjarige. Recentelijk heeft zij de minderjarige tegen zijn zin gevoerd met zeewier, waardoor hij misselijk en ziek is geworden. Moeder is door de gezinsvoogd meermalen hierop aangesproken, maar moeder is tegen het advies in stiekem doorgegaan met voeren van de minderjarige. Moeder wil de minderjarige op haar manier opvoeden en is niet te corrigeren op haar gedrag.

Op grond van het vorenstaande in samenhang bezien met het rapport van de raad van 27 juli 2011 komt de meervoudige kamer tot de conclusie dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en dat er geen perspectief is dat de doelstelling van de ondertoezichtstelling, te weten dat de met het gezag belaste ouder met ondersteuning en begeleiding uiteindelijk weer in staat is zelfstandig de verzorging en opvoeding van zijn/haar kind op zich te nemen, kan worden gerealiseerd. Vast staat dat de ondertoezichtstelling ten minste zes maanden heeft geduurd, en de uithuisplaatsing ten minste een jaar en zes maanden. Het is in het belang van de minderjarige dat er rust en duidelijkheid komt omtrent zijn opvoedsituatie, zodat het hechtingsproces in het pleeggezin zo goed mogelijk kan verlopen. Nu moeder haar wens om zelf voor de minderjarige te zorgen, met de minderjarige blijft bespreken, blijft er onrust bij hem bestaan. Voorts loopt de samenwerking met de gezinsvoogd niet goed, ook niet voor wat betreft het nemen van beslissingen die voortvloeien uit het gezag, hetgeen ook de belangen van de minderjarige schaadt. Gelet hierop concludeert de meervoudige kamer dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen de ontheffing van de moeder en dat gegronde vrees bestaat dat de uithuisplaatsing door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder onvoldoende is om de ernstige bedreiging als bedoeld in art. 1:254 af te wenden. Het verzoek van de raad zal derhalve worden toegewezen.

De stichting heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De beslissing

Ontheft de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Benoemt tot voogdes over de minderjarige:

De stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter, mr. M.J. van den Broek-Prins en mr. M.A. van der Laan-Kuijt, allen rechter tevens kinderrechter, in aanwezigheid van P. Thakoerdat, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.