Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU3692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
315140 / HA ZA 08-2265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagden sluiten met wsnp-schuldenaar een vaststellingsovereenkomst en betalen het overeengekomen bedrag op een door de schuldenaar opgegeven bankrekening van een derde. Onbevoegdheid schuldenaar tot sluiten overeenkomst en in ontvangst nemen betaling leidt tot relatieve nietigheid ten opzichte van -inmiddels - de faillissemenstboedel. De betaling is niet bevrijdend geweest en zal alsnog aan de boedel moeten worden gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 315140 / HA ZA 08-2265

Vonnis van 22 juni 2011

in de zaak van

mr. Leonard Theodoor Abraham BOENDER q.q. in zijn hoedanigheid van

curator in het faillissement van de heer [X],

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser,

procesadvocaat mr. J.B. Kloosterman te Rotterdam,

tegen

1. de publiekrechterlijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2],

gevestigd te Maarheze,

gedaagden,

procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Eiseres zal hierna de curator genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk de gemeente en [gedaagde 2] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek tevens wijziging en voorwaardelijke vermeerdering van eis;

- de akte houdende wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 maart 2001 is ten aanzien van de heer [X] ([X]) de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) definitief van toepassing verklaard, met aanstelling van een bewindvoerder. Publicatie daarvan is geschied in de Staatscourant van 19 november 2001.

2.2. Op 1 februari 2002 is [X] voor bepaalde tijd in dienst getreden van AVR West B.V. (AVR), thans [gedaagde 2].

2.3. Bij brief van 21 februari 2002 heeft de bewindvoerder AVR bericht dat ten aanzien van [X] de wsnp van toepassing was verklaard en verzocht van zijn salaris het meerdere boven het vrij te laten bedrag op de boedelrekening te storten. Bij brief van 27 januari 2003 heeft AVR de bewindvoeder bericht dat de arbeidsovereenkomst met [X] met ingang van 1 februari 2003 eindigt.

2.4. Op 20 september 2004 is tussen de gemeente als vertegenwoordiger van AVR en [X] een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Daarin is, voor zover hier van belang, overeengekomen:

"(...) In aanmerking nemende:

dat op 6 februari 2002 een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [X] was betrokken en als gevolg waarvan [X] gewond is geraakt;(...)

Dat [X] en de Gemeente Rotterdam in onderhandeling zijn getreden over een definitieve regeling van de aanspraken van [X] jegens Gemeente Rotterdam en het aansprakelijke bedrijf AVR; (...)

dat de Gemeente Rotterdam en [X] bij wege van vaststellingsovereenkomst (...) er de voorkeur aan geven bestaande onzekerheden te beëindigen en de omvang van de door [X] geleden en/of te lijden schade bij deze overeenkomst wensen vast te stellen;

Verklaren te zijn overeengekomen:

1. Gemeente Rotterdam betaalt aan [X] een bedrag van EUR 30.000,00 (...) onder aftrek van het reeds betaalde voorschot van EUR 7000,00, zodat een slotbetaling resteert van EUR 23.000,00. (...)

2.5. Betaling van het bedrag is volgens afspraak, eveneens in de overeenkomst vastgelegd, geschied middels storting op de girorekening 7133113 t.n.v. van [Y] te [woonplaats].

2.6. Bij vonnis van deze rechtbank van 14 januari 2005 is de schuldsaneringregeling ten aanzien van [X] beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 onder c en e Fw en is hij van rechtswege in staat van faillissement komen te verkeren, met aanstelling van een curator. De huidige curator is aangesteld bij beschikking van de rechter-commissaris in het faillissement van 2 mei 2007.

Het geschil

De curator vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2004 partieel nietig is ten opzichte van de boedel in voorheen de schuldsaneringsregeling van de heer [X] en sinds het uitspreken van het faillissement op 14 januari 2005 ten opzichte van de boedel in het faillissement van de heer [X], wat betreft het gedeelte van de overeenkomst waarin is bepaald dat het schikkingsbedrag aan de bankrekening van [Y] kan worden betaald, alsmede voor recht verklaart dat het schikkingsbedrag als vermeld in de vaststellingsovereenkomst d.d. 20 september 2004 uitsluitend bevrijdend aan de boedelrekening in voorheen de schuldsaneringsregeling van de heer [X] en sinds het uitspreken van het faillissement op 14 januari 2005, uitsluitend aan de boedelrekening in het faillissement van de heer [X] kan worden betaald;

2. gedaagden op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2004 beiden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van een bedrag van € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. gedaagden wegens onrechtmatig handelen beiden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der wijzing van eis tot aan de dag der algehele voldoening;

4. gedaagden beiden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator tegen behoorlijk bewijs van kwijting van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van een bedrag van € 1.329,48, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5. subsidiair, voor het geval dat een beroep van gedaagden op de (ver)nietig(baar)heid van de vaststellingsovereenkomst onverhoopt zou slagen, voor recht verklaart dat AVR jegens [X] aansprakelijk is voor de schade welke [X] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het bedrijfsongeval op 6 februari 2002, en gedaagden veroordeelt tot betaling aan de curator van de dientengevolge door [X] geleden en/of te lijden schade, nader op te maken bij staat.

6. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De curator voert daartoe -samengevat- het volgende aan. De betalingen door de gemeente aan [X] van in totaal een bedrag van € 30.000,-- gedurende de periode dat op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was, is niet bevrijdend. Op grond van artikel 316 lid 1 sub b Fw was uitsluitend de bewindvoerder bevoegd tot de vereffening en het beheer van de boedel. Voor de curator is deze bevoegdheid neergelegd in artikel 68 Fw. Gedaagden dienen daarom alsnog aan de curator te betalen. Daarnaast hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld door met [X] een overeenkomst te sluiten, wetende dat op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing was. Voor zover de vaststellingsovereenkomst nietig is, rust op [gedaagde 2] als opvolgster van AVR de verplichting op grond van artikel 7:658 lid 2 BW de schade die [X] heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval te vergoeden.

3.3. Gedaagden voeren verweer en voeren daartoe -samengevat- het volgende aan. Nu vast staat dat [X] als gevolg van de toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringregeling niet bevoegd was te beschikken over de tot de boedel behorende goederen, zijn de door hem verrichte rechtshandelingen, waaronder het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, naar analogie van artikel 3:43 BW nietig. Voor zover dat anders is beroepen gedaagden zich op de vernietigbaarheid op grond van bedrog, misbruik van omstandigheden danwel dwaling. Meer subsidiair stellen gedaagden dat de bewindvoerder als gevolg van de postblokkade op de hoogte was van de correspondentie met [X] over zijn arbeidsongeschiktheid en reïntegratie en met zijn advocaat over de afwikkeling van de letselschade, maar desondanks heeft nagelaten gedaagden er van in kennis te stellen dat zij slechts bevrijdend konden betalen aan de bewindvoerder. Omdat de organisatie van AVR complex was en de salarisadministratie niet aan de grote klok pleegde te hangen dat op werknemers de wsnp van toepassing was, heeft het kunnen gebeuren dat diegenen die bij de afwikkeling van de letselschadevordering betrokken waren, daarvan niet op de hoogte waren. Onder die omstandigheden is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de curator zich er op beroept dat niet bevrijdend is betaald.

De beoordeling

De kern van het geschil is of de betalingen door gedaagden aan [X] in 2004 tot een totaalbedrag van

€ 30.000,-- uit hoofde van de met hem gesloten vaststellingsovereenkomst gedaan, bevrijdend zijn geweest. De schuldsaneringsboedel omvat zowel de goederen van de schuldenaar ten tijde van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, als de goederen die hij gedurende de regeling verkrijgt. Daaronder moeten worden ook vorderingrechten begrepen, zoals de vordering van [X] op AVR uit hoofde van het arbeidsongeval. Tengevolge van de schuldsaneringregeling verloor [X] zijn beschikkings- en beheersbevoegdheid ten aanzien van de tot de boedel behorende goederen, waaronder de vordering op AVR en in het verlengde daarvan de vordering op gedaagden uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst.

4.2. [X] was dus niet bevoegd om de overeenkomst met gedaagden te sluiten (daad van beschikking) en de betalingen van gedaagden uit hoofde daarvan via de bankrekening van [Y] (daad van beheer) in ontvangst te nemen. Dat leidt evenwel niet tot absolute nietigheid van de door [X] verrichte rechtshandelingen, maar tot een relatieve nietigheid ten opzichte van de boedel, waarop de bewindvoeder respectievelijk de opvolgende curator een beroep kan doen. De curator heeft de vaststellingsovereenkomst in stand gelaten, met uitzondering van de bepaling waarin is vastgelegd dat betaling aan [X] zou geschieden middels storting op de bankrekening van [Y], ten aanzien waarvan de curator zich op de nietigheid beroept. Dat brengt met zich, ook overigens zonder dat de curator een beroep had gedaan op de partiële nietigheid, dat gedaagden, nu zij de overeengekomen vergoeding aan [X] hebben voldaan, niet bevrijdend hebben betaald. Waar het om gaat is immers dat zij aan [X] hebben betaald. Daarbij is niet van wezenlijk belang dat die betaling zoals overeengekomen is gedaan middels storting op de (door [X] opgegeven) bankrekening van een derde. Het verweer van gedaagden dat de vordering tot vernietiging reeds is verjaard en de curator op grond van artikel 3:52 lid 2 BW niet meer buitengerechtelijk kon vernietigen, kan onbesproken blijven, nu de curator de overeenkomst niet partieel heeft vernietigd.

4.3.1. Het verweer van gedaagden dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden en/of dwaling slaagt niet. De door gedaagden gestelde wilsgebreken hebben immers geen betrekking op het met [X] bereikte onderhandelingsresultaat dat is neergelegd in de vaststellingsovereenkomst en gedaagden verplichtte tot betaling van een bedrag van € 30.000,--, maar op de onbevoegdheid van [X] om de betalingen van het voorschot en de slottermijn in ontvangst te nemen. Met de publicatie van het vonnis -waarbij de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X] werd uitgesproken- in de Staatscourant op 19 november 2001, komt gedaagden -in beginsel- geen beroep toe op het ontbreken van wetenschap daaromtrent. Daar komt bij dat de bewindvoerder bij brief van 21 februari 2002 AVR als werkgever van [X] op de hoogte heeft gesteld dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X] was uitgesproken en heeft verzocht het meerdere boven het vrij te laten bedrag op de boedelrekening te storten. Die wetenschap van AVR moet worden toegerekend aan haar rechtsopvolgster [gedaagde 2] en de gemeente als vertegenwoordiger van [gedaagde 2]. Gedaagden waren dus van de situatie op de hoogte, althans moeten in redelijkheid geacht worden daarvan op de hoogte geweest te zijn. Daarin schuilt ook het verschil met de casus in het arrest van het Hof Leeuwarden van 28 april 2004 (NJF 2004/502), waarin sprake was van onbekendheid van de werkgever van het faillissement van haar werknemer en de curator zich enkel beriep op de publicatie van het faillissement en daarmee op de fictie van bekendheid. Dat de organisatie van AVR complex was doet aan het voorgaande niet af.

4.3.2. De curator heeft gesteld dat de bewindvoerder van [X] niet op de hoogte is geweest van correspondentie tussen [X] en zijn advocaat met betrekking tot de afwikkeling van de letselschade, maar daar pas kennis van kreeg na ontvangst op 4 oktober 2004 van de brief van de gemeente d.d. 20 september 2004 over de afhandeling van de betaling -toen het al te laat was om de betaling tegen te houden- en derhalve geen verwijt kan worden gemaakt. Gedaagden betwisten dat de bewindvoerder -via de postblokkade- niet van de voortgang van de afwikkeling van de letselschade op de hoogte had kunnen en moeten zijn en stellen dat deze onvoldoende aandacht heeft gehad voor de kwestie en dat de desbetreffende poststukken aldus aan zijn of haar aandacht zijn ontsnapt. Indien veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de juistheid van die stelling van gedaagden brengt dat evenwel, gegeven de bekendheid van gedaagden met de op [X] toepasselijke schuldsaneringsregeling, niet mee dat gedaagden er vanuit mochten gaan dat [X] dus bevoegd was om de betaling van het overeengekomen bedrag in ontvangst te nemen. Een beroep op de redelijkheid en billijkheid komt gedaagden dan ook niet toe.

4.4. De overige stellingen van partijen kunnen onbesproken blijven, omdat die niet tot een andere beslissing leiden.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de betaling aan [X] van het bedrag van € 30.000,-- niet bevrijdend is geweest en gedaagden dit bedrag alsnog dienen te voldoen aan de curator. Tegen de gevorderde wettelijke rente hebben gedaagden geen verweer gevoerd. De vorderingen van de curator onder 1 en 2 van het petitum zijn mitsdien toewijsbaar. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank afwijzen, nu die niet aannemelijk zijn gemaakt. Uit het als productie 14 overgelegde urenoverzicht blijkt niet dat aan buitengerechtelijke incasso uren zijn besteed.

4.6. Als de in het ongelijk te stellen partijen zullen gedaagden de proceskosten moeten vergoeden, welke tot op heden aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 157,24

- vastrecht € 690,--

- salaris advocaat (2 punten, tarief III) € 1.158,--

Totaal € 2.005.24

4.7. Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank

1. verklaart voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2004 partieel nietig is ten opzichte van de boedel in voorheen de schuldsaneringsregeling van de heer [X] en sinds het uitspreken van het faillissement op 14 januari 2005 ten opzichte van de boedel in het faillissement van de heer [X], wat betreft het gedeelte van de overeenkomst waarin is bepaald dat het schikkingsbedrag aan de bankrekening van [Y] kan worden betaald, alsmede dat het schikkingsbedrag als vermeld in de vaststellingsovereenkomst d.d. 20 september 2004 uitsluitend bevrijdend aan de boedelrekening in voorheen de schuldsaneringsregeling van de heer [X] en sinds het uitspreken van het faillissement op 14 januari 2005, uitsluitend aan de boedelrekening in het faillissement van de heer [X] kan worden betaald;

2. veroordeelt gedaagden op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2004 hoofdelijk tot betaling aan de curator van een bedrag van € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten tot op heden aan de zijde van de curator begroot op

€ 2.005,24;

4. verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 2 en 3 van het dictum uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.